Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2680

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-11-2020
Datum publicatie
11-11-2020
Zaaknummer
201807320/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 december 2015 heeft de minister van Infrastructuur en Milieu een verzoek van [appellant] om schadevergoeding afgewezen. [appellant] is eigenaar van de in de buurt van de A73-Zuid gelegen woning aan de [locatie] te Venlo. Hij heeft de minister verzocht om schadevergoeding krachtens artikel 22 van de Tracéwet in verband met de aanleg van de A74 en de aanpassingen van de A73-Zuid conform het Tracébesluit Rijksweg A74. Het Tracébesluit is op 16 augustus 2010 bekend gemaakt en heeft de aanleg van de A74 tussen de A73-Zuid en de Duitse grens en de aanpassingen aan de A73 tussen de aansluiting Maasbree tot aan de verdiepte ligging ter hoogte van de Kaldenkerkerweg te Tegelen mogelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201807320/1/A2.

Datum uitspraak: 11 november 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te [woonplaats],

en

de minister van Infrastructuur en Milieu (thans: de minister van Infrastructuur en Waterstaat),

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2015 heeft de minister een verzoek van [appellant] om schadevergoeding afgewezen.

Bij besluit van 30 juni 2016 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Bij besluit van 24 januari 2020 heeft de minister, voor zover thans van belang, het door [appellant] tegen het besluit van 21 december 2015 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en [appellant] een schadevergoeding van € 2.500,00 toegekend.

[appellant] heeft gronden van beroep tegen dat besluit ingediend.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 oktober 2020, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de minister, vertegenwoordigd door mr. R.J.A. Soupart en mr. W.J. Ploeg, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    [appellant] is eigenaar van de in de buurt van de A73-Zuid gelegen woning aan de [locatie] te Venlo (hierna: de woning). Hij heeft de minister verzocht om schadevergoeding krachtens artikel 22 van de Tracéwet in verband met de aanleg van de A74 en de aanpassingen van de A73-Zuid conform het Tracébesluit Rijksweg A74 (hierna: het Tracébesluit). Het Tracébesluit is op 16 augustus 2010 bekend gemaakt en heeft de aanleg van de A74 tussen de A73-Zuid en de Duitse grens en de aanpassingen aan de A73 tussen de aansluiting Maasbree tot aan de verdiepte ligging ter hoogte van de Kaldenkerkerweg te Tegelen mogelijk gemaakt.

2.    [appellant] heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat hij als gevolg van het Tracébesluit schade in de vorm van een vermindering van de waarde van de woning heeft geleden. In dit verband heeft hij gesteld dat de inwerkingtreding van het Tracébesluit heeft geleid tot een toename van geluidoverlast, trillingen, fijnstof en uitlaatgassen, tot een verontreiniging van de woning, tot een aantasting van het uitzicht en tot verblinding door zonlicht als gevolg van de weerkaatsing van zonlicht in de geluidschermen.

Beroep tegen het besluit van 30 juni 2016

3.    Aan het besluit van 30 juni 2016, gelezen in samenhang met het besluit van 21 december 2015, heeft de minister de adviezen van de Schadecommissie Rijkswaterstaat (hierna: schadecommissie) van 24 juli 2015 en 16 december 2015 ten grondslag gelegd. Niet in geschil is dat in deze adviezen geen juiste vergelijking is gemaakt tussen de voor [appellant] relevante mogelijkheden van het Tracébesluit en het daaraan voorafgaande planologische regime en dat de schadetaxatie op ondeugdelijke uitgangspunten berust.

4.    Uit het voorgaande volgt dat het door [appellant] tegen het besluit van 30 juni 2016 ingestelde beroep gegrond is. De Afdeling zal dat besluit  vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

Beroep tegen het besluit van 24 januari 2020

5.    De minister heeft naar aanleiding van het door [appellant] ingestelde beroep advies gevraagd aan de schadecommissie.

