Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2644

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-11-2020
Datum publicatie
04-11-2020
Zaaknummer
201905307/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 februari 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Roermond aan River-State B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een tijdelijk drijvend wakeboardcentrum aan De Weerd (ong.) te Roermond. Op 13 september 2017 heeft River-State B.V. een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het realiseren van een drijvend wakeboardcentrum, bestaande uit een paviljoen met ondergeschikte horeca en detailhandel en een wakeboardbaan met drijflichamen, gelegen in de Noorderplas en een sanitair unit en een wetsuitscontainer, op de oever. De Noorderplas is een onderdeel van de Maasplassen, gelegen in het stroomvoerend rivierbed van de rivier de Maas. [appellant] woont in de directe nabijheid van de Noorderplas, in het buurtschap "De Weerd". Hij vreest dat door de komst van het wakeboardcentrum de vaar- en vluchtroute vanuit De Weerd over de Noorderplas bij hoog water wordt belemmerd en dat daardoor de veiligheid van de bewoners in het gedrang komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201905307/1/R2.

Datum uitspraak: 4 november 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Roermond,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 3 juni 2019 in

zaak nr. 18/2564 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Roermond.

Procesverloop

Bij besluit van 14 februari 2018 heeft het college aan River-State B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een tijdelijk drijvend wakeboardcentrum aan De Weerd (ong.) te Roermond.

Bij besluit van 28 augustus 2018 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 juni 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

River-State B.V. heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 maart 2020, waar [appellant], vergezeld van [persoon], en het college, vertegenwoordigd door mr. C. Tielen, zijn verschenen. Ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek ter zitting geschorst.

Na de zitting heeft het college desgevraagd nadere stukken ingediend.

[appellant] en River-State B.V. hebben nadere stukken ingediend.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht nogmaals ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft gesloten.

=Overwegingen

1.    Op 13 september 2017 heeft River-State B.V. een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het realiseren van een drijvend wakeboardcentrum, bestaande uit een paviljoen met ondergeschikte horeca en detailhandel en een wakeboardbaan met drijflichamen, gelegen in de Noorderplas en een sanitair unit en een wetsuitscontainer, op de oever.

De Noorderplas is een onderdeel van de Maasplassen, gelegen in het stroomvoerend rivierbed van de rivier de Maas.

2.    [appellant] woont in de directe nabijheid van de Noorderplas, in het buurtschap "De Weerd". Hij vreest dat door de komst van het wakeboardcentrum de vaar- en vluchtroute vanuit De Weerd over de Noorderplas bij hoog water wordt belemmerd en dat daardoor de veiligheid van de bewoners in het gedrang komt.

3.    Ten tijde van het besluit van 14 februari 2018 gold het bestemmingsplan "Buitengebied Maas en Maasplassen" (hierna ook: het bestemmingsplan). Het bestemmingsplan kent aan de Noorderplas de bestemming "Water (Wa)" en de dubbelbestemming "Stroomvoerend rivierbed" toe.

4.    Bij het besluit van 14 februari 2018 heeft het college met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en onder c en artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) gelezen in samenhang met artikel 4, elfde lid, van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht de aangevraagde omgevingsvergunning verleend voor een periode van vijf jaar, voor de activiteiten bouwen en gebruik in strijd met het bestemmingsplan.

5.    Op 22 februari 2018 heeft de raad van Roermond de "Beheersverordening Maas en Maasplassen" vastgesteld. Ingevolge artikel 3.2 van deze verordening blijven de planregels en bijbehorende verbeelding van het bestemmingsplan "Buitengebied Maas en Maasplassen" onverkort van toepassing.

6.    Bij het besluit van 28 augustus 2018 heeft college het besluit van 14 februari 2018 gehandhaafd. Het college heeft zich, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie, op het standpunt gesteld dat,  gelet op de ruimtelijke onderbouwing met bijbehorende onderzoeken en de voorschriften in de omgevingsvergunning, het project niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

7.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het college, door te verwijzen naar een door Rijkswaterstaat namens de minister van Infrastructuur en Milieu op 15 september 2017 afgegeven watervergunning en door ter zitting een toelichting te geven op het mondelinge advies van de Veiligheidsregio Limburg-Noord (hierna: de veiligheidsregio), voldoende heeft gemotiveerd dat de door [appellant] genoemde veiligheidsaspecten kenbaar in de beoordeling zijn betrokken, zodat het college de omgevingsvergunning niet op deze grond hoefde te weigeren.

