Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2576

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-11-2020
Datum publicatie
04-11-2020
Zaaknummer
202000367/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 december 2014 heeft het college van burgemeester en wethouders van Someren geweigerd handhavend op te treden tegen crossactiviteiten die plaatsvinden op het crossterrein in de Herselse bossen in Lierop door de vereniging Motor- en Autoclub Lierop zonder een daartoe vereiste omgevingsvergunning voor de activiteit als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. MAC Lierop organiseert motorcrosswedstrijden op een motorcrossterrein aan het Kerkenhuis 4 in de Herselse bossen te Lierop. [appellant] en anderen wonen in de omgeving van dit perceel en ondervinden overlast van het gebruik van dit terrein als crossbaan. Zij hebben het college bij brief van 12 september 2014 verzocht handhavend op te treden tegen de motorcrossactiviteiten zonder omgevingsvergunning voor de activiteit milieu als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2020-0263
Milieurecht Totaal 2021/7213
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202000367/1/R4.

Datum uitspraak: 4 november 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Lierop,

en

het college van burgemeester en wethouders van Someren,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 december 2014 heeft het college geweigerd handhavend op te treden tegen crossactiviteiten die plaatsvinden op het crossterrein in de Herselse bossen in Lierop door de vereniging Motor- en Autoclub Lierop (hierna: MAC Lierop) zonder een daartoe vereiste omgevingsvergunning voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).

Bij besluit van 10 december 2019 heeft het college het door [appellant] en anderen hiertegen gemaakte bezwaar nogmaals ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

MAC Lierop heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 september 2020, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door mr. A.C.M. Kusters, advocaat te Utrecht, en [gemachtigde], zijn verschenen. Voorts is MAC Lierop, vertegenwoordigd door [gemachtigden], ter zitting gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    MAC Lierop organiseert motorcrosswedstrijden op een motorcrossterrein aan het Kerkenhuis 4 in de Herselse bossen te Lierop. [appellant] en anderen wonen in de omgeving van dit perceel en ondervinden overlast van het gebruik van dit terrein als crossbaan. Zij hebben het college bij brief van 12 september 2014 verzocht handhavend op te treden tegen de motorcrossactiviteiten zonder omgevingsvergunning voor de activiteit milieu als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo.

2.    In de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2442, heeft de Afdeling, kort samengevat, overwogen dat de rechtbank terecht tot de conclusie is gekomen dat geen concreet zicht op legalisatie bestond voor het gebruiken van het perceel zonder de daartoe vereiste omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo. Het college heeft na de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2442, de bezwaren van [appellant] en anderen nogmaals ongegrond verklaard omdat concreet zicht op legalisatie bestaat volgens het college. Daaraan heeft het college, onder meer, ten grondslag gelegd dat MAC Lierop op 9 december 2019 haar aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo heeft aangepast zodat deze uitsluitend ziet op de activiteiten die worden beschermd door het overgangsrecht zoals dat is opgenomen in het bestemmingsplan "Buitengebied Someren". Zo wordt de lus op het voorterrein, die eerder gebruikt werd ten behoeve van Grand Prix's, niet gebruikt bij de trainingsdoeleinden en de nationale wedstrijden. Ook is door MAC Lierop te kennen gegeven dat het gebruik van de motorcrossbaan voor trainingsdoeleinden door niet-leden is uitgesloten, anders dan het kort voor een nationale wedstrijd trainen, waaronder wordt verstaan het gebruik van de motorcrossbaan voor trainingsdoeleinden twee tot drie weken voor een wedstrijdweekend op de toegestane trainingsdagen en -uren. Door de wijziging van deze aanvraag om omgevingsvergunning is naast de omgevingsvergunning voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo niet meer tevens een vergunning voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo nodig, aldus het college. Daarnaast is in het kader van de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan op het perceel een aantal onderzoeken verricht, zoals een stikstofberekening van 17 mei 2019 waaruit volgt dat van een melding- of vergunningplicht geen sprake is, een luchtkwaliteitsonderzoek van 28 mei 2019 waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de grenswaarden wat betreft luchtkwaliteit en een mer-aanmeldnotitie waaruit volgt dat er geen gevolgen zijn voor het milieu en dat geen significante bijdrage wordt geleverd aan de stikstofdepositie op de omliggende Natura-2000 gebieden.

3.    [appellant] en anderen ondervinden overlast van het gebruik dat MAC Lierop maakt van het perceel. Zij zijn het niet eens met de stelling van het college dat sprake zou zijn van concreet zicht op legalisatie van de door hen gestelde overtreding.

Beroep

4.    Tussen partijen is niet in geschil dat MAC Lierop in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo zonder omgevingsvergunning gebruik maakt van het perceel en dat het college in zoverre bevoegd is handhavend op te treden.

    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

5.    [appellant] en anderen voeren aan dat op 9 december 2019 de aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo is gewijzigd en dat op 10 december 2019 een nieuw besluit op bezwaar over hun handhavingsverzoek is genomen. Volgens [appellant] en anderen is deze termijn te kort om te kunnen beoordelen of de wijziging van de aanvraag om omgevingsvergunning concreet zicht op legalisatie oplevert. Verder wordt het gebruik volgens [appellant] en anderen niet meer beschermd door het overgangsrecht. Voor zover het gebruik nog wordt beschermd geldt dit uitsluitend voor eendaagse evenementen, aldus [appellant] en anderen.

