Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2309

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
30-09-2020
Zaaknummer
201906654/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In het besluit van 4 juli 2019 heeft de raad van de gemeente Achtkarspelen het bestemmingsplan "[locatie 1] - Surhuisterveen" vastgesteld. Met het plan beoogt de raad de bouw van 19 grondgebonden eengezinswoningen mogelijk te maken op de locatie van een voormalige meubelzaak bij de kruising van De Dellen met de Molenweg in Surhuisterveen. [appellant sub 1] woont aan de [locatie 2] in Surhuisterveen (kadastraal bekend als B 9141). Dit perceel grenst direct aan het plangebied en heeft een woonbestemming. [appellant sub 1] meent dat de ten behoeve van hem gevestigde erfdienstbaarheid wordt miskend en dat hij de ten laste van hem gevestigde erfdienstbaarheid niet meer kan nakomen, waardoor sprake is van evidente privaatrechtelijke belemmeringen die aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staan. Daarnaast stelt [appellant sub 1] dat het plan leidt tot een verkeersonveilige situatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201906654/1/R3.

Datum uitspraak: 30 september 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te Surhuisterveen, gemeente Achtkarspelen,

2.    Stichting de Feanster Moune, gevestigd te Surhuisterveen, gemeente Achtkarspelen,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Achtkarspelen,

verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 4 juli 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1] - Surhuisterveen" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en de stichting beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[belanghebbende] heeft gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid een schriftelijke uiteenzetting te geven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 september 2020, waar [appellant sub 1], bijgestaan door [gemachtigde A], de stichting, vertegenwoordigd door [gemachtigde B] en [gemachtigde C], en de raad, vertegenwoordigd door F. van der Lugt en E.A. de Vries, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde D], gehoord.

Overwegingen

1.    Het op deze zaak betrekking hebbend wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

Inleiding

2.    Met het plan beoogt de raad de bouw van 19 grondgebonden eengezinswoningen mogelijk te maken op de locatie van een voormalige meubelzaak bij de kruising van De Dellen met de Molenweg in Surhuisterveen.

3.    [appellant sub 1] woont aan de [locatie 2] in Surhuisterveen (kadastraal bekend als B 9141). Dit perceel grenst direct aan het plangebied en heeft een woonbestemming. [appellant sub 1] meent dat de ten behoeve van hem gevestigde erfdienstbaarheid wordt miskend en dat hij de ten laste van hem gevestigde erfdienstbaarheid niet meer kan nakomen, waardoor sprake is van evidente privaatrechtelijke belemmeringen die aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staan. Daarnaast stelt [appellant sub 1] dat het plan leidt tot een verkeersonveilige situatie.

4.    De stichting stelt zich volgens haar statuten ten doel het restaureren en in goede staat houden van de korenmolen, op het perceel Koartwald 6 in Surhuisterveen. Deze korenmolen staat ten noordoosten van het plangebied. De stichting meent dat de raad bij de besluitvorming geen of onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de molen en dat de nadelige gevolgen van het bestemmingsplan door de raad te licht zijn gewogen.

Toetsingskader

5.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep van [appellant sub 1]

Privaatrechtelijke belemmeringen

Erfdienstbaarheid

6.    [appellant sub 1] betoogt dat de erfdienstbaarheid ten laste van het buurperceel, kadastraal bekend als B 9142, inhoudend een recht van weg om te komen van en te gaan naar de openbare weg (Molenweg), een privaatrechtelijke belemmering is voor de uitvoerbaarheid van het plan en dat de raad hier onvoldoende onderzoek naar heeft gedaan.

6.1.    De raad betoogt dat de erfdienstbaarheid niet in de weg staat aan de uitvoering van het plan, omdat de bouwstrook in het bestemmingsplan voldoende ruimte biedt om aan de erfdienstbaarheid tegemoet te komen en de zeven woningen te realiseren.

6.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bestaat voor het oordeel van de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de vaststelling van een bestemmingsplan in de weg staat, alleen aanleiding wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is namelijk de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit, waarbij de bewijslast wordt beheerst door de in die procedure geldende regels. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 30 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY9957.

6.3.    De Afdeling stelt vast dat aan het buurperceel kadastraal bekend B 9142, waarop ten gunste van [appellant sub 1] de erfdienstbaarheid is gevestigd, in het bestreden plan de bestemmingen "Wonen" met de aanduiding "vrijstaand" en "Tuin" zijn toegekend. Aan het vlak met de bestemming "Wonen" zijn ook de aanduidingen "bouwvlak" en "maximum aantal woonheden = 7" toegekend. Op grond van artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder a en d, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Wonen" bestemd voor woningen met de daarbij behorende paden. Op grond van artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a en b, zijn de voor "Tuin" aangewezen gronden bestemd voor tuinen behorend bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen met daaraan ondergeschikt wegen en paden.

6.4.    Binnen zowel de bestemming "Wonen" als de bestemming "Tuin" kan een pad worden gerealiseerd, waarvan [appellant sub 1] gebruik kan maken voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid. Het bestemmingsplan maakt het mogelijk om binnen het hiervoor bedoelde vlak met de bestemming "Wonen" zeven vrijstaande woningen te realiseren. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het vlak een dusdanige omvang dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat de erfdienstbaarheid in de weg staat aan de realisering van de zeven vrijstaande woningen.

6.5.    Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen zo duidelijke privaatrechtelijke belemmering is dat verwezenlijking van het plan niet mogelijk is.

6.6.    Het betoog slaagt niet.

Erfdienstbaarheid Liander

7.    [appellant sub 1] betoogt dat de erfdienstbaarheid ten laste van zijn perceel, inhoudend een recht van overpad om te komen van en te gaan naar het verdeelstation van Liander dat is gelegen op het buurperceel, kadastraal bekend als B 6995, een privaatrechtelijke belemmering is voor de uitvoerbaarheid van het plan.

7.1.    De raad stelt dat [belanghebbende] als de ontwikkelende partij geen verplichtingen heeft ten aanzien van Liander. De raad meent dat de erfdienstbaarheid ten laste van het perceel van [appellant sub 1] niet aan de uitvoering van het plan in de weg staat.

7.2.    Zoals de Afdeling hiervoor onder 6.2 heeft overwogen, bestaat voor het oordeel van de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de vaststelling van een bestemmingsplan in de weg staat, alleen aanleiding wanneer deze een evident karakter heeft.

7.3.    Dat [appellant sub 1] een verplichting heeft tegenover Liander om toegang te verlenen tot zijn perceel, zodat Liander het verdeelstation kan bereiken, belemmert niet de verwezenlijking van het plan. Het perceel van [appellant sub 1] is namelijk niet gelegen in het plangebied. Bij gebreke aan een belemmering komt de Afdeling niet toe aan het eventuele evidente karakter daarvan.

7.4.    Het betoog slaagt niet.

Verkeersonveilige situatie

8.    [appellant sub 1] betoogt dat door het bestemmingsplan een verkeersonveilige situatie zal ontstaan, omdat de door [belanghebbende] voorgestelde oprit met een rijbaanbreedte van 2,5 m ertoe zal leiden dat hij zijn auto niet op de oprit kan draaien en daarom met zijn auto achteruit de Molenweg op moet rijden. Daarbij kruist hij een fiets- en een voetpad. [appellant sub 1] stelt dat de raad hier onvoldoende onderzoek naar heeft gedaan.

8.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het bestemmingsplan geen verkeersonveilige situatie tot gevolg zal hebben. De raad stelt dat de gezamenlijke breedte van de oprit en het perceel van [appellant sub 1] voldoende is om een auto te keren, maar dat ook het eventueel achteruit de weg op rijden geen onaanvaardbare situatie zal opleveren.