In een advies van 7 januari 2020 heeft de schadecommissie vermeld dat zij advies aan ing. P.E. Bakker (hierna: Bakker), rentmeester-taxateur te Almkerk, heeft gevraagd en dat Bakker in een taxatierapport van 19 november 2019 tot de conclusie is gekomen dat de inwerkingtreding van het Tracébesluit ertoe heeft geleid dat de waarde van de woning op de peildatum is gedaald van € 375.000,00 naar € 365.000,00. De schade is € 10.000,00. Bij het toekennen van een tegemoetkoming in die schade wordt een drempel van 2 procent van de waarde van de woning onmiddellijk vóór het ontstaan van de schade toegepast. De drempel is gelijk aan € 7.500,00. De schade is hoger dan de drempel en valt dus niet geheel onder het normale maatschappelijke risico van [appellant]. Voor [appellant] resteert een tegemoetkoming in de geleden schade van € 2.500,00.

De minister heeft het advies van de schadecommissie aan het besluit van 24 januari 2020 ten grondslag gelegd.

6.    Het besluit van 24 januari 2020 is, gelet op artikel 6:19 van de Awb, voorwerp van dit geding.

7.    [appellant] heeft bij brief van 10 februari 2020 gronden van het beroep tegen het besluit van 24 januari 2020 aangevoerd. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat dat besluit is genomen op basis van een ondeugdelijk advies en een ondeugdelijk taxatierapport. Ter toelichting hiervan heeft hij aangevoerd dat niet inzichtelijk is hoe de waardering van de verschillende schadecomponenten heeft plaatsgevonden en hoe de taxateur tot de conclusie is gekomen dat de schade € 10.000,00 is.

[appellant] heeft bij brief van 28 februari 2020 een rapport van een contra-expertise van Dirkx Van Soest Taxaties & Advies (hierna: Dirkx Van Soest) van 21 februari 2020 overgelegd. Volgens dat rapport heeft de inwerkingtreding van het Tracébesluit geleid tot een waardevermindering van de woning op de peildatum van € 331.000,00 naar € 316.000,00. In die brief heeft [appellant] gesteld dat Dirkx Van Soest, anders dan Bakker, aandacht heeft besteed aan de ligging van de woning ten opzichte van het tracé en de toename van de geluidbelasting. Uit het rapport van Dirkx Van Soest volgt dat de schade € 15.000,00 is en dat voor [appellant], na aftrek van de drempel wegens het normale maatschappelijke risico, een tegemoetkoming in de geleden schade van € 8.380,00 resteert.

7.1.    Het bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Indien een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de adviseur een reactie op wat over het advies is aangevoerd.

7.2.    Bij de waardering van onroerende zaken spelen niet alleen de taxatiemethode, maar ook de kennis en ervaring van de deskundige een rol. De bestuursrechter beoordeelt daarom slechts of het bestuursorgaan de taxatie in redelijkheid aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Verder moet de besluitvorming voldoen aan de eisen die het recht aan de zorgvuldigheid en de motivering stelt en moet de rechter toetsen of de besluitvorming aan die eisen voldoet.

7.3.    In het advies van 7 januari 2020 is opnieuw een vergelijking gemaakt tussen de voor [appellant] relevante mogelijkheden van het Tracébesluit en het daaraan voorafgaande planologische regime. Uit deze vergelijking heeft de schadecommissie de conclusie getrokken dat de inwerkingtreding van het Tracébesluit voor [appellant] heeft geleid tot een toename van de geluidbelasting door het verkeer op de A73-Zuid, inclusief de Zuiderbrug, van maximaal 7,23 dB (op een hoogte van 1,5 m op de noordwestelijke gevel van de woning) en tot een toename van trillingen door vrachtverkeer op de Zuiderbrug. Daar staat tegenover dat de planologische verandering voor [appellant] ook heeft geleid tot een verbetering van het uitzicht door lagere geluidschermen en tot een afname van de geluidbelasting door het zogenoemde reflectiegeluid (geluid dat weerkaatst van geluidschermen). Verder is in het advies onder meer het volgende vermeld naar aanleiding van de reactie van [appellant] op het taxatierapport van Bakker.

