Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2313

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
30-09-2020
Zaaknummer
201908170/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 september 2019 heeft de raad van de gemeente Amsterdam het bestemmingsplan "Drijvende bouwwerken" vastgesteld. Het parapluplan is opgesteld naar aanleiding van de inwerkingtreding van de Wet verduidelijking voorschriften woonboten per 1 januari 2018, waarmee onder andere artikel 8.2a aan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is toegevoegd. Met deze wet is een overgangsregeling in de Wabo opgenomen voor bestaande woonboten die als bouwwerk moeten worden aangemerkt. In de meeste geldende bestemmingsplannen in Amsterdam zijn geen bouwregels opgenomen voor drijvende bouwwerken, omdat woonboten voorheen niet werden aangemerkt als bouwwerken. Met dit parapluplan worden 65 bestemmingsplannen in één keer aangevuld dan wel aangepast met bouwregels. Beoogd wordt een actueel juridisch toetsingskader te bieden voor aanvragen om omgevingsvergunningen voor drijvende bouwwerken.Daarnaast wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan eigenaren en bewoners van drijvende bouwwerken binnen de gemeente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JG 2020/39 met annotatie van Vos, W.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201908170/1/R1.

Datum uitspraak: 30 september 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te Amsterdam, en anderen,

2.    [appellant sub 2], wonend te Amsterdam, en anderen,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Amsterdam,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 september 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "Drijvende bouwwerken" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 augustus 2020, waar [appellant sub 1] en anderen, van wie [appellant sub 1], en [appellant sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door mr. P.A. Willemsen, advocaat te Gorinchem, en de raad, vertegenwoordigd door mr. S.L. Mercker en mr. J.E. Kenter, zijn verschenen.

Overwegingen

Bijlage

1.    De (wettelijke) bepalingen en relevante planregels die ten grondslag liggen aan de hierna volgende rechtsoverwegingen, zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

Inleiding

2.    Het parapluplan is opgesteld naar aanleiding van de inwerkingtreding van de Wet verduidelijking voorschriften woonboten per 1 januari 2018, waarmee onder andere artikel 8.2a aan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is toegevoegd. Met deze wet is een overgangsregeling in de Wabo opgenomen voor bestaande woonboten die als bouwwerk moeten worden aangemerkt. In de meeste geldende bestemmingsplannen in Amsterdam zijn geen bouwregels opgenomen voor drijvende bouwwerken, omdat woonboten voorheen niet werden aangemerkt als bouwwerken. Met dit parapluplan worden 65 bestemmingsplannen in één keer aangevuld dan wel aangepast met bouwregels. Beoogd wordt een actueel juridisch toetsingskader te bieden voor aanvragen om omgevingsvergunningen voor drijvende bouwwerken. Daarnaast wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan eigenaren en bewoners van drijvende bouwwerken binnen de gemeentegrenzen van Amsterdam.

Toetsingskader

3.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep van [appellant sub 1] en anderen

4.    Het beroep van [appellant sub 1] en anderen is gericht tegen artikel 5, lid 5.1.4, van de planregels en meer specifiek tegen wat is bepaald onder c van dit artikellid. [appellant sub 1] en anderen stellen dat de planregel die bepaalt dat het aantal ligplaatsen niet kan toenemen vanwege evenementen die tijdelijke verplaatsing noodzakelijk maken, overbodig is. Hiertoe voeren zij aan dat verplaatsing van een woonboot losstaat van de bestemming van een ligplaats. Anders dan de raad stelt, kunnen ligplaatsen van woonboten die tijdelijk zijn verplaatst niet worden ingenomen door nieuwe drijvende bouwwerken of historisch varende schepen, omdat voor de inname van de ligplaats een omgevingsvergunning of ligplaatsvergunning van de gemeente nodig is. Het verkrijgen van een dergelijke vergunning is volgens [appellant sub 1] en anderen juridisch en in de praktijk niet mogelijk. Ook kan het aantal ligplaatsen, anders dan de raad stelt, feitelijk niet toenemen, tenzij een ligplaats na vertrek van een woonboot opnieuw en definitief ingenomen zou kunnen worden. Dit is volgens [appellant sub 1] en anderen echter een handhavingskwestie die hier niet aan de orde is. Verder voeren zij aan dat artikel 5, lid 5.1.4, aanhef en onder c, van de planregels leidt tot rechtsongelijkheid. Volgens hen wordt een woonboot van rechtswege gelijkgesteld met een bouwwerk. Een bouwwerk op de wal wordt niet afgebroken of gesloopt om er een evenement plaats te kunnen laten vinden. Dat moet volgens hen ook gelden voor een woonboot.

