Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2699

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-11-2020
Datum publicatie
11-11-2020
Zaaknummer
202001616/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 september 2018 heeft de korpschef van politie de aanvraag van [appellant] om een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie afgewezen. Bij besluit van 18 juni 2019 heeft de minister van Justitie en Veiligheid het door [appellant] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. [appellant] heeft op 12 april 2017 een aanvraag ingediend om in het bezit te worden gesteld van een wapenverlof tot het voorhanden hebben van een vuurwapen ten behoeve van de schietsport. Hij heeft in een gesprek met de korpschef op 26 mei 2017 zijn aanvraag nader toegelicht, mede omdat de korpschef uit externe bronnen heeft vernomen dat [appellant] aan een posttraumatische stress stoornis leed en dit niet op het ingevulde aanvraagformulier C5 vermeld stond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202001616/1/A3.

Datum uitspraak: 11 november 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 januari 2020 in zaak nr. 19/3912 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 19 september 2018 heeft de korpschef van politie de aanvraag van [appellant] om een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie (hierna: het wapenverlof) afgewezen.

Bij besluit van 18 juni 2019 heeft de minister het door [appellant] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 januari 2020 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 augustus 2020, waar [appellant], bijgestaan door mr. L. Brouwers, rechtsbijstandverlener te Leusden, en de minister, vertegenwoordigd door F.H. Kamminga, zijn verschenen.

Overwegingen

Wettelijk kader

1.    Voor de relevante wet- en regelgeving wordt verwezen naar de bijlage. Deze maakt deel uit van de uitspraak.

Inleiding

2.    [appellant] heeft op 12 april 2017 een aanvraag ingediend om in het bezit te worden gesteld van een wapenverlof tot het voorhanden hebben van een vuurwapen ten behoeve van de schietsport. Hij heeft in een gesprek met de korpschef op 26 mei 2017 zijn aanvraag nader toegelicht, mede omdat de korpschef uit externe bronnen heeft vernomen dat [appellant] aan een posttraumatische stress stoornis (hierna: PTSS) leed en dit niet op het ingevulde aanvraagformulier C5 vermeld stond. In het gesprek heeft [appellant] toegelicht dat hij waarschijnlijk een PTSS had als gevolg van zijn werk in de forensische opsporing bij de verkeersongevallendienst van de Nationale Politie. De PTSS was op dat moment nog niet formeel vastgesteld en moest nog nader in het ziekenhuis worden onderzocht. Afgesproken werd dat de aanvraag wordt opgeschort tot 1 juli 2018 en dat [appellant] op een later moment weer contact zal opnemen met de korpschef over de voortzetting van de aanvraagprocedure. [appellant] heeft, ondanks nadere verzoeken daartoe van de korpschef, geen contact meer opgenomen. De korpschef heeft vervolgens op 19 september 2018 de aanvraag afgewezen op grond van artikel 7, eerste lid, onder a en onder c, van de Wet wapens en munitie. Door bij de aanvraag geen melding te maken van de (mogelijke) PTSS, meent de korpschef dat [appellant] niet de juiste gegevens en bescheiden heeft verschaft. Daarnaast is volgens de korpschef, gelet op de psychische gesteldheid van [appellant] en de bijbehorende risicofactoren, geringe twijfel ontstaan of het verantwoord is als [appellant] wapen(s) en/of munitie voorhanden heeft.

[appellant] heeft tegen dit besluit administratief beroep ingesteld en een rapport van psychiater R. Leta van 10 februari 2019 overgelegd. Daarin concludeert R. Leta dat er op dit moment geen sprake is van een psychiatrische stoornis of een persoonlijkheidsstoornis en dat er geen psychiatrische redenen zijn om te denken aan gevaar indien [appellant] een vuurwapen zou hanteren in het kader van de schietsport. Volgens de minister blijkt uit de verklaring van de psychiater dat de behandeling in maart 2019 zou worden afgerond en dat [appellant] daarom recentelijk bekend was met een psychische stoornis. [appellant] dient over een langere periode aan te tonen dat zijn psychische gesteldheid niet meer aan het bezit van wapens en munitie in de weg staat. Ook volgt de minister het oordeel van de korpschef dat het bij de beoordeling van de aanvraag van belang was om op de hoogte te zijn van de traumatische ervaring die [appellant] heeft gehad, zeker omdat in vraag 3 van het inlichtingenformulier daarnaar wordt gevraagd. De minister heeft bij het besluit van 18 juni 2019 het administratief beroep van [appellant] ongegrond verklaard.

