Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2270

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-09-2020
Datum publicatie
23-09-2020
Zaaknummer
202000512/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2019:9663, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 november 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam [appellante] uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen (hierna: de brp) per 3 september 2018. [appellante] stond ingeschreven op het adres [locatie] in Rotterdam. Bij besluit van 8 november 2018 heeft het college haar op grond van artikel 2.22 van de Wet brp per 3 september 2018 uitgeschreven uit de brp. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat zij geen aangifte van adreswijziging heeft doorgegeven en er na onderzoek geen feitelijke verblijfplaats van haar bekend is. Het college heeft het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Omdat in bezwaar vast is komen te staan dat [appellante] gedurende elf maanden op Curaçao verbleef, heeft het college de rechtsgrondslag van de uitschrijving gewijzigd en haar op grond van artikel 2.21, tweede lid, van de Wet brp uitgeschreven wegens verblijf in het buitenland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module BRP 2020/2086
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202000512/1/A3.

Datum uitspraak: 23 september 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Rotterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 december 2019 in zaak nr. 19/1748 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 8 november 2018 heeft het college [appellante] uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen (hierna: de brp) per 3 september 2018.

Bij besluit van 7 maart 2019 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 december 2019 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 augustus 2020, waar [appellante], bijgestaan door mr. G.A.S. Maduro, advocaat te Rotterdam, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. P.A.M. Badal, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellante] stond ingeschreven op het adres [locatie] in Rotterdam. Bij besluit van 8 november 2018 heeft het college haar op grond van artikel 2.22 van de Wet brp per 3 september 2018 uitgeschreven uit de brp. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat zij geen aangifte van adreswijziging heeft doorgegeven en er na onderzoek geen feitelijke verblijfplaats van haar bekend is. Het college heeft het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Omdat in bezwaar vast is komen te staan dat [appellante] gedurende elf maanden op Curaçao verbleef, heeft het college de rechtsgrondslag van de uitschrijving gewijzigd en haar op grond van artikel 2.21, tweede lid, van de Wet brp uitgeschreven wegens verblijf in het buitenland.

Aangevallen uitspraak

2.    De rechtbank heeft overwogen dat vaststaat dat [appellante] in 2018 langer dan twee derde van het jaar buiten Nederland heeft verbleven. Gelet hierop heeft het college haar terecht op grond van artikel 2.21, tweede lid, van de Wet brp uitgeschreven. De door [appellante] gestelde omstandigheden kunnen volgens de rechtbank, hoe betreurenswaardig deze ook zijn, daarbij geen rol spelen. Net zomin als haar intentie om op 5 september 2018 terug te keren naar Nederland. Artikel 2.21 van de Wet brp schrijft dwingend voor dat de bijhoudingsgemeente zorgdraagt voor uitschrijving indien de ingezetene in gebreke blijft zelf melding te doen. Voor het maken van een belangenafweging bij de vraag of een persoon al dan niet buiten zijn schuld langer dan twee derde van het jaar in het buitenland verblijft, is geen plaats.

Beoordeling gronden

3.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het door het college verrichte adresonderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. Daartoe voert zij aan dat een mutatierapport van de politie aanleiding vormde voor het instellen van het onderzoek naar haar adres. Volgens [appellante] is het door de politie verrichte onderzoek onzorgvuldig geweest en had het college dat moeten controleren. Het college is daarom ten onrechte uitgegaan van het mutatierapport dat door de politie is opgemaakt. Voorts is het bronnenonderzoek onvolledig geweest, omdat [appellante] haar woning hier nog had en nog steeds betaalde voor haar ziektekostenverzekering, huur en dergelijke.

3.1.    Artikel 2.21, eerste lid, van de Wet brp luidt: "Aan de aangifte van vertrek van de ingezetene die naar redelijke verwachting gedurende een jaar ten minste twee derde van de tijd buiten Nederland zal verblijven, worden gegevens betreffende het vertrek uit Nederland en het volgende verblijf buiten Nederland ontleend."

    Het tweede lid luidt: "Indien de ingezetene in gebreke is met het doen van aangifte, draagt het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente ambtshalve zorg voor opneming van gegevens betreffende het vertrek en het volgende verblijf buiten Nederland. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd de gegevens alsnog aan de aangifte van de ingezetene te ontlenen, indien de aangifte na afloop van de aangiftetermijn geschiedt."

    Artikel 2.22, eerste lid, van de Wet brp luidt: "Indien een ingezetene niet kan worden bereikt, van hem geen aangifte van wijziging van zijn adres of van vertrek is ontvangen als bedoeld in artikel 2.20, eerste lid, of 2.21, eerste lid, en na gedegen onderzoek geen gegevens over hem kunnen worden achterhaald betreffende het verblijf in Nederland, het vertrek uit Nederland noch het volgende verblijf buiten Nederland, draagt het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente ambtshalve zorg voor de opneming van het gegeven van het vertrek van de ingezetene uit Nederland."