4.1.    Ter plaatse van de woonboten van [appellant sub 1] en anderen geldt het bestemmingsplan "Sixhaven". In bijlage 1 van de planregels van het parapluplan is een lijst opgenomen van de geldende bestemmingsplannen. Ingevolge deze lijst, onder 23, geldt op grond van het parapluplan ter plaatse van de woonboten van [appellant sub 1] en anderen de bestemming "Water".

    In het bestemmingsplan "Sixhaven" zijn aan het perceel van [appellant sub 1] en anderen de bestemming "Water" en de aanduidingen "specifieke vorm van water - 3" en "maatvoering aantal: 5" toegekend.

4.2.    De raad heeft toegelicht dat hij wenst te voorkomen dat het aantal ligplaatsen in Amsterdam toeneemt. Met het opnemen van artikel 5, lid 5.1.4, van de planregels wordt voorkomen dat door het tijdelijk verplaatsen van een drijvend bouwwerk op de vrije locatie in de tussengelegen tijd een nieuw drijvend bouwwerk ter plaatse moet worden toegestaan tot het drijvende bouwwerk weer wordt teruggeplaatst. Dit heeft volgens de raad ermee te maken dat het regelmatig voorkomt dat woonboten tijdelijk verplaatst moeten worden omdat een kade vernieuwd moet worden of een evenement zoals "SAIL Amsterdam" plaatsvindt.

4.3.    Mede gelet op de ter zitting gegeven toelichting begrijpt de Afdeling het betoog van [appellant sub 1] en anderen zo dat zij enerzijds vinden dat artikel 5, lid 5.1.4, aanhef en onder c, van de planregels ten onrechte tijdelijke verplaatsing vanwege evenementen mogelijk maakt en anderzijds dat de planregel overbodig is. Artikel 5, lid 5.1.4, van de planregels beoogt te voorkomen dat door het tijdelijk verplaatsen van een drijvend bouwwerk op de vrije locatie in de tussengelegen tijd tot het drijvende bouwwerk weer wordt teruggeplaatst, een nieuw drijvend bouwwerk ter plaatse moet worden toegestaan. Anders dan [appellant sub 1] en anderen veronderstellen, maakt het artikel op zichzelf geen verplaatsing van drijvende bouwwerken mogelijk. Dit artikel schept evenmin de bevoegdheid om woonboten te verplaatsen. Dit geldt ook voor artikel 17 van de planregels, waar ter zitting op is gewezen. De planregel leidt alleen al hierom niet tot rechtsongelijkheid in vergelijking met bouwwerken op de wal.

    De Afdeling stelt verder vast dat het geldende planologische regime ter plaatse van de woonboten van [appellant sub 1] en anderen niets regelt over het aantal toegestane woonboten. Weliswaar is op de verbeelding van het plan "Sixhaven" de aanduiding "maatvoering aantal: 5" opgenomen, maar hieraan komt geen betekenis toe, omdat daarover in de planregels niets is geregeld. Gelet hierop geldt ingevolge artikel 5, lid 5.1.3, lid 2, van de planregels van het parapluplan als maximum het aantal waarvoor vóór 1 januari 2018 een ligplaats-, vervangings- of verbouwingsvergunning op grond van de Verordening op het Binnenwater 2010 is verleend dan wel op grond van die verordening niet vereist was, en het drijvende bouwwerk aanwezig was of mocht zijn ten tijde van terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan. Ter zitting is vast komen te staan dat gelet op voornoemd artikellid het maximum aantal drijvende bouwwerken ter plaatse van de woonboten van [appellant sub 1] en anderen maximaal 5 bedraagt.