Aangevallen uitspraak

3.    De rechtbank heeft het beroep van [appellant] ongegrond verklaard. Zij heeft overwogen dat [appellant] zijn psychische gesteldheid in de aanvraag had moeten vermelden, ook in de situatie dat hij geen gedachten heeft gehad waardoor hij een gevaar kan vormen voor hemzelf, de openbare orde of de veiligheid van anderen. Ook al was op het moment van indiening van de aanvraag de diagnose PTSS nog niet gesteld, [appellant] had al enige maanden last van toenemende psychische klachten waardoor hij ten tijde van het indienen van de aanvraag zijn werk niet meer kon doen. Bij de open gestelde vraag 8, te weten of de aanvrager nog een opmerking of verklaring wil toevoegen, had hij dan ook moeten vermelden dat hij psychisch op dat moment niet in orde was, omdat hij had kunnen weten dat deze informatie relevant is voor de beoordeling van de aanvraag om een wapenverlof, aldus de rechtbank. De rechtbank heeft daarbij betrokken dat [appellant] in de gelegenheid is gesteld om de korpschef na het gesprek nader te informeren over de stand van zaken ten aanzien van zijn psychische gesteldheid, maar dat niet heeft gedaan.

Reeds hierom bestond geringe twijfel aan het verantwoord zijn van het wapenverlof van [appellant], aldus de rechtbank. De minister heeft het belang van de veiligheid in de samenleving in redelijkheid zwaarder kunnen laten wegen dan het door [appellant] gestelde belang bij het toekennen van de aanvraag om een wapenverlof. Het beroep, voor zover dat was gericht tegen de lengte van de termijn sinds [appellant] van de PTSS is hersteld, behoefde daarom volgens de rechtbank geen bespreking meer.

Hoger beroep

4.    [appellant] voert in hoger beroep aan dat hij ten tijde van de indiening van de aanvraag nog niet gediagnostiseerd was met de PTSS. Er was daarom geen diagnose van enige psychische stoornis die hij op het aanvraagformulier had kunnen vermelden. Daarbij komt dat bij vraag 1 en 3 alleen stressvolle omstandigheden of traumatische gebeurtenissen dienen te worden vermeld als die hebben geleid tot vergaande consequenties, zoals suïcidale gedachten of agressief gedrag waardoor [appellant] een gevaar zou zijn geweest voor anderen. In vraag 8 werd voorts slechts verzocht een verklaring of opmerking toe te voegen en niet specifiek of er nog andere omstandigheden zijn waarvan de korpschef op de hoogte had moeten zijn. [appellant] heeft van zijn persoonlijke omstandigheden ook geen geheim gemaakt. In samenspraak met de korpschef is daarom na het nadere gesprek de beslissing op de aanvraag opgeschort. Dat van hem niets is vernomen sinds dat gesprek heeft te maken met een bedrijfsongeval waardoor hij thuis is komen te zitten en hij zich daarnaast toelegde op de behandeling van de PTSS. Niettemin dient de minister de feiten en omstandigheden te wegen zoals die zich voordeden ten tijde van het besluit op het administratief beroep. Op grond daarvan zou wel degelijk vertrouwen in hem moeten bestaan. Zo heeft onder meer een ter zake deskundig psychiater tot twee maal toe verklaard dat aan [appellant] wel degelijk een wapenverlof kan worden toevertrouwd. [appellant] voert aan dat de rechtbank niet op zijn beroepsgrond is ingegaan over de geringe tijd die ten tijde van het nemen van een besluit op zijn administratief beroep zou zijn verstreken en verwijst op dit punt naar de gronden van zijn beroep bij de rechtbank. In beroep bij de rechtbank heeft [appellant] een verklaring van R. Leta van 14 november 2019 overgelegd. Daarin staat dat de omstandigheid dat [appellant] nog maar korte tijd hersteld was, weersproken wordt door enerzijds het feit dat hij tientallen jaren heeft gefunctioneerd zonder noemenswaardige klachten te ontwikkelen, en anderzijds dat hij, nadat hij de PTSS ontwikkelde, intensief is behandeld op een wijze, waarbij structurele verbetering te verwachten vaIt, met andere woorden de kwetsbaarheid blijvend is afgenomen.

