Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2293

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
30-09-2020
Zaaknummer
202001670/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 juni 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag een omgevingsvergunning verleend aan De Haagse Scholen, Stichting voor primair en speciaal openbaar onderwijs, te Den Haag voor het veranderen van de school aan de Galvanistraat 43. Met het bouwplan wordt voorzien in de uitbreiding van de Galvanischool. Hiermee wordt ruimte geboden voor een toename van het aantal leerlingen van ongeveer 350 leerlingen naar ongeveer 500 leerlingen. De voorziene bebouwing op de bestaande schoolpleinen is bedoeld voor de realisatie van een fietsenstalling en een kleedruimte. De speelpleinen aan de Snelliusstraat komen als gevolg van deze bouwwerken verhoogd te liggen. Omdat met de bouw van de fietsenstalling en de kleedruimte buiten het bebouwingsvlak wordt gebouwd en de trap en hekwerken rond de speeldekken de maximale bouwhoogte voor bouwwerken, heeft het college ook omgevingsvergunning verleend voor deze afwijkingen van het bestemmingsplan "Duinoord".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2020-0222
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202001670/2/R3.

Datum uitspraak: 29 september 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken van [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B] en anderen, allen wonend te Den Haag, en [verzoeker sub 2A] en [verzoeker sub 2B], wonend te Den Haag, om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende de hoger beroepen van:

1.    [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B] en anderen, allen wonend te Den Haag,

2.    [verzoeker sub 2A] en [verzoeker sub 2B], wonend te Den Haag,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 januari 2020 in zaak nr. 18/3081 18/3072 in het geding tussen:

[verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B] en anderen,

[verzoeker sub 2A] en [verzoeker sub 2B],

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 29 juni 2017 heeft het college een omgevingsvergunning verleend aan De Haagse Scholen, Stichting voor primair en speciaal openbaar onderwijs, te Den Haag (hierna: De Haagse Scholen) voor het veranderen van de school aan de Galvanistraat 43.

Bij besluit van 21 maart 2018 heeft het college het door [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B] en anderen en [verzoeker sub 2A] en [verzoeker sub 2B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 maart 2019 (hierna: de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de uitspraak de geconstateerde gebreken in de besluiten van 29 juni 2017 en 21 maart 2018 te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in de tussenuitspraak of om zo spoedig mogelijk aan de rechtbank mee te delen dat van deze gelegenheid geen gebruik wordt gemaakt. De tussenuitspraak is aangehecht.

Bij brief van 30 april 2019 heeft het college een nadere motivering van het bestreden besluit gegeven en bij besluit van 30 april 2019 heeft het college het besluit van 21 maart 2018 gewijzigd.

Bij uitspraak van 29 januari 2020 (hierna: de einduitspraak) heeft de rechtbank de door [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B] en anderen en [verzoeker sub 2A] en [verzoeker sub 2B] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, het besluit van 21 maart 2018 vernietigd en de rechtsgevolgen in stand gelaten. Verder heeft de rechtbank de beroepen tegen het besluit van 30 april 2019 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraken hebben [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B] en anderen en [verzoeker sub 2A] en [verzoeker sub 2B] hoger beroep ingesteld.

[verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B] en anderen en [verzoeker sub 2A] en [verzoeker sub 2B] hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B] en anderen, [verzoeker sub 2A] en [verzoeker sub 2B] en De Haagse Scholen hebben nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 8 september 2020, waar [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B] en anderen, in de persoon van [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B], [verzoeker sub 2A] en [verzoeker sub 2B], bijgestaan door mr. N.J.M. Beelaerts van Blokland, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.C. Remeijer-Schimtz en J.E. van de Bilt, zijn verschenen. Voorts is De Haagse Scholen, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. H.J. Brouwer, advocaat te Baarn, gehoord.

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.    Op 10 februari 2017 heeft De Haagse Scholen een omgevingsvergunning aangevraagd voor het veranderen van de school aan de Galvanistraat 43 door het vervangen van de gymzaal en bovenliggende lokalen, het realiseren van een kap ten behoeve van onderwijsruimten alsmede het maken van vluchttrappenhuizen, het bebouwen van de speelpleinen en het realiseren van speeldekken. Het college heeft bij het besluit van 29 juni 2017 een omgevingsvergunning verleend voor onder meer de activiteiten bouwen en handelen in strijd met het geldende bestemmingsplan.

3.    Met het bouwplan wordt voorzien in de uitbreiding van de Galvanischool. Hiermee wordt ruimte geboden voor een toename van het aantal leerlingen van ongeveer 350 leerlingen naar ongeveer 500 leerlingen. De voorziene bebouwing op de bestaande schoolpleinen is bedoeld voor de realisatie van een fietsenstalling en een kleedruimte. De speelpleinen aan de Snelliusstraat komen als gevolg van deze bouwwerken verhoogd te liggen.