    Anders dan [appellant sub 1] en anderen stellen, kan zonder expliciete regeling in het plan het aantal woonboten en daarmee het aantal ligplaatsen feitelijk toch toenemen. De raad heeft hiertoe toegelicht dat het aantal ligplaatsen gekoppeld is aan de locaties en niet aan de woonboten, zodat zonder artikel 5, lid 5.1.4, van de planregels het aantal ligplaatsen feitelijk kan toenemen. Indien 1 van de 5 woonboten tijdelijk verplaatst wordt, staat artikel 5.1.3 van de planregels een nieuw drijvend bouwwerk toe. Anders dan [appellant sub 1] en anderen stellen, moet in het stelsel van de Wabo een aangevraagde omgevingsvergunning, bij het ontbreken van een weigeringsgrond, verleend worden. Met deze omgevingsvergunning zou het zonder artikel 5, lid 5.1.4, van de planregels mogelijk zijn om op de vrije locatie een nieuw drijvend bouwwerk te plaatsen indien een ander drijvend bouwwerk tijdelijk verplaatst is. Gelet hierop zou, indien het tijdelijk verplaatste drijvende bouwwerk weer wordt teruggeplaatst, geen sprake meer zijn van 5 woonboten/ligplaatsen, maar 6. Anders dan [appellant sub 1] en anderen stellen, kan in een dergelijk geval niet gehandhaafd worden vanwege strijd met de Wabo, omdat sprake is van een geldige omgevingsvergunning. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in wat [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid in artikel 5, lid 5.1.4, van de planregels heeft kunnen voorzien. Deze regeling voorziet juist in de bescherming van de belangen van [appellant sub 1] en anderen.

    Het betoog faalt.

Conclusie

5.    Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep van [appellant sub 1] en anderen ongegrond.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 2] en anderen

Ingetrokken beroepsgrond

7.    [appellant sub 2] en anderen hebben ter zitting de beroepsgrond dat de in het parapluplan opgenomen bepalingen over het overgangsrecht, en met name artikel 20, lid 20.1, onder 2, van de planregels, ten onrechte afwijken van artikel 3.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro), ingetrokken.

Ontvankelijkheid

8.    Uit artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 van de Awb, volgt dat uitsluitend belanghebbenden beroep kunnen instellen tegen de bestreden besluiten. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Het derde lid luidt: "Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen."

8.1.    In de lijst behorende bij het beroepschrift van [appellant sub 2] en anderen staat dat het beroep mede namens [appellant sub 2A] wordt ingesteld. In een nader stuk is aangegeven dat niet [appellant sub 2A], maar de Stichting Exploitatie Floating Palace (hierna: de stichting) eigenaar is van de woonark Floating Palace gelegen aan de Kalkmarkt. Nu [appellant sub 2A] geen eigenaar van de woonark is en ook niet anderszins zakelijk gerechtigde, is [appellant sub 2A] geen belanghebbende bij het parapluplan.

    Voor zover in het nadere stuk en ter zitting is aangegeven dat [appellant sub 2A] namens de stichting beroep heeft ingesteld, overweegt de Afdeling het volgende. De regeling met betrekking tot de beroepstermijn neergelegd in artikel 8:1, gelezen in samenhang met de artikelen 6:7 en 6:11 van de Awb, brengt met zich dat de identiteit van degene namens wie beroep wordt ingesteld, voor afloop van de beroepstermijn kenbaar moet zijn. Aan dat vereiste is in dit geval niet voldaan. Immers, pas in het nadere stuk van 20 mei 2020 en daarmee na afloop van de beroepstermijn is aangegeven dat [appellant sub 2A] namens de stichting beroep heeft ingesteld. Gelet op het vorenstaande is het beroep van [appellant sub 2] en anderen, voor zover ingesteld door [appellant sub 2A] en de stichting, daarom niet-ontvankelijk.

8.2.    Hierna wordt met [appellant sub 2] en anderen bedoeld: [appellant sub 2] en anderen, voor zover hun beroep ontvankelijk is.

