Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2314

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
30-09-2020
Zaaknummer
202002685/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij brief van 10 december 2018 heeft [appellant] het team Handhaving Publiek Domein van de gemeente Súdwest-Fryslân verzocht om handhavend op te treden tegen een verkeerd geparkeerde auto. Bij brief van 24 januari 2019 heeft het college [appellant] medegedeeld dat zijn verzoek niet in behandeling kan worden genomen. Het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen de brief van 24 januari 2019 is door het college bij besluit van 28 februari 2019 niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van 24 januari 2019 niet kan worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Het beroep van [appellant] tegen het besluit van 28 februari 2019 is door de rechtbank Noord-Nederland bij uitspraak van 12 juni 2019 ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2020/2910
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202002685/1/A2.

Datum uitspraak: 30 september 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Sneek, gemeente Súdwest-Fryslân,

en

het college van burgemeester en wethouders van Súdwest-Fryslân, verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 10 december 2018 heeft [appellant] het team Handhaving Publiek Domein van de gemeente Súdwest-Fryslân verzocht om handhavend op te treden tegen een verkeerd geparkeerde auto.

Bij brief van 24 januari 2019 heeft het college [appellant] medegedeeld dat zijn verzoek niet in behandeling kan worden genomen.

Bij besluit van 28 februari 2019 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 12 juni 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:191, heeft de Afdeling het door [appellant] tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 12 juni 2019 in zaak nr. 19/782 ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, die uitspraak vernietigd, het door [appellant] tegen het besluit van 28 februari 2019 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat tegen het door het college te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 24 maart 2020 heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 24 januari 2019 gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het verzoek van [appellant] van 10 december 2018 alsnog in behandeling genomen en besloten om dit verzoek af te wijzen.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

Geen van de partijen heeft desgevraagd verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in samenhang met artikel 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1.    De relevante regelgeving is opgenomen in een bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

2.    Bij brief van 10 december 2018 heeft [appellant] het team Handhaving Publiek Domein verzocht om handhavend op te treden tegen een verkeerd geparkeerde auto. Bij brief van 24 januari 2019 heeft het college [appellant] medegedeeld dat zijn verzoek niet in behandeling kan worden genomen. Het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen de brief van 24 januari 2019 is door het college bij besluit van 28 februari 2019 niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van 24 januari 2019 niet kan worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Het beroep van [appellant] tegen het besluit van 28 februari 2019 is door de rechtbank Noord-Nederland bij uitspraak van 12 juni 2019 ongegrond verklaard.

De uitspraak van de Afdeling

3.    In de uitspraak van 22 januari 2020 heeft de Afdeling geoordeeld dat de rechtbank ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat het college in het geheel geen bevoegdheid toekomt waarop inwilliging van het verzoek tot handhaving van [appellant] van 10 december 2018 zou kunnen worden gebaseerd. De brief van 24 januari 2019 moet daarom worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Nu het college het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar bij besluit van 28 februari 2019 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, komt dit besluit voor vernietiging in aanmerking, aldus de Afdeling.

    In de uitspraak heeft de Afdeling bepaald dat tegen het nieuw te nemen besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

Het nieuw genomen besluit

4.    Bij besluit van 24 maart 2020 heeft het college opnieuw beslist op het door [appellant] tegen de brief van 24 januari 2019 gemaakte bezwaar. Het college heeft het bezwaar gegrond verklaard, het verzoek van [appellant] van 10 december 2018 alsnog in behandeling genomen en besloten om dit verzoek af te wijzen. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat geen sprake is van een overtreding. Daarbij heeft het college betrokken dat de desbetreffende locatie een eenrichtingsweg betreft met een flauwe bocht. Volgens het college is er geen andere bestrating aangebracht, zoals de afwijkende bestrating in de rest van de weg, en kan deze bestrating niet worden aangemerkt als parkeervakken. Bovendien kan de flauwe bocht niet worden aangemerkt als een kruispunt, aldus het college.

Beroep

5.    In beroep betoogt [appellant] dat het college niet heeft onderkend dat wel sprake is van een overtreding. Daartoe wijst hij erop dat volgens het college de bestrating op de desbetreffende locatie niet kan worden aangemerkt als parkeervakken. Volgens [appellant] betekent verkeersbord E9 dat door vergunninghouders uitsluitend in op de voor parkeren bestemde weggedeelten mag worden geparkeerd en mag in een gebied dat is bestemd voor het parkeren door vergunninghouders dan ook niet buiten parkeervakken worden geparkeerd. Verder betoogt [appellant] dat het college ten onrechte niet de bevindingen van het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) bij zijn besluitvorming heeft betrokken dan wel heeft verzuimd de politie om informatie te vragen. Het OM heeft hem op 30 januari 2018 laten weten dat er bij parkeren in de bocht sprake kan zijn van gevaar en hinder, aldus [appellant].