4.1.    Vraag 1 op het door [appellant] ingevulde inlichtingenformulier luidde: "Heeft u sinds uw vorige aanvraag of verlenging te maken (gehad) met stressvolle omstandigheden (relatie, werk of schulden), waardoor u gedachten over zelfmoord heeft gehad of agressief gedrag heeft vertoond, waardoor u een gevaar kunt vormen voor uzelf, de openbare orde of de veiligheid van anderen?" Hierna is het vakje "Nee" aangekruist.

Vraag 3 luidde: "Heeft u sinds uw vorige aanvraag of verlenging een traumatische ervaring gehad (bijvoorbeeld slachtoffer van een ernstig misdrijf) waardoor u onder stressvolle omstandigheden sterk emotioneel zou kunnen reageren, en waardoor u een gevaar kunt vormen voor uzelf, de openbare orde of veiligheid?" Hierna is eveneens het vakje "Nee" aangekruist.

Vraag 8 luidde: "Wilt u nog een opmerking of verklaring toevoegen?" Hierop is niets ingevuld.

4.2.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht overwogen dat van [appellant] verwacht mocht worden dat hij informatie over zijn psychische gesteldheid, die erin bestond dat hij ten tijde van de aanvraag thuis was komen te zitten ten gevolge van toenemende psychische klachten, aan de korpschef had verstrekt bij vraag 8 op het inlichtingenformulier. Ondanks dit verzuim was de korpschef door het over de aanvraag gevoerde gesprek met [appellant] bekend met de psychische klachten van [appellant] ten tijde van het indienen van de aanvraag. De beslissing op de aanvraag is om die reden immers aangehouden. Kennelijk had nadere informatie tot een positieve beslissing van de korpschef op de aanvraag kunnen leiden, ondanks het geconstateerde gemis aan informatie op het aanvraagformulier. Toen nadere informatie van [appellant] over de aard van de psychische klachten echter uitbleef, ondanks navraag door de korpschef, mocht het verlof redelijkerwijs worden geweigerd. De korpschef mocht onder die omstandigheden reden zien om te vrezen dat aan [appellant] het onder zich hebben van wapens of munitie niet kon worden toevertrouwd.

Het vorenstaande betekent naar het oordeel van de Afdeling echter niet dat de minister reeds op basis van diezelfde omstandigheden mocht oordelen dat geringe twijfel bestond aan het verantwoord zijn van het wapenverlof van [appellant], zoals de rechtbank heeft geoordeeld. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 29 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2866) brengt artikel 7:25 van de Algemene wet bestuursrecht met zich dat een beroepsorgaan in administratief beroep het besluit van het primaire bestuursorgaan toetst. Die toetsing is in beginsel een volle toetsing op recht- en doelmatigheid, tenzij de aard van de bevoegdheid meebrengt dat daarbij enige terughoudendheid in acht moet worden genomen. Door haar oordeel slechts te baseren op het ontbreken van de informatie op het aanvraagformulier en daaruit de gevolgtrekking maken dat dit twijfel opleverde of het onder zich hebben van wapens of munitie niet aan [appellant] kon worden toevertrouwd, gaat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij dat de minister [appellant] in administratief beroep heeft toegestaan een verklaring van een deskundige over de psychische klachten over te leggen. Bij brief van 11 februari 2019 is een verklaring van psychiater R. Leta van 10 februari 2019 aan de minister overgelegd. In de verklaring concludeert de psychiater dat het aannemelijk is dat [appellant] in de periode 2016-2017 aan een PTSS leed. Na een succesvolle behandeling in 2018 zijn de klacht- en symptoomniveaus zodanig teruggebracht, dat op dat moment geen sprake meer was van een psychiatrische stoornis, zo staat in de verklaring. Een persoonlijkheidsstoornis is volgens de psychiater niet aanwezig. Nu de minister [appellant] in de gelegenheid heeft gesteld een verklaring van een deskundige over te leggen over datgene wat in het aanvraagformulier niet was vermeld, heeft de rechtbank ten onrechte haar oordeel alleen gebaseerd op het feit dat het aanvraagformulier onvoldoende was ingevuld. Nu de rechtbank niet inhoudelijk is ingegaan op de vraag of het oordeel van de minister in zijn besluit over de vraag of de psychische gesteldheid van [appellant] op zichzelf tot weigering van de aanvraag had moeten leiden, kan haar oordeel dat de afwijzing van de aanvraag terecht is gehandhaafd, geen stand houden.

