Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2758

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-11-2020
Datum publicatie
18-11-2020
Zaaknummer
202002887/1/R4
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 oktober 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaltbommel geweigerd aan [appellant] een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van een erker aan de woning op het perceel [locatie 1] in Kerkwijk. [appellant] heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een erker aan de zijkant van zijn woning op het perceel. De beoogde erker steekt niet meer dan 50 cm uit vanaf de woning. Volgens de ter plaatse geldende beheersverordening "Aalst, Kerkwijk en Delwijnen", geldt op het perceel de bestemming "Wonen". Tegenover de beoogde erker, aan de [locatie 2], ligt het perceel van [belanghebbende]. Het college heeft de vergunning geweigerd omdat de erker in strijd is met de beheersverordening en niet voldoet aan de eisen voor het verlenen van een omgevingsvergunning om daarvan af te wijken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202002887/1/R4.

Datum uitspraak: 18 november 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Kerkwijk, gemeente Zaltbommel,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 3 april 2020 in zaak nr. 19/2224 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaltbommel.

Procesverloop

Bij besluit van 4 oktober 2018 heeft het college geweigerd aan [appellant] een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van een erker aan de woning op het perceel [locatie 1] in Kerkwijk.

Bij besluit van 19 maart 2019 heeft het college, naar aanleiding van het bezwaar van [appellant], het besluit van 4 oktober 2018 in stand gelaten.

Bij uitspraak van 3 april 2020 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college en [belanghebbende] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 november 2020, waar [appellant], bijgestaan door mr. H. Martens, rechtsbijstandverlener te Assen, en het college, vertegenwoordigd door P.H. Speé, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    [appellant] heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een erker aan de zijkant van zijn woning op het perceel. De beoogde erker steekt niet meer dan 50 cm uit vanaf de woning. Volgens de ter plaatse geldende beheersverordening "Aalst, Kerkwijk en Delwijnen", geldt op het perceel de bestemming "Wonen". Op de verbeelding bij de beheersverordening is ter plaatse van de beoogde erker de bouwaanduiding "bijgebouwen uitgesloten" opgenomen. Tegenover de beoogde erker, aan de [locatie 2], ligt het perceel van [belanghebbende] (hierna: het bedrijfsperceel). Volgens het daar geldende bestemmingsplan "Buitengebied Zaltbommel" geldt op dat perceel de bestemming "Bedrijf" en zijn loonwerkbedrijven, agrarisch verwante bedrijven, en aan het buitengebied gebonden bedrijven toegestaan.

    Bij het besluit van 4 oktober 2018, dat in stand is gelaten na het bezwaar van [appellant], heeft het college de gevraagde vergunning geweigerd. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de erker in strijd is met de beheersverordening en niet voldoet aan de eisen voor het verlenen van een omgevingsvergunning om daarvan af te wijken, zoals opgenomen in de beleidsregels "Buitenplanse afwijking Bor 2017". Verder is na een zogenoemde maatwerkafweging geconcludeerd dat het bouwen van de erker in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de belangen van [belanghebbende] schaadt. Door de erker wordt de afstand tussen de woning en het bedrijfsperceel namelijk korter, waardoor de daar toegestane bedrijfsactiviteiten worden beperkt. Het college wijst er in dat verband op dat in de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure) een richtafstand van 30 m is opgenomen tussen loonwerkbedrijven en gevoelige bestemmingen zoals woningen. Verder heeft het college consequent aan [belanghebbende] meegedeeld dat de woning niet dichter bij het bedrijfsperceel zal worden gebouwd dan nu het geval is. Het college hecht eraan om die afspraak na te komen.

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet heeft gemotiveerd dat de activiteiten op het bedrijfsperceel worden belemmerd door het bouwen van de erker. Hij voert daartoe aan dat de afstand tussen de woning en het bedrijfsperceel niet meer dan 50 cm korter wordt door de erker. Bovendien liggen er andere woningen dichter bij het bedrijfsperceel. Verder wordt de richtafstand van 30 m van de VNG-brochure ook zonder de erker al overschreden en leidt de erker niet tot aantasting van het woon- en leefklimaat in de woning. Ter zitting heeft hij hieraan toegevoegd dat de zijgevel op grond van de omgevingsvergunning voor het bouwen van de woning zodanig is gebouwd dat een erker kan worden geplaatst, maar dat de gewenste erker door een fout in de bouwtekeningen niet kon worden gerealiseerd. Verlening van de vergunning leidt volgens [appellant] tot herstel van de fout en tot een grote toename van zijn woongenot.