Positieve bestemming en afwijkingsmogelijkheden

9.    [appellant sub 2] en anderen betogen dat het parapluplan, anders dan de raad heeft beoogd, niet voorziet in een positieve bestemming van alle bestaande woonboten. Onder verwijzing naar de planregels over de maatvoering voor drijvende bouwwerken wat betreft de lengte, hoogte en breedte daarvan, stellen zij dat als in de moederplannen geen maatvoering is opgenomen, de maximale maatvoering geldt die in de beleidsregels is opgenomen. Dit kan volgens hen ertoe leiden dat nog steeds sprake is van een illegale situatie, wat in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel.

    Verder voeren [appellant sub 2] en anderen aan dat de bestaande afwijkingsmogelijkheden in de moederplannen en beleidsregels ten onrechte worden wegbestemd. Dit is volgens hen in strijd met de systematiek van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en het Bro. Verder is volgens [appellant sub 2] en anderen niet duidelijk of dit wegbestemmen ook geldt ten aanzien van afwijkingsmogelijkheden in de moederplannen voor zover het gaat om de lengte en de breedte van woonboten.

9.1.    Volgens paragraaf 1.4 van de plantoelichting is het uitgangspunt van dit parapluplan om de bestaande rechten te respecteren, maar ook om nadrukkelijk niet meer rechten te bieden aan eigenaren dan wel bewoners van woonboten dan het geval was voor de inwerkingtreding van dit plan. Dit parapluplan betreft uitsluitend een juridische regeling. Er is geen ruimte voor andere (ruimtelijke) afwegingen. Dit zal aan bod komen bij de herzieningen van de moederplannen zodra die herzien worden in het kader van actualisatie of planvorming. Op dat moment kan een integrale afweging gemaakt worden waarbij alle relevante aspecten beoordeeld worden, aldus de plantoelichting.

9.2.    De Afdeling gaat gelet op hetgeen geregeld is in artikel 8.2a van de Wabo en de toelichting in het parapluplan ervan uit dat de woonboten geacht worden te beschikken over een omgevingsvergunning voor bouwen en gebruik en daardoor legaal zijn. De Afdeling stelt voorop dat in beginsel legaal bestaande bebouwing als zodanig in het bestemmingsplan moet worden bestemd. Indien nieuwe planologische inzichten daartoe aanleiding geven en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen, kan uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening daarvan worden afgezien. In dat geval kan het bestaande legale bouwwerk onder het overgangsrecht worden gebracht als de raad aannemelijk maakt dat het bouwwerk op termijn zal worden verwijderd. Met het overgangsrecht wordt namelijk beoogd een tijdelijke situatie te overbruggen.

9.3.    De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant sub 2] en anderen zo dat zij vinden dat gelet op de formulering van artikel 3, lid 3.1.2, van de planregels en de 13 andere gelijkluidende bepalingen, de bestaande maatvoering van de woonboten niet positief is bestemd. Dit heeft volgens hen ermee te maken dat als in de moederplannen geen maatvoering is opgenomen en uitgegaan moet worden van de maatvoering die in de beleidsregels is opgenomen, de bestaande maatvoering kan afwijken van de maatvoering in de beleidsregels.

    In artikel 3, lid 3.1.2, van de planregels en de andere 13 gelijkluidende bepalingen is bepaald dat voor drijvende bouwwerken de in de (specifieke) gebruiksregels van het moederplan opgenomen maximale bouwhoogte, lengte en breedte geldt. Indien het moederplan geen maatvoering kent, dan geldt voor locaties die vallen onder het werkingsgebied van waterbeleidsregels de daarin opgenomen maximale maatvoering. Indien geen van deze maten van toepassing is dan geldt de bestaande bouwhoogte, lengte en hoogte als maximale maat.

