Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2249

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-09-2020
Datum publicatie
16-09-2020
Zaaknummer
201803820/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij tussenuitspraak van 18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4340, heeft de Afdeling de raad van de gemeente Alphen aan den Rijn opgedragen om binnen 16 weken na de verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van hetgeen daarin onder 14 en 23 is overwogen, de daar omschreven gebreken in het besluit van de raad van 22 februari 2018, waarbij het bestemmingsplan "Alphen Stad" is vastgesteld, te herstellen. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak onder 12.3 overwogen dat niet duidelijk uit de verbeelding in samenhang gezien met de planregels blijkt dat geen evenementen zijn toegestaan op de locatie Zegerplas. Nu blijkt dat de raad niet heeft bedoeld op de Zegerplas al evenementen toe te staan, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid, aldus de Afdeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2020/8352
Milieurecht Totaal 2020/7175
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201803820/2/R3.
Datum uitspraak: 16 september 2020

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. appellant sub 1], wonend te Alphen aan den Rijn,

2. [ appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], beiden wonend te Alphen aan den Rijn,

3. [ appellant sub 3] en anderen, allen wonend te Alphen aan den Rijn,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Alphen aan den Rijn,

verweerder.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4340, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na de verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van hetgeen daarin onder 14 en 23 is overwogen, de daar omschreven gebreken in het besluit van de raad van 22 februari 2018, waarbij het bestemmingsplan "Alphen Stad" is vastgesteld, te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 26 maart 2020 heeft de raad ter uitvoering van de tussenuitspraak het bestemmingsplan opnieuw, gewijzigd, vastgesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [appellant sub 1], [appellanten sub 2] en [appellant sub 3] en anderen daarover een zienswijze naar voren gebracht.

De meervoudige kamer van de Afdeling heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

[appellant sub 1] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft partijen telefonisch gehoord op 8 juli 2020. Aan deze telefonische hoorzitting hebben mr. G.J.M. Immens, rechtsbijstandverlener te Leiden, en [appellant sub 1] namens [appellant sub 1], mr. I.J.H. Edelmann-Bouwman, rechtsbijstandverlener te ’s-Hertogenbosch, en [appellant sub 2A] namens [appellanten sub 2], [appellant sub 3] namens [appellant sub 3] en anderen en R.A. Noorhoff, T. Jacobs en ing. F.G.A. Oldeman namens de raad deelgenomen.

Overwegingen

Tussenuitspraak

1. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak onder 12.3 overwogen dat niet duidelijk uit de verbeelding in samenhang gezien met de planregels blijkt dat geen evenementen zijn toegestaan op de locatie Zegerplas. Nu blijkt dat de raad niet heeft bedoeld op de Zegerplas al evenementen toe te staan, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid, aldus de Afdeling. Daarnaast heeft de Afdeling in de tussenuitspraak onder 12.4 overwogen dat anders dan artikel 3.1.2, tweede lid, onder a, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) voorschrijft, in de planregel niet is aangegeven op de uitoefening van welke bevoegdheid artikel 38, lid 38.2, onder i, van de planregels betrekking heeft. Gelet hierop is het plan in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3.1.2, tweede lid, onder a, van het Bro, aldus de Afdeling.

Voorts heeft de Afdeling in de tussenuitspraak onder 18.2 overwogen dat de toegestane oppervlakte voor hoofdgebouwen op het perceel van [appellanten sub 2], niet gedragen kan worden door de daaraan door de raad ten grondslag gelegde motivering. Bovendien heeft de raad zich bij brief van 31 oktober 2019 op een ander standpunt gesteld dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan, terwijl niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, aldus de Afdeling. Daarom heeft de Afdeling geoordeeld dat het bestreden besluit op dit punt onvoldoende is gemotiveerd en niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Verder heeft de Afdeling in de tussenuitspraak onder 19.1 overwogen dat het toegestane aantal woningen op het perceel van [appellanten sub 2] niet gedragen kan worden door de daaraan door de raad ten grondslag gelegde motivering. Bovendien heeft de raad zich bij brief van 31 oktober 2019 op een ander standpunt gesteld dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan, terwijl niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, aldus de Afdeling. Daarom heeft de Afdeling geoordeeld dat het bestreden besluit op dit punt onvoldoende is gemotiveerd en niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

2. Gelet op wat in de tussenuitspraak onder 12.3 en 12.4 is overwogen is het besluit van 22 februari 2018, voor zover dat ziet op de vaststelling van het planonderdeel met de aanduiding "overige zone - evenementen" voor de Zegerplas en het planonderdeel artikel 38, lid 38.2, onder i, van de planregels, genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) respectievelijk artikel 3.1.2, tweede lid, onder a, van het Bro. De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 3] en anderen zijn gegrond, zodat het besluit van 22 februari 2018 in zoverre dient te worden vernietigd.

