Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2467

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-10-2020
Datum publicatie
21-10-2020
Zaaknummer
201902327/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 juni 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht de aanvraag van [appellant] om vergoeding van de kosten voor eigen vervoer van zijn [zoon] naar het Cornelius Haga Lyceum in Amsterdam afgewezen. [zoon] is de zoon van [appellant]. In het schooljaar 2018/2019 ging hij van de basisschool naar het voortgezet onderwijs. Op 11 mei 2018 heeft [appellant] een aanvraag ingediend voor vergoeding van de kosten die hij gaat maken om zijn zoon met de auto van de woning in Utrecht naar het Cornelius Haga Lyceum in Amsterdam te brengen. [zoon] lijdt aan een spierziekte en is niet in staat om zelfstandig naar zijn nieuwe middelbare school te gaan. [appellant] heeft als dichtstbijzijnde, toegankelijke school voor zijn zoon het Cornelius Haga Lyceum in Amsterdam aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Onderwijs Totaal 2020/1129
ABkort 2020/463
Gst. 2021/16 met annotatie van P.W.A. Huisman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201902327/1/A2.

Datum uitspraak: 21 oktober 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Utrecht,

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 30 januari 2019 in zaak nr. 18/3960 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2018 heeft het college de aanvraag van [appellant] om vergoeding van de kosten voor eigen vervoer van zijn [zoon] naar het Cornelius Haga Lyceum in Amsterdam afgewezen.

Bij besluit van 20 september 2018 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 30 januari 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juni 2020.

Overwegingen

Wettelijk kader

1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt onderdeel uit van deze uitspraak.

Aanleiding

2.    [zoon] is de zoon van [appellant]. In het schooljaar 2018/2019 ging hij van de basisschool naar het voortgezet onderwijs. Op 11 mei 2018 heeft [appellant] een aanvraag ingediend voor vergoeding van de kosten die hij gaat maken om zijn zoon met de auto van de woning in Utrecht naar het Cornelius Haga Lyceum in Amsterdam te brengen. [zoon] lijdt aan een spierziekte en is niet in staat om zelfstandig naar zijn nieuwe middelbare school te gaan. [appellant] heeft als dichtstbijzijnde, toegankelijke school voor zijn zoon het Cornelius Haga Lyceum in Amsterdam aangemerkt.

Besluitvorming

3.    Het college heeft op 18 mei 2018 Treve Advies verzocht om een medisch advies over [zoon] op te stellen ten behoeve van de afhandeling van de aanvraag leerlingenvervoer. Op 6 juni 2018 heeft een arts van dit bureau een medisch advies uitgebracht, waarin in essentie wordt geconcludeerd dat leerlingenvervoer voor [zoon] is aangewezen omdat hij niet zelfstandig te voet, per fiets of met het openbaar vervoer naar de opgegeven school kan reizen.

4.    Aan het besluit van 26 juni 2018, aangevuld bij het besluit van 20 september 2018, heeft het college - samengevat weergegeven - ten grondslag gelegd dat weliswaar voldoende is aangetoond dat [zoon] een handicap heeft en niet zelfstandig met het openbaar vervoer kan reizen, maar dat het vervoer niet is aangevraagd voor de dichtstbijzijnde, toegankelijke school. [appellant] heeft aangegeven dat hij kiest voor deze school, omdat deze een islamitische grondslag heeft. Het maken van een uitzondering op de hoofdregel dat een vervoersvoorziening wordt toegekend over de afstand tussen de woning en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school is volgens het college mogelijk wanneer de ouders schriftelijk verklaren dat zij overwegende bezwaren hebben tegen de dichterbij gelegen scholen met openbaar onderwijs of tegen de richting van het onderwijs van de bijzondere scholen. Een dergelijke schriftelijke verklaring heeft het college, afgezien van het bezwaarschrift, niet ontvangen. Uit het leerlingvolgsysteem blijkt verder dat [zoon] nooit eerder op een islamitische school heeft gezeten, maar op een christelijke basisschool. De bezwaren tegen een andere geloofsrichting wegen blijkbaar niet zo zwaar dat destijds al de keuze is gemaakt voor een school met een islamitische richting. Ook de broertjes en zusjes van [zoon] gaan niet naar islamitisch onderwijs. Het college stelt zich derhalve op het standpunt dat [appellant] geen overwegende bezwaren heeft tegen een school van een andere godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan een islamitische richting. Het Cornelius Haga Lyceum is daarmee niet de dichtstbijzijnde, toegankelijke school. Voorts wijst het college erop dat [appellant] niet verplicht is om zijn zoon op een andere school onderwijs te laten volgen, maar dat de (meer)kosten voor het vervoer naar een andere school dan voor zijn rekening komen. Het college heeft voorts bij gebrek aan bijzondere omstandigheden geen aanleiding gezien voor het toepassen van de hardheidsclausule.

Hoger beroep

5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening voor zijn zoon. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft hij wel degelijk overwegende bezwaren tegen het plaatsen van zijn zoon op een niet-islamitische middelbare school. Dat hij geen problemen heeft met niet-islamitisch onderwijs, betekent niet dat hij geen overwegende bezwaren heeft tegen het plaatsen van zijn zoon op een niet-islamitische school. Het is niet van belang dat zijn kinderen op een niet-islamitische basisschool onderwijs hebben gevolgd, want basisonderwijs is niet hetzelfde als voortgezet onderwijs.