    De raad heeft toegelicht dat voor de maatvoering de systematiek uit 65 verschillende bestemmingsplannen is samengevoegd. Bij een groot aantal bestemmingsplannen zijn in de gebruiksregels maten opgenomen. In dat geval voorziet het plan slechts in een omzetting van die gebruiksregels naar bouwregels. Voor die gevallen is volgens de raad bijvoorbeeld artikel 3, lid 3.1.2, aanhef en onder a, sub 1, van de planregels opgenomen. Verder heeft de raad toegelicht dat in een ander groot aantal bestemmingsplannen de planregels geen maatvoering bevatten. In die gevallen werd de toegestane maatvoering bepaald door de vergunning die het college op grond van de Verordening op het Binnenwater 2010 verleende voor het innemen van een ligplaats. Op grond van artikel 2.3.2 van de deze verordening hebben de "oude" stadsdelen vaak beleidsregels opgesteld waarin maatvoering is opgenomen. Voor die situaties is artikel 3, lid 3.1.2, aanhef en onder a, sub 2, eerste bullet, van de planregels opgenomen. Voor de gevallen waarvoor geen beleidsregels gelden, is de tweede bullet van dat artikellid opgenomen, aldus de raad. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich op een onjuist standpunt heeft gesteld. [appellant sub 2] en anderen kunnen niet worden gevolgd in hun standpunt dat desondanks de woonboten niet positief zijn bestemd en dat deze planregeling in strijd met de rechtszekerheid is.

    Het betoog faalt in zoverre.

9.4.    Wat betreft het betoog van [appellant sub 2] en anderen dat de bestaande afwijkingsmogelijkheden in de moederplannen en beleidsregels ten onrechte worden wegbestemd, overweegt de Afdeling als volgt.

    Ingevolge artikel 3, lid 3.1.5, van de planregels en de andere 13 gelijkluidende bepalingen geldt dat voor zover in het moederplan is voorzien in een afwijkingsbevoegdheid waarmee van de toegestane bouwhoogte kan worden afgeweken, die niet van toepassing is op drijvende bouwwerken. Anders dan [appellant sub 2] en anderen veronderstellen, gelden deze bepalingen in de planregels alleen voor moederplannen en alleen ten aanzien van bouwhoogten. Uit artikel 3, lid 3.1.2, van de planregels in samenhang gelezen met artikel 3, lid 3.1.5, van de planregels volgt, zoals [appellant sub 2] en anderen ter zitting hebben gesteld, evenmin dat de afwijkmogelijkheden uit de beleidsregels niet van toepassing zijn verklaard. Daartoe overweegt de Afdeling dat met artikel 3, lid 3.1.2, van de planregels slechts is beoogd de bestaande situatie positief te bestemmen en rechtszekerheid te bieden. Met artikel 3, lid 3.1.5 is beoogd de afwijkingsbevoegdheid alleen voor zover het betreft de toegestane bouwhoogte uit de moederplannen niet van toepassing te verklaren.

    Wat betreft het niet van toepassing verklaren van de afwijkingsbevoegdheid waarmee van de toegestane bouwhoogte uit de moederplannen kan worden afgeweken, heeft de raad toegelicht dat het parapluplan nadrukkelijk geen nieuwe rechten aan bewoners dan wel eigenaren van woonboten wil bieden, zodat het plan in zoverre in enige mate beperkend werkt. Deze keuze is gemaakt, omdat in sommige moederplannen een afwijkingsbevoegdheid voor bouwhoogte was opgenomen en in andere moederplannen niet. Op deze manier zijn de regels in het parapluplan gelijk getrokken. Bij een nieuw vast te stellen moederplan zal volgens de raad worden bezien op welke locaties wel en geen afwijkingsbevoegdheid met betrekking tot de bouwhoogte kan worden voorzien. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de reden hiervoor is dat bouwhoogten vaak niet goed geregeld zijn en tot problemen kunnen leiden. Zo blokkeren woonboten het zicht vanaf de kade of kunnen deze niet worden verplaatst, omdat deze niet onder bruggen door kunnen. De Afdeling ziet geen aanleiding om deze toelichting van de raad voor onjuist te houden. Gelet op het vorenstaande acht de Afdeling de keuze van de raad om een bevoegdheid waarmee van de toegestane bouwhoogte kan worden afgeweken, niet van toepassing te verklaren op drijvende bouwwerken niet onredelijk. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat op grond van het Bor nog de mogelijkheid bestaat om buitenplans van het bestemmingsplan af te wijken.