2.1.    Vast staat dat het bouwen van de erker in strijd is met de beheersverordening. Met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, in samenhang gelezen met artikel 4, aanhef en onderdeel 1 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, kan het college een omgevingsvergunning verlenen om daarvan af te wijken, indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

    In de Beleidsregels "Buitenplanse afwijking Bor 2017" is vermeld dat de beheersverordening het uitgangspunt is en in principe geen medewerking wordt verleend aan afwijking daarvan voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk. Hierop wordt een uitzondering gemaakt als aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Eén van die voorwaarden is dat de gronden niet liggen ter plaatse van de aanduiding "bijgebouwen uitgesloten" in de beheersverordening. Verder kan een uitzondering worden gemaakt als uit een maatwerkafweging blijkt dat het mogelijk is om aan de aanvraag medewerking te verlenen, aldus de Beleidsregels.

2.2.    De beslissing om al dan niet een omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van de beheersverordening behoort tot de bevoegdheid van het college, waarbij het college beleidsruimte heeft. De rechter toetst of het college in redelijkheid heeft kunnen komen tot zijn besluit om een omgevingsvergunning te verlenen, dan wel om een omgevingsvergunning te weigeren. In dit geval gaat het om de vraag of het college in redelijkheid de omgevingsvergunning heeft kunnen weigeren met de motivering dat de erker leidt tot belemmering van de bedrijfsactiviteiten en in strijd is met een afspraak die met [belanghebbende] zou zijn gemaakt over de afstand tussen de woning en het bedrijfsperceel.

    Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college onvoldoende gemotiveerd dat de erker leidt tot belemmering van de bedrijfsactiviteiten. De Afdeling overweegt daartoe dat de woning zonder erker al op minder dan 18 m afstand van het bedrijfsperceel ligt. Aan de richtafstand volgens de VNG-brochure van 30 m wordt dus nu al geenszins voldaan. Daarbij heeft het college niet onderbouwd, bijvoorbeeld met behulp van een beschikbare concrete en met onderzoek onderbouwde ruimtelijke onderbouwing, dat de eerder vergunde woning op deze van de richtafstand afwijkende, veel kortere, afstand destijds wel vergunbaar is geacht, maar dat dit niet geldt voor de nu aangevraagde erker. Het college heeft niet inzichtelijk gemaakt op welke wijze de geringe verdere afname van de afstand door de erker tot belemmering van de bedrijfsactiviteiten leidt. Daarbij komt dat [appellant] ter zitting onbestreden heeft verklaard dat er twee andere woningen op respectievelijk 4 m en 6 m afstand van het bedrijfsperceel liggen. Ook daarom valt zonder concretisering van het college niet in te zien dat juist de erker tot belemmering van de bedrijfsactiviteiten kan leiden.

    De Afdeling overweegt verder dat niet is gebleken dat het belang van [appellant] bij het bouwen van de erker bij de besluitvorming is betrokken. Tegenover het duidelijke belang van [appellant], staat de niet geconcretiseerde vrees dat verlening van de omgevingsvergunning negatieve gevolgen heeft voor de gebruiksmogelijkheden van het bedrijfsperceel. Overigens heeft het college ter zitting meegedeeld dat er op dat perceel al jaren geen bedrijfsactiviteiten meer plaatsvinden en is niet gebleken van een voornemen om het perceel weer daarvoor te gebruiken.

    Voor zover het college verwijst naar een afspraak die met [belanghebbende] zou zijn gemaakt over de afstand tussen de woning en het bedrijfsperceel, kan ook dat het besluit op bezwaar niet dragen. Het college doelt erop dat bij de voorbereiding van een voorheen geldend bestemmingsplan en de omgevingsvergunning voor het bouwen van de woning zou zijn afgesproken dat de woning niet dichterbij het bedrijfsperceel wordt gebouwd dan nu het geval is. [belanghebbende] zou daarom hebben afgezien van het naar voren brengen van zienswijzen over het ontwerpbestemmingsplan en ontwerp-omgevingsvergunning. Die enkele afspraak bevat op zichzelf echter geen ruimtelijke afweging en doet er niet aan af dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat de erker in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

    Concluderend heeft het college onvoldoende gemotiveerd dat het bouwen van de erker ertoe leidt dat de belangen van [belanghebbende] zodanig worden geschaad dat geen medewerking daaraan kan worden verleend. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

    Het betoog slaagt.

3.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 19 maart 2019 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking. Het college dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

    Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling ook aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.

4.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 3 april 2020 in zaak nr. 19/2224;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zaltbommel van 19 maart 2019, kenmerk 410629/433619;

V.    draagt het college van burgemeester en wethouders van Zaltbommel op om met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen;

VI.    bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Zaltbommel tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.100,00 (zegge: tweeduizend honderd euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Zaltbommel aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 439,00 (zegge: vierhonderdnegenendertig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.V. Veldwijk, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2020

912.