Tevens is gelet op wat in de tussenuitspraak onder 18.2 en 19.1 is overwogen het besluit van 22 februari 2018, voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel dat betrekking heeft op het perceel [locatie] te Alphen aan den Rijn, genomen in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb. Het beroep van [appellanten sub 2] is gegrond, zodat het besluit van 22 februari 2018 in zoverre dient te worden vernietigd.

3. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen de hiervoor vermelde gebreken te herstellen. De raad diende daartoe, met inachtneming van hetgeen onder 12.3 van de tussenuitspraak is overwogen, het plan zo aan te passen dat ter plaatse van de locatie Zegerplas geen evenementen mogelijk zijn. Daarnaast diende de raad met inachtneming van hetgeen onder 12.4 van de tussenuitspraak is overwogen, een nieuwe regeling voor de maximaal toegestane geluidsbelasting op gevels van woningen van derden vanwege evenementen te treffen. Voorts diende de raad met inachtneming van hetgeen onder 18.2 en 19.1 van de tussenuitspraak is overwogen, alsnog in de verbeelding aan een gedeelte van het perceel van [appellanten sub 2] zoals de raad had beoogd, de aanduidingen "maximum aantal woningen: 4" en "maximum bebouwd oppervlakte: 390 m2" toe te kennen en daartoe een gewijzigde planregeling op te nemen.

Herstelbesluit

4. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad het bestemmingsplan "Alphen Stad" gewijzigd vastgesteld.

De raad heeft artikel 38, lid 38.2, onder a, van de planregels voor wat betreft de locatie Zegerplas gewijzigd. Ter plaatse van de locatie Zegerplas is bij het maximum aantal evenementendagen, het maximum aantal op- en afbouwdagen en het maximum aantal personen in plaats van pro memorie het cijfer nul vermeld.

Daarnaast heeft de raad artikel 38, lid 38.2, onder i, van de planregels gewijzigd. Deze bepaling luidt als volgt:

"i. De maximale geluidbelasting op gevels van woningen van derden bedraagt niet meer dan is aangegeven in onderstaande tabel:

Voorts heeft de raad de verbeelding gewijzigd voor wat betreft het perceel aan de [locatie] te Alphen aan den Rijn. Aan het perceel is de extra aanduiding "maximum aantal wooneenheden: 4" toegekend. Voorts is aan een deel van het perceel de extra aanduiding "maximum bebouwd oppervlak: 390 m2" toegekend.

Tevens heeft de raad aan artikel 7, lid 7.3, van de planregels sub e en f toegevoegd. Deze bepalingen luiden als volgt:

"e. in afwijking van het bepaalde in artikel 7.2 sub b geldt ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal wooneenheden" het maximum aantal wooneenheden zoals aangegeven op de verbeelding;

f. in afwijking van het bepaalde in artikel 7.2 sub c geldt ter plaatse van de aanduiding "maximum vloeroppervlakte" het maximum bruto vloeroppervlakte zoals aangegeven op de verbeelding."

5. Artikel 6:19, eerste lid, van de Awb luidt:

"Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben."

6. De Afdeling stelt vast dat het besluit van 26 maart 2020 een besluit tot vervanging van het oorspronkelijk bestreden besluit is en dat dit besluit ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb onderdeel van dit geding is. De beroepen van [appellant sub 1], [appellanten sub 2] en [appellant sub 3] en anderen zijn van rechtswege mede gericht tegen dit besluit.

Het beroep van [appellanten sub 2] tegen het herstelbesluit

7. [ appellanten sub 2] betogen in hun zienswijze dat artikel 7, lid 7.3, sub f, van de planregels voor verwarring zorgt, doordat hierin is bepaald dat ter plaatse van de aanduiding "maximum vloeroppervlakte" het maximum bruto vloeroppervlakte geldt. Op de verbeelding is aan hun perceel niet de aanduiding "maximum vloeroppervlakte" maar de aanduiding "maximum bebouwd oppervlak (m2) = 390" toegekend. Volgens hen was dit ook met het gemeentebestuur afgesproken. Zij stellen daarnaast dat "maximum vloeroppervlakte" niet eenduidig is gedefinieerd, waardoor er verschil in interpretatie kan ontstaan.