    Het betoog faalt.

Conclusie

10.    Het beroep van [appellant sub 2] en anderen is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep van [appellant sub 2] en anderen, voor zover ingesteld door [appellant sub 2A] en de Stichting Exploitatie Floating Palace, niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het beroep van [appellant sub 2] en anderen, voor zover ontvankelijk, ongegrond;

III.    verklaart het beroep van [appellant sub 1] en anderen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. H.C.P. Venema en mr. J.M.L. Niederer, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2020

414-877.

 

Bijlage

 

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 6:7

De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken.

Artikel 6:11

Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Artikel 8:1

Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.

Planregels bij het bestemmingsplan "Drijvende bouwwerken", vastgesteld door de raad van de gemeente Amsterdam bij besluit van 29 september 2019

Artikel 1 Begrippen

1.13 Moederplan

een bestemmingsplan dat genoemd is in bijlage 1 en dat op het moment van vaststelling in het plangebied van dit plan geldt;

1.17 Waterbeleidsregels

In dit plan wordt met waterbeleidsregels bedoeld de verschillende beleidsregels welke betrekking hebben op water en waarin toetsingscriteria ten aanzien van drijvende bouwwerken zijn opgenomen en welke vallen onder de werking van het besluit tot het aanpassen van de geldigheidstermijn van 14 stadsdeelregelingen d.d. 20 december 2017 van de gemeenteraad van Amsterdam (besluitno 383/1563) en diens rechtsopvolgers. De waterbeleidsregels zijn opgenomen in bijlage 2.

Artikel 3, lid 3.1.2 Maatvoering

Voor drijvende bouwwerken gelden de volgende bouwregels:

a. Maximale bouwhoogte

1. De in de (specifieke) gebruiksregels van het moederplan opgenomen maximale bouwhoogte.

2. Indien het moederplan geen maatvoering kent dan geldt:

• voor locaties welke vallen onder het werkingsgebied van waterbeleidsregels geldt de daarin opgenomen maximale maatvoering;

• indien geen van bovenstaande maten van toepassing is dan geldt de bestaande bouwhoogte als maximale maat.

b. Maximale lengte

1. De in de (specifieke) gebruiksregels van het moederplan opgenomen maximale lengte.

2. Indien het moederplan geen maatvoering kent dan geldt:

• voor locaties welke vallen onder het werkingsgebied van waterbeleidsregels geldt de daarin opgenomen maximale maatvoering;

• indien geen van bovenstaande maten van toepassing is dan geldt de bestaande lengte als maximale maat.

c. Maximale breedte drijvende bouwwerk

1. De in de (specifieke) gebruiksregels van het moederplan opgenomen maximale breedte.

2. Indien het moederplan geen maatvoering kent dan geldt:

• voor locaties welke vallen onder het werkingsgebied van waterbeleidsregels geldt de daarin opgenomen maximale maatvoering;

• indien geen van bovenstaande maten van toepassing is dan geldt de bestaande breedte als maximale maat.

[…]

e. Verbouwen en vervangen

1. Bij het verbouwen vervangen van drijvende bouwwerken dienen de daartoe geldende voorschriften omtrent specifieke en beperkende maatvoeringen uit de waterbeleidsregels in acht te worden genomen.

Artikel 3, lid 3.1.5 Bouwhoogteoverschrijdingen

Voor zover in het moederplan is voorzien in een afwijkingsbevoegdheid waarmee van de toegestane bouwhoogte kan worden afgeweken, geldt dat die niet van toepassing is op drijvende bouwwerken.

Artikel 5 Water

In aanvulling op de regels van de bestemming 'Water' uit het moederplan waarin deze bestemming voorkomt (bijlage 1), gelden de volgende regels.