Beoordeling beroep

6.    Bij brief van 30 januari 2018 heeft het OM [appellant] laten weten dat de op de door hem aangeduide plek geparkeerde auto's gevaar of hinder kunnen opleveren en dat de situatie aan de orde zal komen in het reguliere overleg met de gemeente als wegbeheerder. In geval van handhavend optreden zal eerst worden volstaan met een waarschuwing, aldus het OM. Het college heeft toegelicht dat uit navraag bij de coördinatoren Verkeer van de politie en de afdeling Verkeer en vervoer van de gemeente is gebleken dat zij geen aanleiding zien maatregelen te treffen op de desbetreffende locatie. Verder wijst het college erop dat gelet op artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 en artikel 24 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: het RVV 1990) niet het college, maar het OM het bevoegde orgaan is om te handhaven. Het team van buitengewoon opsporingsambtenaren oefent zijn bevoegdheid zelfstandig uit onder verantwoordelijkheid van het OM, aldus het college. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat het college zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de bevindingen van het OM en de politie.

    Niet in geschil is dat op de locatie waar het verzoek van 10 december 2018 over gaat geen parkeervakken in de bestrating zijn aangebracht. Ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder g, van het RVV 1990 mag de bestuurder zijn voertuig niet parkeren op een parkeerplaats voor vergunninghouders, aangeduid door verkeersbord E9 van bijlage 1, indien voor zijn voertuig geen vergunning tot parkeren op die plaats is verleend. In het artikel 24, vierde lid, van het RVV 1990 is bepaald dat indien een parkeergelegenheid, aangeduid met een van de verkeersborden E4 tot en met E10, E12 of E13 van bijlage 1, is voorzien van parkeervakken, slechts in die vakken mag worden geparkeerd. Anders dan [appellant] betoogt, bestaat gelet op het bepaalde in artikel 24, vierde lid, van het RVV 1990 slechts de verplichting tot het parkeren in parkeervakken op een parkeerplaats voor vergunninghouders, aangeduid met verkeersbord E9, indien deze parkeergelegenheid is voorzien van parkeervakken. Dat op de desbetreffende locatie geen parkeervakken zijn aangebracht, betekent dan ook niet dat het parkeren van een auto op die plek een overtreding inhoudt. Bovendien is van belang dat het college erop heeft gewezen dat de eigenaren van de auto waar het verzoek van 10 december 2018 op ziet in het bezit zijn van een geldige parkeervergunning binnen dit vergunninghoudersgebied. Derhalve heeft het college terecht geen aanleiding gezien om handhavend op te treden.

7.    Gelet op het voorgaande geeft hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor vernietiging van het besluit van 24 maart 2020.

Conclusie

8.    Het beroep van [appellant] tegen het besluit van 24 maart 2020 is ongegrond.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Nieuwenhuizen, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2020

633.

 

BIJLAGE

 

Wegenverkeerswet 1994

Artikel 170

1. Tot de bevoegdheid van burgemeester en wethouders tot oplegging van een last onder bestuursdwang als bedoeld in artikel 125 van de Gemeentewet, behoort de bevoegdheid tot het overbrengen en in bewaring stellen van een op een weg staand voertuig, indien met het voertuig een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift wordt overtreden en bovendien verwijdering van het voertuig noodzakelijk is in verband met a. het belang van de veiligheid op de weg, of

b. het belang van de vrijheid van het verkeer, of

c. het vrijhouden van aangewezen weggedeelten en wegen.

[…]

Artikel 173

1. Bij algemene maatregel van bestuur worden:

a. de soorten van de in artikel 170, eerste lid, onderdeel c, bedoelde weggedeelten en wegen aangewezen;

[…]

Besluit wegslepen voertuigen

Artikel 2

De soorten van weggedeelten en wegen, bedoeld in artikel 173, eerste lid, onderdeel a, van de wet, zijn:

[…]

h. parkeergelegenheden voor vergunninghouders, aangeduid door bord E9 van bijlage 1 bij het RVV 1990;

[…]

RVV 1990

Artikel 24

1. De bestuurder mag zijn voertuig niet parkeren:

[…]

g. op een parkeerplaats voor vergunninghouders, aangeduid door verkeersbord E9 van bijlage I, indien voor zijn voertuig geen vergunning tot parkeren op die plaats is verleend.

[…]

4. Indien een parkeergelegenheid, aangeduid met een van de verkeersborden E4 tot en met E10, E12 of E13 van bijlage 1, is voorzien van parkeervakken, mag slechts in die vakken worden geparkeerd.