    Het tweede lid luidt: "Als datum van vertrek uit Nederland en van opheffing van het adres wordt de dag opgenomen waarop het [desbetreffende] voornemen tot ambtshalve opneming van gegevens over het vertrek is bekendgemaakt."

3.2.    Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet brp (Kamerstukken II 2011/12, 33 219, nr. 3, p. 42) volgt dat niet lichtvaardig tot ambtshalve opschorting van de bijhouding van een persoonslijst mag worden overgegaan, omdat dit voor de ingeschrevene betekent dat de verschillende overheidsorganen (en derden) er in beginsel van uitgaan dat hij niet meer in Nederland verblijft en zij zullen bijvoorbeeld uitkeringen en andere vormen van dienstverlening ten behoeve van betrokkene in beginsel stopzetten. Een opschorting van de bijhouding van de persoonslijst kan dan ook niet eerder plaatsvinden dan nadat een gedegen onderzoek geen nieuwe gegevens heeft opgeleverd over het verblijf in Nederland, het vertrek uit Nederland, noch het verblijf buiten Nederland van betrokkene. Voor het uitvoeren van het onderzoek zal een protocol worden ontwikkeld.

3.3.    Dat protocol is het Protocol adresonderzoek door het college van burgemeester en wethouders (hierna: het Protocol), dat per 1 november 2018 is vervangen door de Circulaire Adresonderzoek BRP. In het Protocol staat onder meer dat een college een adresonderzoek start als twijfel bestaat over de juistheid van het adres van een ingezetene zoals dat in de brp staat geregistreerd. Het onderzoek dat volgt is een onderzoek als bedoeld in artikel 2.22, eerste lid, van de Wet brp naar de verblijfplaats van de betrokken persoon. De aanleiding voor een adresonderzoek kan onder meer zijn dat een college een signaal ontvangt dat een persoon niet langer op het adres woont waar hij in de brp staat ingeschreven. De eerste actie in het kader van het adresonderzoek is in beginsel om de betrokkene te benaderen en te wijzen op de plicht om aangifte te doen van adres en verblijf of adreswijziging, op grond van de Wet brp. Als betrokkene niet verschijnt of reageert, geen aangifte van verhuizing of vertrek doet of wel reageert, maar uit die reactie niet afgeleid kan worden op welk adres hij nu wel woont, dan is dat aanleiding voor een college om het adresonderzoek uit te breiden. De twee mogelijkheden voor uitbreiding van het adresonderzoek zijn: informatie inwinnen bij andere bronnen en feitelijk onderzoek ter plaatse uitvoeren, aldus het Protocol.

3.4.    Uit de uitspraken van de Afdeling van 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:977, en 17 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2270, volgt dat één van de ingevolge artikel 2.22, eerste lid, van de Wet brp geldende vereisten om ambtshalve het gegeven van het vertrek van een ingezetene uit Nederland in de brp te kunnen opnemen is, dat die ingezetene niet daadwerkelijk woont, en derhalve niet in persoon bereikbaar is, op zijn in de brp geregistreerde woonadres. Uit artikel 2.22, tweede lid, gelezen in samenhang met het eerste lid, van de Wet brp volgt dat aan dit vereiste moet zijn voldaan op de dag waarop het desbetreffende voornemen tot ambtshalve opneming in de brp van het gegeven van het vertrek uit Nederland wordt bekendgemaakt. Het adresonderzoek strekt er onder meer toe te onderzoeken of aan dit vereiste is voldaan. Artikel 2.22, eerste lid, vereist dat dit onderzoek gedegen is.

3.5.    Het mutatierapport van de politie heeft aanleiding gevormd om onderzoek in te stellen naar het adres van [appellante]. De inhoud van dat rapport is echter niet betrokken bij de besluitvorming. Het college heeft naar aanleiding van het signaal in het mutatierapport immers zelfstandig onderzoek verricht naar het adres van [appellante] en heeft daarop zijn besluit tot uitschrijving uit de Brp gebaseerd. Reeds daarom hoefde het college geen onderzoek te verrichten naar de zorgvuldigheid van het mutatierapport van de politie.