5.1.3 Aantal drijvende bouwwerken

1. Het maximaal aantal drijvende bouwwerken dat mag worden opgericht is gelijk aan het maximaal aantal genoemde ligplaatsen in het moederplan, met dien verstande dat indien ter plaatse een ligplaats wordt ingenomen door een schip als bedoeld in artikel 1, lid 7, van de Woningwet met een ligplaatsvergunning op grond van de Verordening op het Binnenwater, het aantal ligplaatsen niet kan toenemen.

2. Indien in het moederplan geen maximum aantal ligplaatsen wordt genoemd, geldt als maximum het aantal waarvoor vóór 1 januari 2018 een ligplaats-, vervangings- of verbouwingsvergunning op grond van de Verordening op het Binnenwater is verleend dan wel op grond van die Verordening niet vereist was, en het drijvende bouwwerk aanwezig was of mocht zijn ten tijde van terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan.

5.1.4 Tijdelijk verplaatste drijvende bouwwerken en/of schepen

Het aantal ligplaatsen als bedoeld in 5.1.3 kan evenmin toenemen indien drijvende bouwwerken of schepen in de zin van artikel, 1 lid 7, van de Woningwet met een ligplaatsvergunning tijdelijk verplaatst zijn, wegens:

a. werkzaamheden aan het drijvende bouwwerk of het schip;

b. werkzaamheden in het water en/ of de kade ter plaatse van de locatie waarvoor de omgevingsvergunning of de ligplaatsvergunning geldt;

c. evenementen die tijdelijke verplaatsing noodzakelijk maken.

Artikel 17 Algemene afwijkingsregels

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in de regels van dit bestemmingsplan en/of in de regels van het moederplan ten behoeve van drijvende bouwwerken en/of schepen in de zin van artikel 1, lid 7, van de Woningwet, met een tijdelijke omgevingsvergunning van het bestemmingsplan en/of het moederplan af te wijken, voor de bouw en het gebruik van de gronden als ligplaats ten behoeve van een drijvend bouwwerk of het gebruik als ligplaats ten behoeve van een schip mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden.

In het geval van een drijvend bouwwerk.

1. Voor het drijvend bouwwerk is een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen verleend, dan wel moet deze op grond van artikel 8.2 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geacht worden te zijn verleend;

2. Het drijvend bouwwerk dient te worden verplaatst vanwege werkzaamheden aan het drijvend bouwwerk en/of werkzaamheden aan de kade/oever of in het water ter plaatse waar het drijvend bouwwerk is gelegen en/of vanwege een evenement;

3. Het college wint advies in over de tijdelijke locatie van het drijvend bouwwerk bij de vaarwegbeheerder en het bevoegde Hoogheemraadschap;

4. Aan de omgevingsvergunning dient de voorwaarde te worden verbonden dat deze van rechtswege vervalt binnen een maand, nadat de werkzaamheden zijn afgerond die de verplaatsing noodzakelijk maakten, dan wel het evenement is beëindigd.

[…]

Verordening op het Binnenwater 2010

Artikel 2.3.2

1. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot registratie en veiligheid.

2. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot afmetingen en met het oog op het milieu en de welstand.

3. Bij de toepassing van het tweede lid kan het college onderscheid maken naar categorieën woonboten.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 8.2a

"1. Indien voor het bouwen of gebruiken van een woonboot of een ander drijvend object dat hoofdzakelijk wordt gebruikt voor verblijf voor of op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet verduidelijking voorschriften woonboten krachtens een provinciale of een gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is verleend, wordt die vergunning of ontheffing gelijkgesteld met een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, c of d.

2. Een woonboot of een ander drijvend object dat hoofdzakelijk wordt gebruikt voor verblijf ten aanzien waarvan tot het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet verduidelijking voorschriften woonboten krachtens een provinciale of een gemeentelijke verordening geen vergunning of ontheffing werd vereist voor het bouwen of gebruiken ervan, wordt met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet verduidelijking voorschriften woonboten gelijkgesteld met een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning als bedoeld in de artikelen 2.1, eerste lid, onderdelen a, c of d is verleend.

3. Voorwaarden waaronder een vergunning of ontheffing als bedoeld in het eerste of tweede lid is verleend, worden gelijkgesteld met aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften."