Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2306

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
30-09-2020
Zaaknummer
202000773/1/R4
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 augustus 2019 heeft de minister van Infrastructuur en Waterstaat aan ProRail B.V. onder meer een tijdelijke ontheffing verleend van de naleving van de geluidproductieplafonds voor 17 referentiepunten binnen de gemeente Lansingerland voor de jaren 2020, 2021 en 2022. Op de spoorweg HSL-Zuid zijn geluidproductieplafonds als bedoeld in titel 11.3 van de Wet milieubeheer van toepassing. Langs de spoorweg bevinden zich referentiepunten waar de vastgestelde maximale geluidproductie vanwege de spoorweg niet mag worden overschreden. ProRail is als beheerder van de spoorweg verantwoordelijk voor de naleving. Zij kan de staatssecretaris op grond van artikel 11.24 van de Wm verzoeken om in verband met bijzondere omstandigheden voor een termijn van ten hoogste vijf jaar ontheffing te verlenen van de verplichting tot naleving van een geluidproductieplafond. ProRail heeft de staatssecretaris verzocht om een tijdelijke ontheffing van deze verplichting tot naleving van de geluidproductieplafond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2020/7181
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202000773/1/R4.

Datum uitspraak: 30 september 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

Belangenvereniging De Kruisweg (hierna: de belangenvereniging), gevestigd te Bleiswijk, gemeente Lansingerland,

appellante,

en

de minister van Infrastructuur en Waterstaat,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 augustus 2019 heeft de minister aan ProRail B.V. onder meer een tijdelijke ontheffing verleend van de naleving van de geluidproductieplafonds voor 17 referentiepunten binnen de gemeente Lansingerland voor de jaren 2020, 2021 en 2022.

Bij besluit van 19 december 2019 heeft de minister het door de belangenvereniging hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft de belangenvereniging beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 september 2020, waar de belangenvereniging, vertegenwoordigd door [gemachtigde A], en de minister, vertegenwoordigd door mr. E. Koornwinder en J.E.M. Koebruee, zijn verschenen. Voorts is ter zitting ProRail B.V., vertegenwoordigd door mr. D. van der Pas, advocaat te Utrecht, en [gemachtigde B] en [gemachtigde C], gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    Op de spoorweg HSL-Zuid zijn geluidproductieplafonds als bedoeld in titel 11.3 van de Wet milieubeheer (hierna: de Wm) van toepassing. Langs de spoorweg bevinden zich referentiepunten waar de vastgestelde maximale geluidproductie vanwege de spoorweg niet mag worden overschreden. ProRail is als beheerder van de spoorweg verantwoordelijk voor de naleving. Zij kan de staatssecretaris op grond van artikel 11.24 van de Wm verzoeken om in verband met bijzondere omstandigheden voor een termijn van ten hoogste vijf jaar ontheffing te verlenen van de verplichting tot naleving van een geluidproductieplafond.

    ProRail heeft de staatssecretaris verzocht om een tijdelijke ontheffing van deze verplichting tot naleving van de geluidproductieplafonds voor 100 referentiepunten langs de HSL-Zuid, waaronder referentiepunten langs de noordsectie tussen Nieuw-Vennep en Rotterdam (tussen km 102,0 en km 143,0), die door Lansingerland loopt. Dit in verband met geplande testritten met een nieuw type treinstel, aangeduid als Intercity Nieuwe Generatie (ICNG), waarvan de eerste treinstellen binnenkort zullen worden afgeleverd. De N.V. Nederlandse Spoorwegen (NS) heeft dit nieuwe materieel aangekocht ter uitvoering van afspraken in het kader van de aan haar verleende vervoerconcessie; de ICNG is geschikt voor het rijden op de HSL met snelheden van ten minste 200 km per uur en moet het huidige, minder geschikte materieel op dat spoor gaan vervangen. Het is de bedoeling dat de ICNG in de loop van 2021 in gebruik zal worden genomen. Daaraan voorafgaand zullen testritten met de ICNG moeten worden uitgevoerd en dat kan alleen op de HSL. Deze testritten zullen volgens de planning plaatsvinden van december 2019 tot en met december 2022, waarbij het zwaartepunt in 2020 zal liggen. Het totaal aantal uit te voeren testritten is mede afhankelijk van de resultaten van de testritten. Op de noordsectie zullen in 2020 met de ICNG maximaal 1.630 testritten in de dagperiode, en 517 testritten in de nachtperiode (met name in nachten van donderdag op vrijdag, van vrijdag op zaterdag en van zaterdag op zondag) worden uitgevoerd. Volgens het akoestisch rapport "O-257 Ontheffing testritten ICNG op HSL, Akoestisch onderzoek deelproject" van 11 juli 2019 van Royal HaskoningDHV, dat deel uitmaakt van de aanvraag van ProRail, zullen deze testritten tot gevolg hebben dat de geluidproductieplafonds bij de verschillende referentiepunten die direct bij bewoond gebied van Lansingerland liggen, in de testperiode vanaf 2020 kunnen worden overschreden met waarden die variëren van 0,1 dB tot 0,5 dB.