Bakker heeft benadrukt dat de toename van de geluidbelasting niet extreem is ten opzichte van de uitgangssituatie. De aanwezigheid van de rijksweg zorgde in de oude planologische situatie al voor een minder positieve leefomgeving. De situatie was onder het oude planologische regime al behoorlijk nadelig. Het nieuwe planologische regime heeft een maximale geluidtoename van 7,23 dB op een gevel tot gevolg. Bakker heeft rekening gehouden met de geluidbelasting in de tuin. Hierbij komt ook nog het planologische voordeel dat [appellant] heeft, namelijk een verbetering van het uitzicht en een afname van het reflectiegeluid, door de  plaatsing van geluidschermen met een hoogte van 9 m in plaats van 15 m, zijnde de maximale hoogte onder het oude planologische regime, aldus de schadecommissie.

7.4.    In paragraaf 5 van het taxatierapport van Bakker is vermeld dat bij de taxatie van de waarden van de woning in de oude en nieuwe situatie onder meer rekening is gehouden met de door de schadecommissie omschreven schadefactoren. Dat daarbij niet expliciet naar de toename van de geluidbelasting op de gevel en in de tuin van de woning is verwezen, betekent, mede gelet op de onder 7.3 vermelde toelichting in het advies van de schadecommissie van 7 januari 2020, niet dat Bakker daaraan geen aandacht heeft besteed. Verder was Bakker niet gehouden om voor de door de schadecommissie omschreven schadefactoren afzonderlijk te benoemen welke (positieve of negatieve) invloed zij op de waarde van de woning hebben gehad.

7.5.    Aan het rapport van Dirkx Van Soest van 21 februari 2020 komt niet de betekenis toe die [appellant] daaraan wenst te hechten. Dat tussen Bakker en Dirkx Van Soest een verschil van inzicht bestaat over de waardering van de woning in de oude en nieuwe situatie, betekent niet dat [appellant] aannemelijk heeft gemaakt dat de door Bakker verrichte taxatie onzorgvuldig is geweest of dat een concreet aanknopingspunt bestaat voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van die taxatie.

7.6.    In het betoog is, gelet op het voorgaande, geen grond te vinden voor het oordeel dat de minister het taxatierapport van Bakker niet in redelijkheid aan het besluit van 24 januari 2020 ten grondslag heeft kunnen leggen. Het betoog faalt.

8.    Het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 24 januari 2020 is ongegrond.

Overschrijding redelijke termijn

9.    [appellant] heeft bij brief van 10 juli 2020 een verzoek ingediend om schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

9.1.    Zoals de Afdeling onder meer bij uitspraak van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, heeft overwogen, geldt in niet-punitieve procedures die volgen op primaire besluiten die zijn bekendgemaakt op of na 1 februari 2014 als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer dan twee jaar mogen duren. In het geval van [appellant] is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot verlenging of verkorting van deze termijn.

9.2.    Vanaf de ontvangst door de minister op 30 januari 2016 van het tegen het besluit van 21 december 2015 gerichte bezwaarschrift tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaren en ruim negen maanden verstreken. Dat betekent een overschrijding van de redelijke termijn met twee jaren en ruim negen maanden. Die overschrijding wordt geheel toegerekend aan de minister.

9.3.     De Afdeling zal, uitgaande van een tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, de minister met overeenkomstige toepassing van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb veroordelen tot betaling van een bedrag van € 3.000,00 aan [appellant] als vergoeding voor door hem geleden immateriële schade.

9.4.    Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen.

Proceskosten

10.    De minister wordt op na te melden wijze veroordeeld tot vergoeding van de bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak samenhangt met zaak nr. 201807329/1/A2 en dat het bedrag dat voor de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand wordt vergoed in verband daarmee gelijkelijk over de zaken wordt verdeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep tegen het besluit van de minister van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2016 gegrond;

II.    vernietigt dat besluit;

III.    verklaart het beroep tegen het besluit van de minister van Infrastructuur en Waterstaat van 24 januari 2020 ongegrond;

IV.    veroordeelt de minister van Infrastructuur en Waterstaat om aan [appellant A] en [appellant B] te betalen een vergoeding van € 3.000,00 (zegge: drieduizend euro);

V.    veroordeelt de minister van Infrastructuur en Waterstaat tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 656,25 (zegge: zeshonderdzesenvijftig euro en vijfentwintig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.    gelast dat de minister van Infrastructuur en Waterstaat aan [appellant A] en [appellant B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.

w.g. Van Ravels

lid van de enkelvoudige kamer

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2020

452.