Dit betoog van [appellant] slaagt.

5.    Het vorenstaande leidt echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Hiertoe overweegt de Afdeling als volgt.

5.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2440), is tegen de achtergrond van het grote maatschappelijke veiligheidsbelang reeds geringe twijfel aan het verantwoord zijn van het wapenverlof voldoende reden om dit te weigeren, op voorwaarde dat deze twijfel onderbouwd en objectief toetsbaar is.

In de Circulaire Wapens en Munitie 2018 staat dat indien de aanvrager van mening is dat het voorhanden hebben van wapens en munitie wel aan hem kan worden toevertrouwd, hij dit dient aan te tonen middels een schriftelijke verklaring van een arts/psychiater. Uit deze verklaring moet duidelijk blijken dat de arts/psychiater bekend is met de problemen van betrokkene en dat deze niet (langer) een belemmering vormen om aan betrokkene een vergunning te verlenen voor het voorhanden hebben van (vuur)wapens. Een dergelijke verklaring wordt dan in de beoordeling betrokken, maar daaraan hoeft niet altijd doorslaggevende betekenis te worden toegekend. Dat is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Zo mag van iemand die recent nog onder behandeling was in verband met zijn psychische gesteldheid, worden verwacht dat hij over een langere periode aantoont dat zijn psychische gesteldheid niet meer aan het bezit van wapens en munitie in de weg staat.

5.2.    Tussen partijen is niet in geschil dat [appellant] de behandeling van de PTSS heeft afgerond. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de minister aan zijn besluit ten grondslag mocht leggen dat [appellant] over een langere periode aantoont dat zijn psychische gesteldheid niet meer aan het bezit van wapens en munitie in de weg staat. Ter zitting heeft de minister hierover toegelicht dat hij het van belang acht dat een persoon na afronding van de behandeling kan aantonen dat hij enige tijd psychisch stabiel is gebleven. Naar het oordeel van de Afdeling is het in de Circulaire verwoorde uitgangspunt dat er enige tijd moet zijn verstreken tussen de afronding van de behandeling voor een psychische stoornis en de verlening van een wapenverlof niet onredelijk. De verlening van het wapenverlof moet immers verantwoord zijn. Ter zitting heeft de minister gesteld dat hij wat betreft het begrip ‘enige tijd’ in het algemeen een periode van minimaal zes maanden aanhoudt. Daargelaten of een dergelijke periode in het algemeen aangehouden kan worden, is de Afdeling van oordeel dat de minister in het voorliggende geval de tijd die is verstreken tussen afronding van de behandeling en het eventueel verlenen van het verlof bij het besluit van 18 juni 2019 in ieder geval te kort heeft mogen achten. Zoals in de verklaring van psychiater R. Leta van 10 februari 2019 stond, was de behandeling van de PTSS op dat moment in de laatste fase en zouden de laatste gesprekken in maart 2019 plaatsvinden. Dat [appellant] zeer lange tijd stabiel heeft gefunctioneerd vóórdat hij klachten ontwikkelde, zoals in de verklaring van R. Leta van 14 november 2019 staat, geeft nog niet de zekerheid dat hij dat direct na het beëindigen van de behandeling ook weer zal doen. Overigens blijkt uit de stukken en het ter zitting gestelde dat [appellant] nog een vervolgbehandeling, gericht op de problemen die hij in de interactie met anderen ervaart, was gestart en dat die behandeling pas in mei 2019 is beëindigd.

