Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2235

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-09-2020
Datum publicatie
16-09-2020
Zaaknummer
201908765/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 maart 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad de aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring afgewezen. [appellant] heeft op 15 februari 2019 een urgentieverklaring aangevraagd. In het besluit van 21 maart 2019 heeft het college die aanvraag afgewezen. Daarbij heeft het college zich gebaseerd op een door een arts van Argonaut uitgebracht medisch advies van 1 mei 2018. Hoewel dit advies is gegeven in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning en niet in het kader van de aanvraag om een urgentieverklaring, is het volgens het college wel bruikbaar bij de beoordeling van de aanvraag. In het medisch advies is volgens het college opgenomen dat [appellant] ondersteuning nodig heeft voor verbetering van zijn sociale interactie, dat de mate van ondersteuning die nodig is, meer is dan bij gewone ambulante begeleiding mogelijk is en dat [appellant] in het verleden laagdrempelige ambulante begeleiding buiten de deur heeft gehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201908765/1/A3.

Datum uitspraak: 16 september 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Zaandam, gemeente Zaanstad,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 17 oktober 2019 in zaak nr. 19/2252 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad.

Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2019 heeft het college de aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring afgewezen.

Bij besluit van 24 mei 2019 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 21 maart 2019, onder aanvulling van de motivering, in stand gelaten.

Bij mondelinge uitspraak van 17 oktober 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 september 2020, waar het college, vertegenwoordigd door mr. P.H. Arnold, is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] heeft op 15 februari 2019 een urgentieverklaring aangevraagd. In het besluit van 21 maart 2019, dat bij besluit van 24 mei 2019 in stand is gelaten, heeft het college die aanvraag afgewezen. Daarbij heeft het college zich gebaseerd op een door een arts van Argonaut uitgebracht medisch advies van 1 mei 2018. Hoewel dit advies is gegeven in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning en niet in het kader van de aanvraag om een urgentieverklaring, is het volgens het college wel bruikbaar bij de beoordeling van de aanvraag. In het medisch advies is volgens het college opgenomen dat [appellant] ondersteuning nodig heeft voor verbetering van zijn sociale interactie, dat de mate van ondersteuning die nodig is, meer is dan bij gewone ambulante begeleiding mogelijk is en dat [appellant] in het verleden laagdrempelige ambulante begeleiding buiten de deur heeft gehouden. Bij het college bestaat daarom de vrees dat [appellant] zich - zonder intensieve begeleiding - niet als een goed huurder zal kunnen gedragen en dat zijn huisvestingsproblemen niet of in onvoldoende mate worden opgelost met verhuizing naar een zelfstandige woonruimte alleen. Het college heeft de aanvraag daarom afgewezen.

    In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat [appellant] een uit autisme voortvloeiende beperking heeft. De rechtbank heeft verder overwogen dat het college de aard en de gevolgen van die beperking voor de mogelijkheid om zelfstandig te wonen heeft onderbouwd met het medisch advies van 1 mei 2018. Volgens de rechtbank heeft [appellant] dat advies niet overtuigend weerlegd en heeft het college terecht het standpunt ingenomen dat op dit moment het huisvestingsprobleem van [appellant] niet met een zelfstandige woning zonder bescherming kan worden opgelost. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.

Beoordeling van het hoger beroep

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college de urgentieverklaring mocht weigeren. Hij voert aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zijn huisvestingsprobleem urgent is, omdat hij dak- en thuisloos is. [appellant] wijst er in dit verband op dat hij in 2016 niet door eigen toedoen dak- en thuisloos is geworden, maar dat zijn woning destijds door het college permanent onbewoonbaar is verklaard vanwege brandgevaar. Hierdoor is terugkeer naar deze woning niet mogelijk. Volgens [appellant] is dat reden om hem een urgentieverklaring te verlenen.

2.1.    Artikel 2.5.5, eerste lid, van de Huisvestingsverordening gemeente Zaanstad 2018 (hierna: de Huisvestingsverordening) luidt:

"1. Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring indien naar hun oordeel sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden:

a. […];

b. er is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem;

c. […]

e. het aan de aanvraag ten grondslag liggende huisvestingsprobleem is ontstaan als gevolg van een verwijtbaar doen of nalaten van aanvrager of een lid van zijn huishouden;

f. het aan de aanvraag ten grondslag liggende huisvestingsprobleem kan niet of in onvoldoende mate opgelost worden met verhuizing naar zelfstandige woonruimte of andere zelfstandige woonruimte;

g. […]."

2.2.    In het besluit op bezwaar van 24 mei 2019, waarbij de weigering van de urgentieverklaring in stand is gelaten, heeft het college de weigering gebaseerd op artikel 2.5.5, eerste lid, onder f, van de Huisvestingsverordening. Dat artikel is van toepassing als verhuizing naar een zelfstandige woonruimte een onvoldoende oplossing van het huisvestingsprobleem is. In zijn hogerberoepschrift voert [appellant] niet aan dat de besluitvorming van het college ten onrechte op deze weigeringsgrond is gebaseerd. Hij stelt alleen dat het huisvestingsprobleem urgent is en niet aan hem kan worden verweten. Zijn betoog is daarmee gericht op de weigeringsgronden die zijn genoemd in artikel 2.5.5, eerste lid, onder b en e, van de Huisvestingsverordening. Die artikelen zijn echter niet aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Het hoger beroep kan daarom niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 24 mei 2019.

    Het betoog slaagt niet.

Conclusie

3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Duifhuizen, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2020

724.