8.2.    De Molenweg is een voorrangsweg met een losgelegen fiets- en voetpad. De Molenweg wordt gebruikt als ontsluitingsweg voor de wijk en het naastgelegen bedrijventerrein. Ter zitting heeft de raad gesteld dat de verkeersintensiteit op de Molenweg niet dusdanig is dat niet veilig achteruit de weg op kan worden gereden vanuit een oprit. De raad heeft er daarbij op gewezen dat aan de Molenweg meerdere opritten zijn gelegen waar bij het verlaten het fiets- en voetpad wordt gekruist. De raad heeft onderkend dat het achteruit de weg op rijden meer risico’s met zich kan brengen, maar dat, mede gelet op de overzichtelijke situatie ter plaatse, in dit geval geen onaanvaardbare situatie zal ontstaan.

    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een situatie die uit het oogpunt van verkeersveiligheid onaanvaardbaar is.

8.3.    Het betoog slaagt niet.

Conclusie

9.    Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

Het beroep van de stichting

Belangenafweging

10.    De stichting voert aan dat het bestemmingsplan grote nadelige gevolgen heeft voor het behoud van de molen. Zo zal de toegestane bebouwing met een maximumnokhoogte van 11 m, die op minder dan 400 m kan worden gerealiseerd, naar verwachting een schadelijke windreductie opleveren en zal deze de kwaliteit van de molenbiotoop doen afnemen. Ook wordt het risico op turbulentie groter en verwacht de stichting een vermindering van het aantal vrijwilligers door een vermindering van de draaiuren. Dit laatste heeft ook gevolgen voor de mogelijkheid om een gecertificeerde opleiding tot molenaar bij de molen te kunnen volgen.

10.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat voldoende rekening is gehouden met de belangen van de molen. De raad betoogt dat de stichting in besprekingen aangaf dat de huidige windvang problematisch is voor het in werking hebben van de molen, waaruit mag blijken dat de situering van de molen niet optimaal is. Bij het opnemen van de molenbiotoop van 100 m met beperkt bouwrecht in het bestemmingsplan "Bedrijventerrein De Lauwers" in 2008 heeft de raad afstemming gezocht tussen de aanwezige belangen van de omliggende percelen en de belangen van de molen. Daarnaast zijn de maximaal toegestane goot- en bouwhoogten volgens de raad onder het bestreden bestemmingsplan gelijk aan die onder de voorheen geldende beheersverordening. De raad meent dat de windvang om die reden niet zal verslechteren. Volgens de raad zijn er nog mogelijkheden om naast de huidige maaluren (3 uur op zaterdag) de beschikbare wind te benutten.

10.2.    Aan de gronden in het plangebied was onder de voorheen geldende beheersverordening "Dorpen Achtkarspelen" de bestemming "Detailhandel - Detailhandel in volumineuze goederen" toegekend. Op grond van artikel 9, lid 9.2, onder a, sub 2, mocht de goothoogte van een gebouw niet meer dan 6 m bedragen. In het bepaalde sub 3 stond dat de bouwhoogte van een gebouw niet meer dan 11 m mocht bedragen. Het perceel was niet volledig bebouwd. Onder het bestemminsplan geldt op grond van artikel 6, lid 6.2, onder a, sub 8, van de planregels voor het bouwen van hoofdgebouwen dat de goothoogte niet meer dan 6 m mag bedragen. De bouwhoogte van het hoofdgebouw mag volgens het bepaalde sub 10 niet meer dan 11 m bedragen. De planologisch toegestane bouwhoogten zijn onder het bestemmingsplan dan ook niet gewijzigd. De bebouwing zal, in vergelijking tot hetgeen in de beheersverordening is toegestaan, dichter bij de molen, maar buiten een straal van 100 m, kunnen worden gerealiseerd.