Het betoog faalt.

5.3.    Gelet op het vorenstaande heeft de minister op 18 juni 2019 in redelijkheid kunnen oordelen dat de psychische gesteldheid van [appellant] aan de afgifte van het wapenverlof in de weg stond. Het vorenstaande betekent dat de rechtbank terecht, zij het op andere gronden, tot het oordeel is gekomen dat het beroep ongegrond moest worden verklaard.

Conclusie

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, met verbetering van de gronden waarop zij rust.

Proceskosten

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. B.P.M. van Ravels en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.E. Konings, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2020

612.

 

BIJLAGE | Relevante wet- en regelgeving

 

Wet wapens en munitie

Artikel 7

1. De in deze wet genoemde erkenningen, consenten, vergunningen, verloven en ontheffingen worden, onverminderd de bijzondere gronden tot weigering daarvan en onverminderd verordening (EU) nr. 258/2012, geweigerd indien:

a. de aanvrager niet de door Onze Minister bij regeling vastgestelde gegevens en bescheiden heeft overgelegd;

b. de aanvrager, of de beheerder bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, in de acht jaren voorafgaand aan de beslissing op de aanvraag bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf als omschreven in de artikelen […] van het Wetboek van Strafrecht, of wegens het plegen van een misdrijf op grond van de Wet wapens en munitie of op grond van de Opiumwet;

c. er reden is om te vrezen dat aan de aanvrager het onder zich hebben van wapens of munitie niet kan worden toevertrouwd;

d. er reden is om te vrezen dat daarvan dan wel van wapens of munitie misbruik zal worden gemaakt; of

e. wanneer daartoe dringende, aan het algemeen belang ontleende, redenen bestaan.

[…]

Artikel 28

1 Verlof tot het voorhanden hebben van een wapen en munitie wordt, uitsluitend voor wapens en munitie behorend tot categorie III, verleend door de korpschef.

2 Een verlof wordt verleend indien:

a. een redelijk belang de verlening van het verlof vordert;

b. de aanvrager geen gevaar voor zichzelf, de openbare orde of veiligheid kan vormen;

c. de aanvrager tenminste de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt, behoudens afwijking voor leden van een schietvereniging.

3 Het belang met het oog waarop het verlof is verleend, wordt in het verlof omschreven.

4 Een verlof heeft een geldigheid van ten hoogste een jaar en kan worden verlengd, indien aan de vereisten voor de verlening daarvan nog wordt voldaan.

5 […].

Circulaire Wapens en Munitie 2018

A. Algemene deel

[…]

1.4.4.1. Verlening en verlenging

Aanvraagformulieren

Voor het aanvragen van een verlof wordt gebruik gemaakt van de daartoe bestemde formulieren zoals die zijn opgenomen in bijlage III bij de RwmM. Het aanvraagformulier is conform artikel 7, eerste lid onder a WWM vastgesteld en opgenomen als bijlage WM 32 in bijlage III van de Rwm.

Juridische status gebruikte formulieren

Het gebruik van het aanvraagformulier en het inlichtingenformulier is verplicht op basis van artikel 7, eerste lid, onderdeel a van de WWM en artikel 48 Rwm. Het niet (volledig) invullen van het aanvraagformulier en het inlichtingenformulier leidt tot een afwijzing van de aanvraag op basis van ditzelfde artikel.

Op grond van art. 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De aanvrager is gehouden, op grond van artikel 4:2 van de Awb de (aanvullende) gegevens en bescheiden te verschaffen die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn.