     Omdat met de bouw van de fietsenstalling en de kleedruimte buiten het bebouwingsvlak wordt gebouwd en de trap en hekwerken rond de speeldekken de maximale bouwhoogte voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, overschrijden, heeft het college met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚, van de Wabo ook omgevingsvergunning verleend voor deze afwijkingen van het bestemmingsplan "Duinoord". Bij het nadere besluit van 30 april 2019 heeft het college met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚, van de Wabo omgevingsvergunning verleend voor de afwijking van de maximaal toegestane goothoogte met 2,7 m. Hiermee heeft het college het besluit van 20 maart 2018 gewijzigd.

    [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B] en anderen en [verzoeker sub 2A] en [verzoeker sub 2B] komen op tegen de uitbreiding van de school, met name voor zover daarmee voor diverse onderdelen wordt afgeweken van het bestemmingsplan. Hiertoe stellen zij zich kort gezegd op het standpunt dat de uitbreiding van de school zich niet goed verdraagt met het behoud van een goed woon- en leefklimaat in de directe omgeving van de school. Zij vrezen onder meer voor geluidsoverlast door op de verhoogde speelpleinen spelende kinderen.

4.    Het verzoek- en hogerberoepschrift van [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B] en anderen is ingediend door een groep natuurlijke personen. Een aantal van deze personen woont dichtbij de school en heeft een bezwaarschrift ingediend zodat het hoger beroep wat betreft deze personen ontvankelijk is. De voorlopige voorzieningsprocedure leent zich niet voor een beoordeling van de ontvankelijkheid van alle appellanten en verzoekers. Dit zal in de bodemprocedure worden beoordeeld.

5.    Ter zitting heeft de voorzieningenrechter aangekaart dat deze zaak zich, gelet op de aard en de omvang van de ingediende beroepsgronden, niet leent voor een voorlopig inhoudelijke beoordeling van de rechtmatigheid van de bestreden besluiten. Evenwel ziet de voorzieningenrechter aanleiding om - gegeven de in deze procedure aanwezig zijnde belangen - een voorlopig oordeel te geven over de vraag of de rechtbankuitspraken al dan niet in stand kunnen blijven. De voorzieningenrechter zal zich hierbij concentreren op de door verzoekers centraal gestelde gronden over geluidhinder voor de omwonenden.

6.    [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B] en anderen en [verzoeker sub 2A] en [verzoeker sub 2B] betogen dat een verhoogd speelplein niet onder de definitie van ¨terrein¨ valt als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, aanhef en onder h, van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit). Volgens hen verhoudt een dergelijke uitleg zich niet met de strekking van het Activiteitenbesluit ten aanzien van terreinen, namelijk dat het geluid van aansluitende terreinen opgaat in het geluid van een ander terrein. Ook bestaat onvoldoende duidelijkheid over het gebruik van de verhoogde speelpleinen na schooltijd. Als gevolg hiervan is het stemgeluid van kinderen ten onrechte buiten beschouwing gelaten. Het college heeft gelet hierop onvoldoende aannemelijk gemaakt dat kan worden voldaan aan de geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit, aldus [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B] en anderen en [verzoeker sub 2A] en [verzoeker sub 2B].

    Verder betogen [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B] en anderen en [verzoeker sub 2A] en [verzoeker sub 2B] dat het college niet voldoende heeft gemotiveerd waarom het bouwplan, waarvoor een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan is verleend, in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Volgens hen had het college moeten onderbouwen waarom het bouwplan geen verslechtering van het woon- en leefklimaat oplevert, waarbij ook rekening wordt gehouden met het stemgeluid van kinderen. In de bestreden besluiten is volgens hen ten onrechte niet geborgd dat geluidwerende voorzieningen moeten worden getroffen. Hiermee staat niet vast dat na de realisatie van het bouwplan een goed woon- en leefklimaat zal worden bereikt.

6.1.    De rechtbank heeft beoordeeld in hoeverre in een geval als dit, waarbij het bouwplan voorziet in verhoogde speeldekken, sprake kan zijn van een ¨terrein¨ als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, aanhef en onder h, van het Activiteitenbesluit . Naar het oordeel van de rechtbank is daar in dit geval sprake van. Dit betekent volgens de rechtbank dat de uitzondering van artikel 2.18, eerste lid, aanhef en onder h, van het Activiteitenbesluit van toepassing is en het stemgeluid van kinderen bij de beoordeling buiten beschouwing moeten blijven. Gelet hierop en de mogelijkheid van de school om het schoolterrein na schooltijd te sluiten, is de rechtbank eveneens van oordeel dat geen sprake is van een gebrek aan het bestreden besluit vanwege de omstandigheid dat geen omgevingsvergunning is verleend voor geluidwerende voorzieningen.

6.2.    Daargelaten de vraag of een verhoogd speelplein kan worden aangemerkt als een ¨terrein¨ als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, aanhef en onder h, van het Activiteitenbesluit, overweegt de voorzieningenrechter over de vraag of het bouwplan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening het volgende. Met het bouwplan wordt voorzien in verhoogde speelpleinen die grenzen aan de woningen en tuinen van enkele van de verzoekers. Deze speeldekken komen daarmee boven de bestaande muren uit. Als gevolg van de realisatie hiervan vrezen verzoekers een verslechtering van de geluidssituatie in de directe woonomgeving van de verhoogde schoolpleinen. Ter beoordeling staat in zoverre of de aangevallen tussenuitspraak wat betreft het oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, naar het oordeel van de voorzieningenrechter in stand kan blijven.