    Tevens betogen [appellant] en anderen dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat omdat het college wil wachten met vergunningverlening totdat het bestemmingsplan is herzien. In afwachting van deze herziening is slechts een gedoogbeschikking genomen. Volgens [appellant] en anderen kan daarmee niet worden volstaan en ligt er nog geen ontwerp-besluit van een bestemmingsplan ter inzage.

5.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 1 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1542, kan van concreet zicht op legalisatie  in het geval van een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu alleen sprake zijn als ten tijde van het besluit een ontvankelijke aanvraag ter legalisatie van de illegale activiteit is ingediend. Zoals de Afdeling voorts eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 juli 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ1123) is voor concreet zicht op legalisatie niet vereist dat reeds volledig inzicht bestaat in de van de aangevraagde inrichting te duchten milieugevolgen en de ter beperking van deze gevolgen aan een eventueel te verlenen vergunning te verbinden voorschriften. Vereist is in de regel dat een vergunningaanvraag strekkende tot legalisatie van de illegale situatie is ingediend die volgens het bevoegd gezag voldoende gegevens bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de inrichting voor het milieu en dat het bevoegd gezag geen beletselen ziet voor verlening van de gevraagde vergunning.

5.2.    In dit geval heeft MAC Lierop haar aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit milieu gewijzigd in die zin dat alleen het gebruik dat wordt beschermd door het overgangsrecht onderdeel uitmaakt van de aanvraag. In zoverre is geen omgevingsvergunning voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo meer vereist.

    Zoals de Afdeling bij uitspraak van heden in zaak nr. 201907555/1/R4, ECLI:NL:RVS:2020:2575, heeft overwogen wordt het in deze procedure aangevraagde gebruik dat MAC Lierop maakt van het perceel beschermd door het overgangsrecht. In zoverre bestaat geen reden voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van concreet zicht op legalisatie.

5.3.    De enkele omstandigheid dat het college binnen één dag na de wijziging van de aanvraag om omgevingsvergunning heeft beoordeeld of deze wijziging van de aanvraag concreet zicht op legalisatie oplevert, maakt niet dat het besluit van 10 december 2019 reeds daarom voor vernietiging in aanmerking komt. Uit deze termijn alleen blijkt immers niet of het bevoegd gezag voldoende gegevens heeft voor een goede beoordeling van de gevolgen van de inrichting voor het milieu. Daarnaast zijn de onderzoeken die ten grondslag liggen aan deze wijziging van de aanvraag reeds ruim voor deze datum opgesteld en is het college al geruime tijd aan het onderzoeken of en op welke wijze er medewerking kan worden verleend aan de gevraagde activiteiten. De Afdeling ziet verder in het door [appellant] en anderen aangevoerde geen grond voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat concreet zicht op legalisatie bestaat. Voor zover [appellant] en anderen aanvoeren dat een m.e.r.-beoordeling ontbreekt wijst de Afdeling er op dat een m.e.r.-aanmeldnotitie is overgelegd door MAC Lierop en in zoverre geen grond bestaat voor het oordeel dat de aanvraag om milieuvergunning onvoldoende gegevens bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de aanvraag.

    Het betoog faalt.

Nadere toestemmingen

6.    [appellant] en anderen betogen verder dat sinds de uitspraken van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603 en ECLI:NL:RVS:2019:1604, opnieuw moet worden bezien of al dan niet een vergunning nodig is vanwege de uitstoot van stikstof op een gebied.

    Daarnaast betogen [appellant] en anderen dat niet is uitgesloten dat een ontheffing van verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming (hierna: de Wnb) nodig is om de crossactiviteiten mogelijk te maken. Als de toestemming is vereist, is gelet op artikel 2.2aa van het Besluit omgevingsrecht tevens een vergunning nodig als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo.

6.1.    Uit de jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 25 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1371) volgt dat de individuele belangen van burgers die in of in de onmiddellijke nabijheid van een Natura 2000-gebied wonen bij behoud van een goede kwaliteit van hun directe leefomgeving, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen.

    Het Natura 2000-gebied Strabrechtse Heide & Beuven, is gelegen op meer dan een kilometer van de woningen van [appellant] en anderen en er is een snelweg tussen het Natura 2000-gebied en de woningen van [appellant] en anderen gelegen. Gelet op deze afstand en de tussengelegen snelweg maakt dit Natura 2000-gebied naar het oordeel van de Afdeling geen deel uit van de directe leefomgeving van [appellant] en anderen. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat er geen duidelijke verwevenheid bestaat tussen de individuele belangen van [appellant] en anderen bij het behoud van een goede kwaliteit van hun directe leefomgeving en het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen. Dit betekent dat zij zich, gelet op artikel 8:69a van de Awb, niet op schending van de normen in de Wnb kunnen beroepen. Nu het relativiteitsvereiste in de weg staat aan een vernietiging van het bestreden besluit op basis van deze beroepsgrond, ziet de Afdeling af van een inhoudelijke bespreking daarvan.

Slot en conclusie

7.    Het beroep is ongegrond.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. B.J. Schueler en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2020

700.