7.1. De raad stelt dat de aanduiding "maximum vloeroppervlakte" in artikel 7, lid 7.3, sub f, van de planregels een kennelijke verschrijving betreft. Zoals [appellanten sub 2] betogen, is bedoeld het bebouwd oppervlak. De planregel moet volgens de raad als volgt luiden: "f. in afwijking van het bepaalde in 7.2 sub c geldt ter plaatse van aanduiding 'maximum bebouwd oppervlak (m2)' het maximum bebouwd oppervlak zoals aangegeven op de verbeelding."

7.2. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt heeft gesteld dan in het bestreden besluit, zonder dat gewijzigde feiten of omstandigheden daar aanleiding toe hebben gegeven, is het besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid, hetgeen in strijd is met artikel 3:2 van de Awb.

Het betoog slaagt.

8. De Afdeling heeft onder 24 van de tussenuitspraak de beslissing op de beroepsgrond van [appellanten sub 2] over de gevreesde waardevermindering van hun perceel nog opengelaten. [appellanten sub 2] hebben aangevoerd dat de beperkingen in gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden leiden tot een forse waardevermindering van hun perceel.

8.1. Met hetgeen [appellanten sub 2] hebben aangevoerd, acht de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat de waardevermindering van hun perceel zodanig zal zijn dat de raad hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat door middel van het herstelbesluit 4 woningen op het perceel van [appellanten sub 2] mogelijk worden gemaakt met een bebouwde oppervlakte van 390 m2.

Het betoog faalt.

9. Het beroep van [appellanten sub 2] tegen het besluit van 26 maart 2020 is gegrond. Het besluit van 26 maart 2020 dient te worden vernietigd, wat artikel 7, lid 7.3, sub f, van de planregels betreft.

9.1. De Afdeling ziet aanleiding om in zoverre met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb op na te melden wijze zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit.

9.2. Uit een oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Bro, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

10. De raad dient ten aanzien van [appellanten sub 2] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

De beroepen van [appellant sub 1] en van [appellant sub 3] en anderen tegen het herstelbesluit

11. [ appellant sub 1] betoogt in zijn zienswijze dat rondom de Zegerplas nog veel evenementen met het hoge geluidniveaus mogelijk zijn, waardoor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet is gegarandeerd. Volgens hem zijn hier 68 evenementen toegestaan met 183 opbouw- en afbouwdagen per jaar en mogen omliggende sportverenigingen maximaal 6 keer per jaar buiten versterkte muziek maken, wat volgens hem veel te hoge aantallen zijn. Daarnaast voert hij aan dat de in de planregels opgenomen geluidnormen voor evenementen van 80 dB(A) en 95 dB(C) te hoog zijn. Hij stelt dat de norm van 95 dB(C) het meest storend is gelet op de infrasone bassen. Volgens hem is een norm van maximaal 60 dB(C) toelaatbaar. Hij wijst op de recent gehouden evenementen ‘Das Winterfest’ en het ‘Winterlake Festival’ op het terrein van de dagcamping, waarbij het geluid nog in de omliggende dorpen te horen was. Volgens [appellant sub 1] zijn de in het bestemmingsplan opgenomen geluidnormen ook veel hoger dan de geluidnormen die in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) worden gehanteerd. Voorts zijn de geluidnormen hoger dan in de gemeente Amsterdam worden gehanteerd. Verder is het evenementenbeleid niet voor een ieder ter inzage gelegd voor inspraak, aldus [appellant sub 1]. De controle op de naleving van de normen is volgens hem voorts ook zeer mager.

[appellant sub 3] en anderen betogen in hun zienswijze dat het aantal evenementen rondom de Zegerplas nog te hoog is. Daarbij wijzen zij op de locatie recreatieterrein T-steiger. Voorts betogen zij dat de in het plan opgenomen geluidbelasting van 80 dB(A) en 95 dB(C) op gevels van woningen van derden bij evenementen, niet aanvaardbaar is. Zij wijzen hierbij op de lage bastonen die ver over open water dragen. Volgens hen is een geluidbelasting van maximaal 70 dB(C) toelaatbaar.

