Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2294

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
30-09-2020
Zaaknummer
202004387/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 mei 2020 heeft de raad van de gemeente Rotterdam het bestemmingsplan "De Nieuwe Wielewaal" vastgesteld. De bestreden besluiten hebben betrekking op de herontwikkeling van de Rotterdamse woonwijk Wielewaal. Volgens de plantoelichting is daarbij beoogd de bestaande 545 woningen te slopen en daarna de wijk her op te bouwen tot een maximum van 675 woningen. [verzoeker] en anderen kunnen zich niet met deze besluiten verenigen. Zij vrezen onder andere voor ernstige milieuhinder en parkeerproblematiek. Verder hebben zij een alternatief plan voor de herontwikkeling van de wijk opgesteld, waarbij zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de bestaande structuur van de wijk en waaraan de raad volgens hen ten onrechte onvoldoende belang heeft gehecht. Tot slot vinden zij dat het voorliggende bestemmingsplan onvoldoende bijdraagt aan de vraag naar sociale huurwoningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202004387/2/R3.

Datum uitspraak: 29 september 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker] en anderen, allen wonend te Rotterdam,

verzoekers,

en

1/ de raad van de gemeente Rotterdam,

2/ het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 2020 heeft de raad het bestemmingsplan "De Nieuwe Wielewaal" vastgesteld.

Bij besluit van 19 juni 2020 heeft het college aan BPD Ontwikkeling B.V. (hierna: BPD) een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verleend ten behoeve van de bouw van 77 woningen tussen de Rollostraat en de Warmoldstraat te Rotterdam.

Verder heeft het college bij ongedateerd besluit hogere waarden als bedoeld in de Wet geluidhinder vastgesteld ten behoeve van het bestemmingsplan "De Nieuwe Wielewaal".

De voornoemde besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekend gemaakt met toepassing van de gemeentelijke coördinatieregeling.

Tegen deze besluiten hebben [verzoeker] en anderen beroep ingesteld.

[verzoeker] en anderen hebben gelijktijdig de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 22 september 2020, waar [verzoeker] en anderen, vertegenwoordigd door [verzoeker], [verzoeker A] en [verzoeker B], bijgestaan door mr. R.M. Königel, advocaat te Etten-Leur, en de raad en het college, vertegenwoordigd door mr. R.B.H. Fijneman, mr. C.W. de Jong, K.H.W. van Troost en C.S. Wieles, zijn verschenen. Voorts zijn BPD en Stichting Woonstad Rotterdam (hierna: Woonstad), beide vertegenwoordigd door mr. C.J. Visser, advocaat te Rotterdam, [gemachtigde A] en [gemachtigde B], als partij gehoord.

Overwegingen

Vooraf

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

Inleiding

2.    De bestreden besluiten hebben betrekking op de herontwikkeling van de Rotterdamse woonwijk Wielewaal. Volgens de plantoelichting is daarbij beoogd de bestaande 545 woningen te slopen en daarna de wijk her op te bouwen tot een maximum van 675 woningen.

    [verzoeker] en anderen kunnen zich niet met deze besluiten verenigen. Zij vrezen onder andere voor ernstige milieuhinder en parkeerproblematiek. Verder hebben zij een alternatief plan voor de herontwikkeling van de wijk opgesteld, waarbij zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de bestaande structuur van de wijk en waaraan de raad volgens hen ten onrechte onvoldoende belang heeft gehecht. Tot slot vinden zij dat het voorliggende bestemmingsplan onvoldoende bijdraagt aan de vraag naar sociale huurwoningen.

Spoedeisend belang

3.    [verzoeker] en anderen betogen dat met hun verzoek een spoedeisend belang is gemoeid. Zij voeren aan dat de inwerkingtreding van het plan ertoe kan leiden dat het college omgevingsvergunningen op grond van dat plan verleent. Tevens is door het college aan BPD een omgevingsvergunning verleend en kan na het verstrijken van de beroepstermijn in beginsel worden gestart met de bouw van de vergunde woningen. De voornoemde omstandigheden leiden volgens [verzoeker] en anderen tot onomkeerbare gevolgen.

4.    Een voorlopige voorziening kan op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden getroffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

5.    Naar aanleiding van het onderhavige verzoek is namens de enige initiatiefnemers van het plan, BPD en Woonstad, een schriftelijke verklaring overgelegd. In deze verklaring geven beide initiatiefnemers aan dat is besloten om de uitkomst van de bodemprocedure af te wachten alvorens onomkeerbare werkzaamheden worden verricht waarvoor het plan het toepasselijk planologisch kader vormt.

6.    Ter zitting hebben [verzoeker] en anderen betoogd dat desondanks toch werkzaamheden in de Wielewaal plaatsvinden die verband houden met de bestreden besluiten. Deze werkzaamheden leiden volgens hen tot onomkeerbare gevolgen, in het bijzonder voor de door hen voorgestelde opzet van de wijk. [verzoeker] en anderen hebben ter onderbouwing van dit betoog foto’s overgelegd waarop deze werkzaamheden zijn weergegeven.

6.1.    In reactie op dit betoog is namens BPD en Woonstad ter zitting verklaard dat het gaat om activiteiten die niet door de bestreden besluiten mogelijk worden gemaakt, maar door andere besluitvorming. Het gaat daarbij om werkzaamheden zoals het aanleggen van riolering, het aanbrengen van damwanden en het plaatsen van een transformatorhuisje. De raad en het college hebben het standpunt van BPD en Woonstad dat deze werkzaamheden door andere besluitvorming mogelijk wordt gemaakt, bevestigd. Gelet op het overgelegde fotomateriaal heeft de voorzieningenrechter vooralsnog geen reden om aan de juistheid van dit standpunt te twijfelen. BPD en Woonstad hebben naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook terecht gesteld dat een schorsing van de bestreden besluiten aan de uitvoering van deze werkzaamheden niet in de weg staat.

    De voorzieningenrechter overweegt verder dat BPD en Woonstad ter zitting hun toezegging hebben bevestigd dat geen gebruik zal worden gemaakt van de verleende omgevingsvergunning en dat evenmin andere omgevingsvergunningen zullen worden aangevraagd dan wel werkzaamheden zullen worden verricht die verband houden met de bestreden besluiten, totdat de Afdeling in de bodemprocedure uitspraak heeft gedaan.

7.    Onder de voornoemde omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat er geen sprake is van onverwijlde spoed dat het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt. Als niettegenstaande de hiervoor weergegeven verklaring van BPD en Woonstad, toch een omgevingsvergunning wordt aangevraagd dan wel werkzaamheden worden verricht die verband houden met de bestreden besluiten, voordat de Afdeling in de bodemprocedure uitspraak heeft gedaan, dan gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat de raad en/of het college [verzoeker] en anderen hiervan direct op de hoogte stellen zodat zij opnieuw een verzoek om een voorlopige voorziening kunnen indienen. In dat geval staat immers de mogelijkheid open om, indien alsnog spoedeisend belang ontstaat en zolang niet op het beroep is beslist, een nieuw verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening in te dienen.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. D. Tieleman, griffier.

De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 29 september 2020

817.