3.6.    [appellante] kan voorts niet worden gevolgd in haar betoog dat het bronnenonderzoek onvolledig is geweest. Het college is op 3 september 2018 een onderzoek gestart als bedoeld in artikel 2.22 van de Wet brp. Daartoe zijn meerdere interne bronnen (Key2Burgerzaken, Zakenmagazijn, de Afsprakenmodule, Stroomlijn) en externe bronnen (Suwinet en Facebook) geraadpleegd om contactgegevens te vinden van [appellante] alsmede een mogelijk ander woonadres dan wel een aangifte van adreswijziging. Het systeemonderzoek heeft een e-mailadres en telefoonnummer van [appellante] opgeleverd. Het college heeft haar een e-mail gestuurd en getracht te bellen. Het telefoonnummer bleek niet in gebruik. Voorts heeft het college haar op 3 september 2018 een brief verstuurd met het verzoek om een adreswijziging door te geven, dan wel het formulier verklaring woonadres ingevuld te retourneren. Ook heeft het college in die brief het voornemen kenbaar gemaakt om over te gaan tot het opschorten van de bijhouding van de persoonslijst van [appellante] in de basisregistratie personen bij het uitblijven van een reactie.

    Op 26 september 2018 heeft [appellante] per e-mail een ingevuld formulier verklaring woonadres - met dagtekening 18 september 2018 - opgestuurd voorzien van een scan van haar paspoort. Het college heeft de verklaring woonadres met dagtekening 18 september 2018 en een kopie van haar paspoort eveneens per post ontvangen op 4 oktober 2018.

    Na twee eerdere pogingen werd op 3 oktober 2018 iemand aangetroffen op het adres en is gesproken met de zoon van [appellante], die verklaarde dat zij naar het buitenland is voor een voor hem onbekende tijd.

3.7.    Gezien het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat het college bij het adresonderzoek in overeenstemming met het Protocol [appellante] heeft benaderd en haar heeft gewezen op de plicht om aangifte te doen van adres en verblijf of adreswijziging, op grond van de Wet brp. Voorts is het college overgegaan tot uitbreiding van het adresonderzoek. Daarvoor had het college twee mogelijkheden. Het college heeft, nadat het eerder diverse interne en externe bronnen had geraadpleegd, gekozen voor een feitelijk onderzoek ter plaatse. Aldus heeft gedegen onderzoek plaatsgevonden.

3.8.    Het betoog faalt.

4.    Verder betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college haar terecht heeft uitgeschreven op grond van artikel 2.21, tweede lid, van de Wet brp. Daartoe voert zij aan dat zij nooit aangifte van vertrek als bedoeld in het eerste lid van dat artikel heeft gedaan. Zij heeft nooit de intentie gehad om niet terug te keren uit Curaçao. Zij was van plan terug te keren in september, maar bleef langer wegens de ziekte en het overlijden van haar broer. Artikel 2.21, tweede lid, van de Wet brp noemt geen termijn voor de uitschrijving wanneer iemand in gebreke blijft om aangifte van vertrek te doen. Voorts betwist zij de verklaring van haar zoon dat zij voor onbekende tijd in het buitenland zou verblijven en voorlopig niet terug zou keren. Die verklaring is niet door haar zoon ondertekend. Het college had telefonisch dan wel per mail met haar contact op kunnen nemen om te vragen of zij Nederland daadwerkelijk had verlaten.

4.1.    Bij het besluit van 7 maart 2019 heeft een volledige heroverweging plaatsgevonden, op grond waarvan het college de rechtsgrondslag van de uitschrijving heeft gewijzigd en [appellante] op grond van artikel 2.21, tweede lid, van de Wet brp heeft uitgeschreven wegens verblijf in het buitenland. Er behoeft daarom geen afzonderlijke beoordeling meer plaats te vinden of is voldaan aan de drie cumulatieve vereisten van artikel 2.22, eerste lid, van de Wet brp.

    Niet in geschil is dat [appellante] geen aangifte van vertrek heeft gedaan en voor de duur van elf maanden in het buitenland heeft verbleven. Ter zitting bij de Afdeling heeft [appellante] toegelicht dat zij in december 2017 is vertrokken naar Curaçao. Sinds 30 november 2018 is zij weer in Nederland. Uit het verslag van het huisbezoek op 3 oktober 2018 blijkt dat de zoon van [appellante] heeft verklaard dat zij voor onbekende tijd in het buitenland verblijft en voorlopig niet terug zal komen. Hoewel [appellante] deze verklaring betwist, ontkent zij niet dat zij op dat moment op Curaçao verbleef. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college [appellante] terecht bij besluit van 7 maart 2019 heeft uitgeschreven op grond van artikel 2.21, tweede lid, van de Wet brp. Het college heeft bij de toepassing van artikel 2.21, tweede lid, van de Wet brp geen beleidsruimte. Daardoor heeft het college geen ruimte om de intentie van [appellante] om eerder terug te keren en de bijzondere omstandigheden waardoor zij langer in het buitenland heeft verbleven bij het besluit mee te wegen. Bovendien zou [appellante], ook wanneer zij volgens haar intentie op 5 september 2018 was teruggekeerd, meer dan twee derde van het jaar in het buitenland hebben verbleven.

4.2.    Het betoog faalt.

Conclusie en proceskosten

5.    Het hoger beroep is ongegrond.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. van Deventer-Lustberg, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2020

587.