Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2602

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-11-2020
Datum publicatie
04-11-2020
Zaaknummer
201909164/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 september 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn [appellant] onder bedreiging van een dwangsom gelast het gebruik van de bedrijfswoning op het perceel [locatie 1] te Hoog Soeren voor wonen te beëindigen en beëindigd te houden. [appellant] is eigenaar van de voormalige bedrijfswoning op het perceel. Deze woning hoorde aanvankelijk bij het [hotel] op het perceel [locatie 2]. [appellant] heeft dit hotel zonder de bedrijfswoning in 2006 verkocht. [appellant] is in de bedrijfswoning blijven wonen, met een onderbreking na een eerdere handhavingsprocedure. [appellant] vindt dat er de hele tijd concreet zicht op legalisatie was en zo niet, dat er dan bijzondere omstandigheden zijn die maken dat het college in dit geval van handhaving had moeten afzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201909164/1/R4.

Datum uitspraak: 4 november 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B] (hierna samen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Veenendaal,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 15 november 2019 in zaak nr. 19/1776 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn.

Procesverloop

Bij besluit van 17 september 2018 heeft het college [appellant] onder bedreiging van een dwangsom gelast het gebruik van de bedrijfswoning op het perceel [locatie 1] te Hoog Soeren (hierna: het perceel) voor wonen te beëindigen en beëindigd te houden.

Bij besluit van 19 februari 2019 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 november 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 september 2020, waar het college, vertegenwoordigd door mr. drs. W.M. van de Zedde, is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] is eigenaar van de voormalige bedrijfswoning op het perceel. Deze woning hoorde aanvankelijk bij het [hotel] op het perceel [locatie 2]. [appellant] heeft dit hotel zonder de bedrijfswoning in 2006 verkocht. [appellant] is in de bedrijfswoning blijven wonen, met een onderbreking na een eerdere handhavingsprocedure.

     Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Dorp Hoog Soeren" rust op het perceel de bestemming "Horeca-1". Omdat er door de verkoop van het hotel geen functionele verbinding meer bestaat tussen het hotel en de woning, is bewoning ervan op grond van artikel 6.1 en artikel 1.11 van de planregels niet toegestaan. Het college heeft [appellant] daarom gelast het gebruik van de bedrijfswoning voor wonen te beëindigen en beëindigd te houden.

     [appellant] vindt dat er de hele tijd concreet zicht op legalisatie was en zo niet, dat er dan bijzondere omstandigheden zijn die maken dat het college in dit geval van handhaving had moeten afzien.

Concreet zicht op legalisatie

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college van de oplegging van de last onder dwangsom had moeten afzien, omdat er concreet zicht op legalisatie bestaat. Daarover voert hij aan dat het college en de raad willen meewerken aan de verlening van een legaliserende omgevingsvergunning als dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening mogelijk is. Volgens [appellant] is dat het geval en moet daarom worden aangesloten bij de rechtspraak dat als het bestuursorgaan medewerking wil verlenen aan een vergunning er concreet zicht op legalisatie bestaat, tenzij aannemelijk is dat de vergunning niet verleend kan worden of op voorhand duidelijk is dat die vergunning geen rechtskracht zal verkrijgen.

2.1.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zo onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.2.    Voor concreet zicht op legalisatie van met het bestemmingsplan strijdig gebruik is niet voldoende dat bij het bevoegd gezag bereidheid bestaat om mee te werken aan verlening van een omgevingsvergunning voor dat gebruik. Er moet ten minste al een begin zijn gemaakt met de voor verlening van die vergunning vereiste procedure. De Afdeling verwijst ter vergelijking naar haar uitspraak van 15 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2735, onder 3.1.

    Verder geldt dat voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat in beginsel het enkele feit volstaat dat het college niet bereid is omgevingsvergunning te verlenen voor de afwijking van het bestemmingsplan. Op dit punt verwijst de Afdeling bij wijze van voorbeeld naar haar uitspraak van Afdeling van 16 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2657, ook onder 3.1.

2.3.    De vraag of concreet zicht op legalisatie bestaat, moet worden beantwoord aan de hand van de feiten en omstandigheden zoals die zich ten tijde van de besluitvorming van het college voordeden. Feiten of omstandigheden die zich na de besluitvorming hebben voorgedaan, zijn dus niet van belang voor de beantwoording van die vraag.

    In het besluit van 17 september 2018 heeft het college aangegeven dat het niet bereid is om mee te werken aan de gewenste wijziging van de bestemming die op de bedrijfswoning rust. Gelet hierop en het onder 2.2. weergegeven toetsingskader heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat er geen concreet zicht op legalisatie bestaat.

    De stelling van [appellant] dat het college en de raad willen meewerken aan de verlening van een legaliserende omgevingsvergunning als dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening mogelijk is, maakt dat niet anders, alleen al omdat ten tijde van de besluitvorming geen begin was gemaakt met de daarvoor vereiste procedure, bijvoorbeeld door het terinzageleggen van een ontwerpbesluit waarin het gebruik wordt toegestaan. Vanzelfsprekend wil het college iets wat in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening mogelijk maken, maar deze situatie is dat volgens het college nu juist niet, in ieder geval niet ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar. En dat is zoals gezegd het bepalende moment.

     De verwijzing door [appellant] naar de uitspraak van de Afdeling van 9 maart 2016, ECLI:NLRVS:2016:594, leidt ook niet tot een ander oordeel. Die uitspraak gaat over de situatie dat er ten tijde van de besluitvorming een ontwerpbesluit ter inzage is gelegd waarin het illegale gebruik wordt gelegaliseerd. In deze zaak was van een ontwerpbesluit geen sprake op dat moment. Er bestaat geen aanleiding om desondanks bij die uitspraak aan te sluiten. Ook de latere terinzagelegging van zo’n ontwerpbesluit helpt [appellant] niet, omdat deze dateert van na het besluit op bezwaar van 19 februari 2019.

    Het betoog slaagt niet.

Leegstand en verpaupering van de bedrijfswoning

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college van handhavend optreden had moeten afzien, omdat sprake is van bijzondere omstandigheden. Hij stelt dat de bedrijfswoning niet overeenkomstig de op het perceel rustende bestemming "Horeca-1" kan worden gebruikt, waardoor de bedrijfswoning leeg zal komen te staan. Volgens hem zal dit leiden tot verpaupering van de bedrijfswoning en het perceel waarop deze woning staat.     

3.1.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat wat er met de bedrijfswoning gebeurt na afloop van de handhavingsprocedure, op zichzelf geen bijzondere omstandigheid oplevert om van handhaving af te zien. Hoe het verder gaat met de bedrijfswoning staat los van deze procedure.

     Het betoog slaagt niet.

4.    Waar [appellant] betoogt dat het perceel een gezoneerd industrieterrein is in de zin van de Wet geluidhinder, overweegt de Afdeling dat de bestemming "Horeca-1" de vestiging van inrichtingen die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken als bedoeld in Bijlage 1, onderdeel D van het Besluit omgevingsrecht, niet toestaat.

     Het betoog slaagt niet.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2020

457-963.