11.1. De raad stelt dat het plan een vertaling vormt van het door hem op 20 april 2017 vastgestelde evenementenbeleid. Om de overlast voor de omgeving te beperken zijn in het beleid richtlijnen gesteld voor geluid die het gemeentebestuur aanvaardbaar acht vanwege de maatschappelijke waarde van evenementen en de beperkende maatregelen die gesteld worden aan evenementen. Door het aantal evenementdagen per locatie te beperken en na meerdere middelgrote en grote evenementen in een week een rustweek in te bouwen worden, zo is in het beleid vermeld, omwonenden beschermd. Door spreiding van locaties over de gemeente en beperking in dagen is hierbij volgens het beleid de overlast per locatie beperkt. De beperkingen in het aantal dagen, geluidniveaus, begin- en eindtijden en bezoekersaantallen die zijn opgenomen in het evenementenbeleid en voorts zijn verankerd in de planregels van het bestemmingsplan, vormen zodanige voorwaarden voor de toegestane evenementen dat deze geen onaanvaardbare hinder meebrengen voor de directe leefomgeving van omwonenden, aldus de raad. Een maximale invulling van het aantal evenementen dat door het plan mogelijk wordt gemaakt leidt volgens de raad dan ook niet tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden.

11.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in bijvoorbeeld de uitspraak van 20 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW8858, ligt het op de weg van de planwetgever om een beoordeling en afweging te maken of een bestemming die evenementen op een bepaalde locatie toestaat vanuit ruimtelijk oogpunt is aangewezen. Ook dient deze omtrent onder meer het toegestane aantal evenementen per jaar en de maximale bezoekersaantallen, voorschriften te stellen voor zover dat uit een oogpunt van ruimtelijke aanvaardbaarheid op een locatie van belang is. Deze beoordeling en afweging is een andere dan die op grond waarvan, in een concreet geval, voor een evenement al dan niet vergunning op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: APV) wordt verleend. Regulering van evenementenvergunningen in de APV geschiedt immers met name vanuit het oogpunt van handhaving van de openbare orde, en waarborgt niet de vereiste planologische rechtszekerheid.

11.3. Bij de vaststelling van de in artikel 38, lid 38.2, van de planregels opgenomen regeling heeft de raad het op 20 april 2017 vastgestelde Evenementenbeleid Alphen aan den Rijn tot uitgangspunt genomen.

In paragraaf 3.4 van het Evenementenbeleid zijn onder meer de volgende richtlijnen voor geluid opgenomen:

"II. Middelgrote evenementen (100-1.000 personen) Geluidsbelasting op gevels van woningen van derden:

• gemiddelde geluidsniveau (Leq,T) niet hoger zijn dan 80 dB(A) én 95 dB(C).

III. Grote evenementen (> 1.000 personen) Geluidsbelasting op gevels van woningen van derden:

• gemiddelde geluidsniveau (Leq,T) niet hoger zijn dan 80 dB(A) én 95 dB(C);".

In Bijlage 1 Evenementenlocaties zijn locaties opgenomen die structureel gebruikt kunnen worden voor middelgrote en grote evenementen en is daarnaast een beperking opgenomen op het aantal evenementdagen (inclusief op- en afbouw) per jaar met daarbij een beperking op basis van risico-indeling en een beperking op opeenvolgende dagen.

11.4. Voor zover [appellant sub 1] heeft betoogd dat het Evenementenbeleid niet voor een ieder ter inzage is gelegd voor inspraak, heeft de raad aannemelijk gemaakt dat het concept-evenementenbeleid vanaf donderdag 22 december 2016 zes weken ter inzage heeft gelegen, dat daarvan kennis is gegeven in het gemeentelijke huis-aan-huisblad en dat gedurende deze termijn een ieder in de gelegenheid is gesteld om zienswijzen in te dienen.

Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 1] dat, naar hij stelt, de geluidnormen hoger zijn dan de normen die in de gemeente Amsterdam worden gehanteerd, overweegt de Afdeling dat de raad beschikt over eigen beleidsruimte en in dat kader niet is gebonden aan normen die in de gemeente Amsterdam worden gehanteerd.