    De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 11.24, eerste lid, van de Wet milieubeheer en heeft de gevraagde ontheffing van de geluidproductieplafonds voor onder meer de overschrijdingen op de bedoelde referentiepunten verleend voor de jaren 2020, 2021 en 2022.

2.    De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage van deze uitspraak.

Belanghebbendheid

3.    De minister stelt in het verweerschrift dat de belangenvereniging geen belanghebbende is bij het besluit tot verlening van een tijdelijke ontheffing van de naleving van de geluidproductieplafonds. In dit verband betoogt de minister dat in de nabijheid van de Kruisweg geen referentiepunten zijn gelegen waarvoor ontheffing is verleend. De minister betoogt dat de dichtstbijgelegen referentiepunten waarvoor ontheffing is verleend op een afstand van onderscheidenlijk 8,3 km en 24 km van de Kruisweg liggen. Volgens de minister worden de belangen van de belangenvereniging door de verleende ontheffing daarom niet geschaad.

3.1.    Het standpunt van de minister dat het dichtstbijgelegen referentiepunt waarvoor ontheffing is verleend op een afstand van 8,3 km tot de Kruisweg ligt, is door de belangenvereniging ter zitting niet weersproken. Evenmin is weersproken dat voor de referentiepunten ter hoogte van de Kruisweg geen ontheffing is verleend. De afstand tussen het dichtstbijgelegen referentiepunt waarvoor bij het bestreden besluit ontheffing is verleend, is zodanig dat niet kan worden gesteld dat de belangenvereniging gevolgen kan ondervinden van de bij het bestreden besluit verleende ontheffingen. De belangenvereniging heeft dan ook geen rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang. Gelet hierop heeft de minister ten onrechte nagelaten het bezwaar van de belangenvereniging niet-ontvankelijk te verklaren.

Slotoverwegingen

4.    Het beroep is gegrond. Het besluit van 19 december 2019 dient te worden vernietigd, voor zover de minister heeft nagelaten het bezwaar van de belangenvereniging niet-ontvankelijk te verklaren. Doende hetgeen de minister had behoren te doen, zal de Afdeling dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Aangezien de belangenvereniging geen belanghebbende is bij het ontheffingsbesluit, komt de Afdeling niet toe aan de bespreking van de beroepsgronden.

5.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de minister van Infrastructuur en Waterstaat van 19 december 2019, kenmerk IENW/BSK-2019/257327, voor zover de minister heeft nagelaten het bezwaar van Belangenvereniging De Kruisweg niet-ontvankelijk te verklaren;

III.    verklaart het bezwaar van Belangenvereniging De Kruisweg tegen het besluit van de minister van Infrastructuur en Waterstaat van 19 augustus 2019, kenmerk IenW/BSK-2019/164870, niet-ontvankelijk;

IV.    gelast dat de minister van Infrastructuur en Waterstaat aan Belangenvereniging De Kruisweg het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 532,00 (zegge: vijfhonderdtweeëndertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.T. de Jong, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2020

628.

 

BIJLAGE

 

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 1:2, eerste lid

Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Wet milieubeheer

Artikel 11.20

De beheerder draagt zorg voor de naleving van de geluidproductieplafonds.

Artikel 11.24

1. Onze Minister kan op verzoek van de beheerder in verband met bijzondere omstandigheden voor een termijn van ten hoogste vijf jaar ontheffing verlenen van de verplichting tot naleving van een geluidproductieplafond.

2. Onze Minister beslist binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.

3. Onze Minister kan aan de ontheffing voorschriften verbinden met betrekking tot:

a. de mate en de duur van de overschrijding van het geluidproductieplafond;

b. het treffen van geluidwerende maatregelen aan de gevel van een geluidsgevoelige object, indien de ontheffing kan leiden tot een overschrijding van de binnenwaarde voor het betrokken geluidsgevoelig object met meer dan 5 dB.

Besluit geluidhinder milieubeheer

Artikel 30

Een verzoek om een ontheffing als bedoeld in artikel 11.24 van de wet bevat ten minste:

a. een aanduiding van het referentiepunt waarop het geluidproductieplafond geldt ten aanzien waarvan het verzoek wordt gedaan;

b. een aanduiding van het gedeelte van de weg of spoorweg waarlangs het betrokken referentiepunt is gelegen;

c. de verwachte mate van overschrijding van het geluidproductieplafond;

d. de duur van de bijzondere omstandigheid in verband waarmee de ontheffing wordt verzocht, en

e. de kalenderjaren waarvoor een ontheffing wordt verzocht