De informatie van het inlichtingenformulier wordt gebruikt om landelijk te kunnen toetsen of er sprake is van vrees voor misbruik op basis van de in deel B, onderdeel 1, van deze circulaire vastgelegde risicofactoren. Wanneer de aanvrager niet de gegevens verschaft die nodig zijn voor de beoordeling, maar waarover hij wel kan beschikken, kan de aanvraag worden afgewezen. Zie in dit kader artikel 7, eerste lid, van de WWM juncto artikel 4:5, eerste lid, onderdeel c, van de Awb. Wanneer op enig moment blijkt dat een aanvrager het formulier onjuist heeft ingevuld, kan worden besloten tot een intrekking van het verlof of afwijzing van het verzoek op basis van twijfel omtrent de betrouwbaarheid.

[…]

1.4.4.6. Weigering en intrekking

Een verlof wordt geweigerd indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 28, tweede lid, van de WWM (zie onderdeel A 1.4.4.1) of indien er sprake is van één van de weigeringsgronden zoals genoemd in artikel 7, eerste lid, van de WWM. De meest frequent toegepaste weigeringsgronden zijn de onder sub b en c genoemde situaties van ‘het niet kunnen toevertrouwen’ en ‘vrees voor misbruik’ (zie onderdeel B 1 voor de nadere invulling van deze begrippen).

[…]

B. Bijzonder deel

1.1. Algemeen

Artikel 7, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (WWM), stelt dat de in de WWM genoemde vergunningen (erkenningen, consenten, verloven en ontheffingen), onverminderd de bijzondere gronden tot weigering daarvan, worden geweigerd indien (onder meer) er reden is om te vrezen dat aan de aanvrager het onder zich hebben van wapens of munitie niet kan worden toevertrouwd of er reden is om te vrezen dat daarvan dan wel van wapens of munitie misbruik zal worden gemaakt.

[…]

Voor verloven tot het voorhanden hebben van wapens en munitie van categorie III bepaalt artikel 28, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWM, dat een verlof slechts wordt verleend indien de aanvrager geen gevaar voor zichzelf, de openbare orde of veiligheid kan vormen. Omdat het begrip ‘vrees voor misbruik’ reeds een ruime uitleg kent worden die gevallen waarin iemand anderszins een gevaar voor zichzelf, de openbare orde of veiligheid kan vormen, niet in dit hoofdstuk nader uitgewerkt.

‘Vrees voor misbruik’ en ‘het niet langer kunnen toevertrouwen’ zijn twee verschillende omschrijvingen voor in feite dezelfde situatie. Hetgeen hierna wordt opgemerkt met betrekking tot de invulling van het ‘vrees voor misbruik-criterium’ kan daarom analoog worden toegepast indien het de intrekking of weigering van een vergunning betreft om reden dat het voorhanden hebben van wapens of munitie niet (langer) kan worden toevertrouwd.

1.2. Invulling van het ‘vrees voor misbruik’ criterium

Wapens en munitie vormen een potentieel ernstige bedreiging voor de veiligheid in de samenleving indien zij in handen komen van personen die onvoldoende betrouwbaar zijn om wapens en munitie voorhanden te hebben. Derhalve wordt er een restrictief beleid gevoerd waar het de toepassing van het criterium ‘geen vrees voor misbruik’ betreft.

Degene aan wie een vergunning wordt verleend voor het voorhanden hebben van wapens en/of munitie komt in een bijzondere positie te verkeren ten opzichte van zijn medeburgers, voor wie immers het algemene wettelijke verbod geldt om wapens of munitie voorhanden te hebben. Die positie brengt met zich mee dat van de vergunninghouder stipte naleving van de (wapen)wettelijke voorschriften moet kunnen worden verlangd en dat van hem tevens wordt verwacht dat hij zich onthoudt van overtredingen die kunnen worden beschouwd als een (ernstige) aantasting van de rechtsorde.