Over het betoog van [appellant sub 1] dat de opgenomen geluidnormen hoger zijn dan de geluidnormen van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit, overweegt de Afdeling dat deze normen hier niet van toepassing zijn, omdat deze betrekking hebben op inrichtingen. De raad heeft evenmin aansluiting bij deze normen hoeven zoeken. De normen van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit zijn geschreven voor geluid dat zich op alle dagen voor kan doen, terwijl de evenementen slechts op een beperkt aantal dagen per jaar plaatsvinden. Dit betoog van [appellant sub 1] geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid van een hogere geluidnorm heeft kunnen uitgaan dan de geluidnormen van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit.

In paragraaf 3.4 van het Evenementenbeleid zijn richtlijnen voor het geluid van evenementen opgenomen. In bijlage 1 van het Evenementenbeleid zijn locaties opgenomen die structureel gebruikt kunnen worden voor middelgrote en grote evenementen, met een beperking op het aantal evenementdagen. Er is sprake van een spreiding van locaties rondom de Zegerplas en een beperking per locatie tot 3-12 evenementen in categorie A, 0-12 evenementen in categorie B en 0-12 evenementen in categorie C. In wat [appellant sub 1] en [appellant sub 3] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad deze richtlijnen en aantallen binnen het kader van zijn beleidsruimte niet in redelijkheid in het Evenementenbeleid heeft kunnen opnemen.

De in artikel 38, lid 38.2, van de planregels opgenomen geluidnormen en de aantallen evenementen die daarin zijn opgenomen voor de door [appellant sub 1] en [appellant sub 3] en anderen bedoelde locaties rondom de Zegerplas, corresponderen met de in paragraaf 3.4 respectievelijk bijlage 1 van het Evenementenbeleid opgenomen richtlijnen en aantallen. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd met het Evenementenbeleid is vastgesteld.

Wat [appellant sub 1] en [appellant sub 3] en anderen hebben aangevoerd, levert voorts geen bijzondere omstandigheden op, op grond waarvan de raad bij de vaststelling van het plan in redelijkheid van dit beleid had moeten afwijken. Daarbij betrekt de Afdeling dat het herstelbesluit geen evenementen op de Zegerplas mogelijk maakt. Verder hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 3] en anderen weliswaar gesteld dat het geluid over het water ver draagt, maar de evenementenlocaties langs de Zegerplas liggen op een afstand van ten minste ongeveer 340 meter van de woningen van appellanten, terwijl bij het evenemententerrein "Dagcampingterrein en T-steiger Zegersloot" op een kortere afstand dan de woningen van appellanten eveneens woningen liggen, die daarom maatgevend zijn voor de toegestane geluidbelasting.

De raad heeft zich gelet op het voorgaande in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met de in artikel 38, lid 38.2, van de planregels opgenomen geluidnormen en de aantallen evenementen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat van omwonenden is gewaarborgd.

De betogen falen.

12. De Afdeling heeft onder 15 van de tussenuitspraak, gelet op de samenhang met de daarin geconstateerde gebreken, de beslissing op de beroepsgronden over de gevolgen van de evenementen voor het woon- en leefklimaat van [appellant sub 1] en [appellant sub 3] en anderen, waaronder de beroepsgronden over parkeren, verkeer, veiligheid en openbare orde, alsmede de beslissing op de beroepsgrond over de gevreesde waardevermindering van de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 3] en anderen nog opengelaten. Op deze beroepsgronden zal de Afdeling hierna ingaan.

12.1. [appellant sub 1] en [appellant sub 3] en anderen hebben aangevoerd dat zij verkeersoverlast ondervinden van de evenementen die het plan mogelijk maakt. Voorts hebben zij aangevoerd dat niet duidelijk is of er voldoende parkeergelegenheid is en of de verkeersdoorstroming, veiligheid en openbare orde voldoende kunnen worden gewaarborgd.

12.2. De raad stelt dat bij de vaststelling van het Evenementenbeleid een beoordeling heeft plaatsgevonden van de te verwachten parkeer- en verkeersdruk ten gevolge van de toegestane evenementen rondom de Zegerplas. De meeste (middel)grote evenementen rondom de Zegerplas trekken in de eerste plaats lokale bezoekers, die voor het merendeel per fiets of lopend komen. Bezoekers die wel met de auto komen, parkeren meestal op de bestaande parkeerlocaties in de directe omgeving, zoals die bij de sportverenigingen en de begraafplaats. Uit eerdere evaluaties blijkt dat er met de bestaande parkeerlocaties en verkeersregelaars, incidentele gevallen daargelaten, geen parkeerproblemen ontstaan bij evenementen, aldus de raad. De raad stelt verder dat de Barnsteenstraat, waar [appellant sub 1] woont, aan de andere zijde van de Zegerplas is gelegen, vanaf waar het ongeveer 15 tot 30 minuten lopen is tot het dichtstbijzijnde evenemententerrein.