    Naar het  oordeel van de voorzieningenrechter heeft de rechtbank ten onrechte geen oordeel gegeven over de vraag of het bouwplan, in het bijzonder wat betreft de realisatie van de verhoogde speelpleinen, niet tot een zodanige verslechtering van de geluidssituatie leidt dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van een aanvaardvaar woon- en leefklimaat.

    De voorzieningenrechter zal hierna beoordelen of het college zich in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen en daarbij het stemgeluid van spelende kinderen voldoende heeft betrokken.

6.3.    Voor de vraag of wat betreft de geluidsbelasting een goed woon- en leefklimaat kan worden bewerkstelligt in de directe omgeving van de school heeft het college zich gebaseerd op het rapport ¨Galvanischool Den Haag; geluid naar de Omgeving¨ van 25 oktober 2017 (hierna: het akoestisch rapport). In dat rapport staat dat als uitgangspunt wordt genomen dat het geluid in de woonomgeving ten gevolge van de aanwezigheid van spelende kinderen op de beide schoolpleinen ter hoogte van de Snelliusstraat niet mag toenemen. Dit uitgangspunt komt de voorzieningenrechter niet onredelijk voor. Daarbij is van belang dat het gaat om een verbouwing van een ingevolge het bestemmingsplan toegestane school en niet om een geheel nieuwe ontwikkeling.

6.4.     In paragraaf 3.1 van het akoestisch rapport staat dat het geluid van kinderen in de nieuwe situatie zonder maatregelen meer zal uitstralen naar de woonomgeving omdat de nu bestaande muur het geluid niet meer afschermt. Om te voorkomen dat er als gevolg van het bouwplan een verslechtering van de geluidssituatie optreed, moeten er geluidwerende voorzieningen worden getroffen. Wanneer een van de varianten van de in paragraaf 3.1 en 3.2 van het akoestisch rapport beschreven maatregelen wordt getroffen, zal de geluidbelasting op de naastgelegen woningen en op de woningen aan de overzijde van de straat afnemen, aldus dit rapport.

    Ter zitting hebben het college en de Haagse Scholen gewezen op het besluit van 22 juni 2020 waarbij door het college een omgevingsvergunning is verleend voor het plaatsen van glazen afscheidingen en voorzetgevels op de verhoogde speelpleinen bij de school Galvanistraat 43. Daarmee is volgens hen verzekerd dat er ook daadwerkelijk geluidwerende voorzieningen getroffen worden ter hoogte van de verhoogde speeldekken aan de Snelliusstraat, zodat een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd.

6.5.    De voorzieningenrechter ziet in wat [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B] en anderen en [verzoeker sub 2A] en [verzoeker sub 2B] hebben aangevoerd over het akoestisch rapport en het akoestisch rapport van 17 juni 2020 van Peutz dat aan het besluit van 22 juni 2020 ten grondslag is gelegd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het treffen van zodanige voorzieningen dat de geluidssituatie niet verslechtert uiteindelijk niet mogelijk zal zijn. Het valt echter op voorhand niet uit te sluiten dat als gevolg van het bouwplan een verslechterde geluidssituatie ontstaat ter hoogte van de woningen aan de Snelliusstraat gelegen binnen de invloedssfeer van de verhoogde speelpleinen. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat in de besluiten van 21 maart 2018 en 30 april 2019 niet is geborgd, bijvoorbeeld door middel van een daartoe strekkend voorschrift, dat adequate geluidwerende voorzieningen moeten zijn getroffen voordat de speeldekken in gebruik genomen mogen worden. Hiermee staat dus niet vast dat die geluidwerende voorzieningen er komen en dat de geluidssituatie ter plaatse niet verslechtert. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat het college zich onder verwijzing naar het akoestisch rapport op het standpunt heeft gesteld dat het geluid als gevolg van de in het bouwplan voorziene speeldekken meer zal uitstralen naar de woonomgeving en dat het om die reden uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk is om geluidwerende voorzieningen te treffen.

6.6.    Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zal de aangevallen tussenuitspraak en daarmee de einduitspraak op dit punt in de hoofdzaak niet in stand blijven. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening toe te wijzen.

7.    Het college wordt op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten veroordeeld.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van den Haag van 21 maart 2018, kenmerk B.2.17.2147.001, B.2.17.2146.005,

B.2.17.2147.006, en het besluit van het college van burgemeester en wethouders van den Haag van 30 april 2019, kenmerk B.2.17.2147.001 t/m B.2.17.2147.007;

II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van den Haag tot vergoeding van bij [verzoeker sub 2A] en [verzoeker sub 2B] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.050,00 (zegge: duizendvijftig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van den Haag aan verzoekers het door hen voor de behandeling van de verzoeken betaalde griffierecht ten bedrage van € 265,00 (zegge: tweehonderdvijfenzestig euro) voor [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B] en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen, en € 265,00 (zegge: tweehonderdvijfenzestig euro) voor [verzoeker sub 2A] en [verzoeker sub 2B] vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, griffier.

De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 29 september 2020

270-901.