Het weigeren dan wel intrekken van een verlof is uitdrukkelijk geen strafrechtelijke sanctie, maar is een maatregel ter bescherming van de veiligheid in de samenleving. Tegen de achtergrond van het eerdergenoemde maatschappelijke belang, is daarom reeds geringe twijfel aan het verantwoord zijn van de te maken (of gemaakte) uitzondering - ook naar de vaste jurisprudentie van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State - voldoende reden om een verlof niet te verlenen respectievelijk in te trekken. Het spreekt voor zich dat die twijfel gebaseerd moet zijn op een objectief toetsbare motivering (zie hierna).

Voor de beoordeling van de vraag of in een bepaald geval vrees voor misbruik bestaat worden in dit onderdeel een aantal concrete criteria gegeven. De korpschef zal aan de hand van deze criteria in elk geval afzonderlijk moeten bezien of er sprake is van ‘vrees voor misbruik’.

Bij het onderzoek in verband met de vraag of er vrees voor misbruik bestaat kan gebruik worden gemaakt van informatie afkomstig uit de registers van de justitiële documentatie en van andere, politiële informatie, die afkomstig kan zijn uit verschillende bronnen.

Bij dergelijk onderzoek kan blijken van:

•    a. veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken;

•    b. andere omtrent de aanvrager bekende feiten.

[…]

Ad b. (andere omtrent de aanvrager bekende feiten)

Algemeen

Vrees voor misbruik kan ook worden aangenomen op basis van andere, niet uit veroordelingen of transacties gebleken, omtrent betrokkene bekende feiten.

In zijn algemeenheid geldt dat tegen een aanvrager (houder) bestaande bezwaren, voor zover daarvan niet reeds blijkt uit veroordelingen of opgemaakte processen-verbaal, alsnog in een rapport dienen te worden vastgelegd.

Psychische gesteldheid

In beginsel is het niet verantwoord om aan iemand die - door oorzaken van zowel interne, als externe aard - onder sterke psychische druk staat, wat tot uitdrukking komt in een onvoorspelbaar gedragspatroon of (bijvoorbeeld) alcohol- en drugsmisbruik en waarbij de indruk bestaat dat de vergunninghouder zichzelf niet in de hand heeft, het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie toe te vertrouwen. In het bezit van een vuurwapen zou de vergunninghouder een gevaar zijn voor zichzelf en voor de openbare orde en veiligheid. Indien de aanvrager of vergunninghouder - in tegenstelling tot de korpschef - van mening is dat het voorhanden hebben van wapens en munitie wel aan hem kan worden toevertrouwd dan dient hij dit aan te tonen middels een schriftelijke verklaring van een arts/psychiater. Uit deze verklaring moet duidelijk blijken dat de arts/psychiater bekend is met de problemen van betrokkene en dat deze niet (langer) een belemmering vormen om aan betrokkene een vergunning te verlenen voor het voorhanden hebben van (vuur)wapens. Een dergelijke verklaring wordt dan in de beoordeling betrokken, maar daaraan hoeft niet altijd doorslaggevende betekenis te worden toegekend. Dat is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Zo mag van iemand die recent nog onder behandeling was in verband met zijn psychische gesteldheid, worden verwacht dat hij over een langere periode aantoont dat zijn psychische gesteldheid niet meer aan het bezit van wapens en munitie in de weg staat.

Risicofactoren betreffende de psychische gesteldheid van aanvragers of houders van een wapenverlof met het oog op potentieel misbruik van een (legaal) vuurwapen zijn:

•    Klinische factoren (psychische stoornis, verslaving, gedwongen opname, forensische zorg en suïcidale gedachten);

•    Stressvolle omstandigheden (problemen in relationele sfeer, problemen in de arbeidssfeer of opleiding, gebrekkig sociaal steunsysteem en stressvolle levensomstandigheden);

•    Specifieke kenmerken van de aanvrager (agressie, crimineel gedrag, impulsiviteit en zelfregulatie, zelfstandige handelingsbekwaamheid, fascinatie voor geweld, extreme uitingen en/of uitingen van radicalisering).

Deze risicofactoren worden in het aanvraagproces in ieder geval meegewogen. Daarbij gaat het niet zozeer om de klinische kant van de psychische aandoening, maar veel meer om het risico dat de aandoening inhoudt voor risicovol gedrag.