12.3. [appellant sub 1] en [appellant sub 3] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat zich op grond van het plan in de nabijheid van hun woningen een zodanige parkeer- en verkeersdruk zal voordoen, dat de raad zich met de hiervoor genoemde onderbouwing niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot een onaanvaardbare parkeer- en verkeersdruk ten gevolge van evenementen rondom de Zegerplas.

De betogen falen.

12.4. Ten aanzien van de aspecten veiligheid en openbare orde overweegt de Afdeling als volgt.

De Afdeling ziet in het niet nader onderbouwde betoog van [appellant sub 1] en [appellant sub 3] en anderen geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorziene evenementen geen onevenredige gevolgen voor de veiligheid met zich brengen.

Ten aanzien van de gestelde gevolgen van de evenementen voor de openbare orde overweegt de Afdeling verder dat de vrees dat de bezoekers van de evenementen overlast zullen veroorzaken, voor zover dat in strijd met de openbare orde gebeurt, een kwestie is van handhaving die in deze procedure niet aan de orde kan komen (vergelijk de uitspraak van 9 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:41).

De betogen falen.

13. [ appellant sub 1] en [appellant sub 3] en anderen hebben aangevoerd dat de overlast als gevolg van evenementen bij de verschillende locaties rondom de Zegerplas, zal leiden tot een waardevermindering van hun woningen.

13.1. Met hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 3] en anderen hebben aangevoerd, acht de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat de waardevermindering van hun woningen zodanig zal zijn dat de raad hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan.

De betogen falen.

14. De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 3] en anderen tegen het besluit van 26 maart 2020 zijn ongegrond.

15. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 1] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 3] en anderen is van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] en [appellant sub 3] en anderen tegen het besluit van de raad van Alphen aan den Rijn van 22 februari 2018, waarbij het bestemmingsplan "Alphen Stad" is vastgesteld, gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van Alphen aan den Rijn van 22 februari 2018, waarbij het bestemmingsplan "Alphen Stad" is vastgesteld, voor zover dat ziet op de vaststelling van het planonderdeel met de aanduiding "overige zone - evenementen" voor de Zegerplas en het planonderdeel artikel 38, lid 38.2, onder i, van de planregels, alsmede voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel dat betrekking heeft op het perceel [locatie] te Alphen aan den Rijn;

III. verklaart het beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] tegen het besluit van de raad van Alphen aan den Rijn van 26 maart 2020, waarbij het bestemmingsplan "Alphen Stad" opnieuw, gewijzigd, is vastgesteld, gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de raad van Alphen aan den Rijn van 26 maart 2020, waarbij het bestemmingsplan "Alphen Stad" opnieuw, gewijzigd, is vastgesteld, voor zover dat het planonderdeel artikel 7, lid 7.3, onder f, van de planregels betreft;

V. bepaalt dat het vernietigde planonderdeel artikel 7, lid 7.3, onder f, van de planregels als volgt komt te luiden: "f. in afwijking van het bepaalde in 7.2 sub c geldt ter plaatse van aanduiding 'maximum bebouwd oppervlak (m2)' het maximum bebouwd oppervlak zoals aangegeven op de verbeelding.";

VI. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 3] en anderen tegen het besluit van de raad van Alphen aan den Rijn van 26 maart 2020, waarbij het bestemmingsplan "Alphen Stad" opnieuw, gewijzigd, is vastgesteld ongegrond;

VIII. draagt de raad van de gemeente Alphen aan den Rijn op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de onderdelen V. en VI. worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, http://www.ruimtelijkeplannen.nl.;

IX. veroordeelt de raad van de gemeente Alphen aan den Rijn tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.837,50 (zegge: achttienhonderdzevenendertig euro en vijftig cent), welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt de raad van de gemeente Alphen aan den Rijn tot vergoeding van bij [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.837,50 (zegge: achttienhonderdzevenendertig euro en vijftig cent), welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

X. gelast dat de raad van de gemeente Alphen aan den Rijn aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) voor [appellant sub 1], € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) voor [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, en € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) voor [appellant sub 3] en anderen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

w.g. Kuipers
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2020

271.