Hoger beroep

8.    In hoger beroep is uitsluitend nog in geschil of het college het door [appellant] genoemde belang, dat ziet op een onbelemmerde vaar- vluchtroute van omwonenden vanuit De Weerd over de Noorderplas ingeval van hoog water, in voldoende mate en voldoende kenbaar bij zijn besluitvorming heeft betrokken.

9.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college het belang, dat ziet op een onbelemmerde vlucht- en vaarroute ingeval van hoog water, onvoldoende kenbaar heeft meegewogen. Hij voert aan dat het standpunt van de veiligheidsregio, dat het wakeboardcentrum geen belemmeringen vormt voor die vluchtroute, niet op schrift is gesteld, zodat een beoordeling van de juistheid van dit standpunt niet mogelijk is. De enkele verwijzing naar de door Rijkswaterstaat, namens de minister van Infrastructuur en Milieu, bij besluit van 15 september 2017 afgegeven watervergunning, is volgens [appellant] een onvoldoende motivering. In geval van hevige regen stijgt de waterstand en blokkeert de wakeboardbaan de jarenlange en door bewoners van De Weerd veelvuldig gebruikte vlucht- en vaarroute, zodat een gevaarlijke situatie ontstaat en omwonenden schade zullen lijden. De omgevingsvergunning is volgens [appellant] verleend zonder dat de risico’s in kaart zijn gebracht. Het college geeft ook niet aan welke vluchtroutes jaarlijks beschikbaar zijn en heeft evenmin een overleg georganiseerd met de veiligheidsregio, terwijl het college dat wel had toegezegd, aldus [appellant].

9.1.     De Afdeling stelt vast dat de bouw en het gebruik van de wakeboardbaan niet in strijd is met het bestemmingsplan. Voor zover [appellant] betwist dat de wakeboardbaan in strijd is met de bestemming "Water (Wa"), overweegt de Afdeling dat ingevolge artikel 7.1, onder b, van de planregels van het bestemmingsplan gronden die op de plankaart zijn aangeduid met "Water (Wa") mede bestemd zijn voor recreatief medegebruik met daarbijbehorende voorzieningen. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het gebruik van de wakeboardbaan als recreatief medegebruik kan worden aangemerkt, omdat dit ondergeschikt is aan het gebruik voor "Water". Ingevolge artikel 7.2.2 van de planregels mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd ten dienste van de in deze bestemming genoemde doeleinden.

    Het paviljoen is echter wel in strijd met het bestemmingsplan. Ingevolge artikel 7.2.1 van de planregels van het bestemmingsplan mogen geen gebouwen worden gebouwd op de op de plankaart voor "Water (Wa)" aangewezen gronden. Daarnaast het is het gebruik van het paviljoen voor horeca en detailhandel in strijd met de planregels.

9.2.    De beslissing om al dan niet met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2º, van de Wabo een omgevingsvergunning te verlenen voor een project dat in strijd is met het bestemmingsplan, is een bevoegdheid van het college. Gelet op de aanhef van artikel 2.12, eerste lid, mag de activiteit niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Het college dient bij de beslissing of het gebruik maakt van zijn bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan de belangen af te wegen, waarbij het beleidsruimte heeft. De bestuursrechter dient zich te beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.