10.3.    Uit de toelichting behorend bij het bestemmingsplan volgt dat de netto woonbehoefte van Surhuisterveen in de periode tot 2025 uiteenloopt van 100 tot 140 woningen. De harde plancapaciteit in Surhuisterveen bedraagt momenteel 88 woningen. De raad beoogt met het bestemmingsplan 19 woningen in het koopsegment te realiseren. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de kwantitatieve woonbehoefte. Bovendien volgt uit de toelichting dat het plan kan bijdragen aan de doorstroming op de woningmarkt en aan een verbetering en vernieuwing van de woningvoorraad. Daarmee draagt het plan ook bij aan de kwalitatieve woonbehoefte.

10.4.    De Afdeling stelt vast dat de raad de belangen van de stichting in zijn afweging heeft betrokken. De raad heeft daarbij onderkend dat de situering van de molen niet optimaal is, gelet op de heersende zuidwestenwind en de ligging van de molen ten noordoosten van het plangebied en het daarachter gelegen dorp en dat de verdere benutting van de bouwmogelijkheden in het bestemmingsplan een verdere windreductie kan opleveren. De raad houdt vast aan het planologisch kader voor de gerestaureerde en in 1995 in gebruik genomen molen, te weten de molenbiotoop van 100 m met beperkt bouwrecht, zoals dat in 2008 in het bestemmingsplan is opgenomen en sinds die tijd is toegepast.

10.5.    De Afdeling ziet in het betoog van de stichting geen aanleiding voor het oordeel dat de raad, gegeven de hem toekomende beleidsruimte, niet heeft mogen kiezen voor genoemd planologisch kader dat tot stand is gekomen na afweging van alle betrokken belangen. De raad is niet verplicht de bestaande beperkingen in de windvang op te heffen dan wel te verminderen. Anders dan de stichting heeft aangevoerd, bestaat geen grond voor de conclusie dat de raad het plan in zoverre niet heeft mogen vaststellen en geen doorslaggevende betekenis heeft mogen toekennen aan het belang van woningbouw.

10.6.    Het betoog slaagt niet.

Conclusie

11.    Het beroep van de stichting is ongegrond.

Proceskosten

12.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. F.D. van Heijningen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2020

288-964.

 

BIJLAGE

 

Planregels behorend bij het bestemmingsplan "[locatie 1] - Surhuisterveen"

Artikel 4 Tuin

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.    tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen, met daaraan ondergeschikt:

b.    wegen en paden;

c.    groenvoorzieningen;

d.    parkeervoorzieningen.

Artikel 6 Wonen

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.    woningen, al dan niet in combinatie met:

1.    ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf;

2.    verkoop van goederen via internet;

b.    aan- en uitbouwen en bijgebouwen, met de daarbij behorende:

c.    erven;

d.    paden;

e.    openbare nutsvoorzieningen;

f.    bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

6.2 Bouwregels

a.    Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

[…]

8.    de goothoogte van een hoofdgebouw mag niet meer dan 6 meter bedragen;

9.    in afwijking van het gestelde in artikel 6.2 lid a onder 8 mag ter plaatse van de aanduiding "maximum goothoogte (m)" de goothoogte niet meer bedragen dan aangegeven;

10.    de bouwhoogte van een hoofdgebouw mag niet meer dan 11 meter bedragen;

[…]

Artikel 9 Algemene aanduidingsregels

9.2.1 Aanduidingsomschrijving

ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' zijn, naast het bepaalde in de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, de gronden mede aangewezen voor de bescherming van de functie van de nabijheid gelegen molen Fenstermûne.

Planregels behorend bij de beheersverordening "Dorpen Achtkarspelen"

Artikel 9 Detailhandel in volumineuze goederen (Detailhandel - Detailhandel in volumineuze goederen)

9.2 Bouwregels

a.    Voor het bouwen van de in lid 9.1 onder a. en b. genoemde gebouwen gelden de volgende regels:

[…]

2.    de goothoogte van een gebouw mag niet meer dan 6 m bedragen, met dien verstande dat de goothoogte van een gebouw op de gronden ter plaatse van het besluitvlak Surhuisterveen, Vierhuisterweg niet meer dan 8 m mag bedragen;

3.    de bouwhoogte van een gebouw mag niet meer dan 11 m bedragen;

[…]