5.1.    Artikel 4, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs (hierna: Wvo) vereist dat een regeling als bedoeld in het eerste lid van die bepaling over de vergoeding van leerlingenvervoer de op godsdienst of levensbeschouwing van de ouders berustende keuze van een school eerbiedigt. Dat ouders op grond van godsdienst of levensbeschouwing een bepaalde school kiezen, hoeft niet te betekenen dat zij overwegende bezwaren hebben tegen een openbare school of een bijzondere school van een andere richting. Artikel 3, tweede lid, van de Verordening leerlingenvervoer gemeente Utrecht 2015 stelt voor het kunnen maken van aanspraak op een vervoersvoorziening daarom ten onrechte de eis dat ouders schriftelijk verklaren dat zij overwegende bezwaren hebben tegen het openbaar onderwijs dan wel tegen de richting van het onderwijs van alle bijzondere scholen, van de soort waarop de leerling is aangewezen, die dichterbij de woning zijn gelegen. Daarmee is artikel 3, tweede lid, van de Verordening in strijd met artikel 4, derde lid, van de Wvo. Het college had bij zijn besluit op de aanvraag van [appellant] om vergoeding van de kosten van leerlingenvervoer deze bepaling dan ook buiten toepassing moeten laten.

    Door aan [appellant] op grond van die bepaling de voorwaarde te stellen dat hij in een schriftelijke verklaring de dichterbij gelegen scholen van andere (geloofs)richtingen afwijst voordat hij een kostenvergoeding krijgt om zijn zoon naar de door hem gekozen verder weg gelegen islamitische school te kunnen brengen, heeft het college de op godsdienst berustende schoolkeuze van [appellant] ten onrechte niet geëerbiedigd. Nu [appellant] - die als liberale moslim in zijn algemeenheid geen overwegende bezwaren heeft tegen een openbare school of een bijzondere school van een andere richting - ervoor kiest zijn zoon islamitisch voortgezet onderwijs te laten volgen, kan hij aanspraak maken op een vervoersvoorziening van en naar de door hem voor zijn zoon gekozen school.

    Het betoog slaagt.

Slotsom

6.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 20 september 2018 van het college alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 4, derde lid, van de Wvo voor vernietiging in aanmerking. Dit betekent dat het college een nieuw besluit op het door [appellant] tegen het besluit van 26 juni 2018 gemaakte bezwaar dient te nemen.

7.    Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

8.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 30 januari 2019 in zaak nr. 18/3960;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht van 20 september 2018, kenmerk 5513582;

V.    bepaalt dat tegen het door het college van burgemeester en wethouders van Utrecht te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Utrecht tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.050,00 (zegge: duizendvijftig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Utrecht aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 429,00 (zegge: vierhonderdnegenentwintig euro) voor de behandeling van het beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2020

705.

 

BIJLAGE - Wettelijk kader

 

Wet op het voortgezet onderwijs

Artikel 4

1. Ten behoeve van het schoolbezoek verstrekken burgemeester en wethouders aan ouders, voogden of verzorgers van in de gemeente verblijvende leerlingen die wegens hun lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, dan wel vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kunnen maken, op aanvraag vergoeding van de door burgemeester en wethouders noodzakelijk te achten vervoerskosten. Indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, wordt de vergoeding op aanvraag verstrekt aan de leerling. De gemeenteraad stelt daartoe een nadere regeling vast, met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden.

[…]

3. De regeling eerbiedigt de op godsdienst of levensbeschouwing van de ouders, voogden of verzorgers, dan wel, indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, van de leerling berustende keuze van een school.

[…]

5. De regeling bepaalt dat de kosten worden vergoed van vervoer over de afstand tussen de woning van de leerling en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, met inachtneming van de keuze van de ouders, voogden of verzorgers, dan wel, indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, van de leerling, tenzij vervoer met betrekking tot een verder weg gelegen school voor de gemeente minder kosten met zich zou brengen en de ouders, voogden of verzorgers onderscheidenlijk de leerling met het vervoer naar die school instemmen.

[…].

Verordening leerlingenvervoer gemeente Utrecht 2015

Artikel 1

In deze verordening wordt verstaan onder

[…]

- toegankelijke school: school waarop de leerling is aangewezen van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school, dan wel taalschool Het Mozaïek;

Artikel 3

1. Een vervoersvoorziening wordt toegekend over de afstand tussen de woning dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen en de ouders met het vervoer naar die school op verzoek van het college vooraf schriftelijk instemmen;

2. Indien ouders een vervoersvoorziening aanvragen voor het bezoeken van een school, die op grotere afstand van de woning is gelegen dan een andere school van dezelfde onderwijssoort, terwijl een of meer scholen van dezelfde onderwijssoort dichterbij de woning zijn gelegen, ontstaat slechts aanspraak op een vervoersvoorziening naar eerstgenoemde school als door de ouders schriftelijk wordt verklaard dat zij overwegende bezwaren hebben tegen het openbaar onderwijs dan wel tegen de richting van het onderwijs van alle bijzondere scholen, van de soort waarop de leerling is aangewezen, die dichterbij de woning zijn gelegen.

[…].