9.3.    In het verslag van de hoorzitting in bezwaar is het volgende vermeld: "[de gemachtigde van het college] geeft aan overleg te hebben gehad met de veiligheidsregio over de veiligheidsmaatregelen bij hoogwater. Deze hebben aangegeven dat het paviljoen geen belemmering is voor de vluchtroute in geval van hoogwater. In het advies van de veiligheidsregio staat dat niet woordelijk vermeld, maar bij de beoordeling van het plan is dit aspect wel degelijk meegenomen." Het college heeft echter het advies van de veiligheidsregio niet overgelegd en evenmin een verslag gemaakt van het overleg met de veiligheidsregio. Ook in beroep bij de rechtbank heeft het college geen schriftelijk stuk overgelegd, waaruit het standpunt van de veiligheidsregio blijkt. Nu het standpunt van de veiligheidsregio niet op schrift is gesteld, kon [appellant] niet nagaan of de stelling van het college, dat de veiligheidsregio heeft geadviseerd dat het wakeboardcentrum geen belemmeringen vormt voor de vaar- en vluchtroute in het geval van hoog water, juist is. Gelet hierop heeft [appellant] zich terecht op het standpunt gesteld dat het standpunt van de veiligheidsregio ten onrechte niet kenbaar was. Daarnaast blijkt uit het besluit van 28 augustus 2018 niet dat het college het belang, dat ziet op een onbelemmerde vaar- en vluchtroute in geval van hoog water, bij de besluitvorming heeft betrokken. De bezwarencommissie heeft in haar advies, dat ten grondslag is gelegd aan het besluit van 28 augustus 2018, in de samenvatting van de bezwaargronden wel de bezwaargrond, die betrekking heeft op een onbelemmerde vaar- en vluchtroute weergegeven, maar is vervolgens niet ingegaan op die bezwaargrond. De adviescommissie heeft voor het overige verwezen naar de watervergunning en de ruimtelijke onderbouwing, maar de watervergunning heeft uitsluitend betrekking op een goede doorstroming van de Maas als zodanig en in de ruimtelijke onderbouwing wordt niet op de belangen van omwonenden ingegaan. Daardoor blijkt uit het besluit van 28 augustus 2018 niet dat het college het belang, dat ziet op een onbelemmerde vaar- en vluchtroute in geval van hoog water, bij de besluitvorming heeft betrokken. Het besluit van 28 augustus 2018 is dan ook onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

10.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep gegrond verklaren en het besluit van 28 augustus 2018 vernietigen wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb.

Rechtsgevolgen in stand laten?

11.    In het hiernavolgende zal de Afdeling bezien of in hetgeen door [appellant] in beroep is aangevoerd, aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het besluit van 28 augustus 2018 in stand te laten.

12.    Ter zitting in hoger beroep heeft de Afdeling het onderzoek geschorst, teneinde het college in de gelegenheid te stellen om het advies van de veiligheidsregio alsnog op schrift te laten stellen.

13.    Bij brief van 15 april 2020 heeft het college een memo van 14 april 2020 van de veiligheidsregio overgelegd. Dit advies komt erop neer dat er genoeg evacuatiemogelijkheden over water zijn ingeval van hoog water voor het buurtschap De Weerd. Daarnaast kan, los van de aanwezigheid van het wakeboardcentrum worden gebruik gemaakt van de in het advies aangegeven vaarroute en oranje gemarkeerde route over (ondergestroomd) land.

14.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college, door het advies van de veiligheidsregio alsnog op schrift te stellen en daarnaar te verwijzen, alsnog het belang dat ziet op een veilige vlucht- en vaarroute, in voldoende mate en voldoende kenbaar betrokken bij de besluitvorming. De Afdeling ziet in het standpunt van [appellant], dat een onbelemmerde evacuatieroute zoals vóór 2018 niet meer mogelijk is, dat de enige te bevaren route dwars door het wakeboardcentrum gaat en dit door tal van belemmeringen grote risico's met zich meebrengt, geen aanleiding voor het oordeel dat het advies van de veiligheidsregio onjuist is. Daarbij is van belang, dat, zoals hiervoor al is overwogen in 9.1, de wakeboardbaan in overeenstemming is met het bestemmingsplan en dus ook met een reguliere omgevingsvergunning zou mogen worden gerealiseerd. Verder is van belang dat het college heeft gereageerd op het standpunt van [appellant] en heeft verwezen naar een nadere memo van de veiligheidsregio van 11 juni 2020. In dat advies heeft de veiligheidsregio te kennen gegeven dat de aanwezigheid van het wakeboardcentrum geen effect heeft op de bevaarbaarheid in het geval van hoogwater en dat de veiligheidsregio de stelling van [appellant], dat varen met een laagwaterstand vanwege de stroomsnelheid te gevaarlijk is, niet onderschrijft. De Afdeling ziet in hetgeen door [appellant] is aangevoerd geen aanleiding om aan de juistheid van de inhoud van dit advies te twijfelen.

15.    Gelet op het voorgaande zal de Afdeling de rechtsgevolgen van het besluit van 28 augustus 2018 geheel in stand laten.

16.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van 3 juni 2019 in zaak nr. 18/2564;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Roermond van 28 augustus 2018, kenmerk 22405-2017;

V.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

VI.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Roermond aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 429,00 (zegge: vierhonderdnegenentwintig euro euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F. Nales, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2020

680.