Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2231

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-09-2020
Datum publicatie
16-09-2020
Zaaknummer
201905096/1/R1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2019:4064, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 januari 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam geweigerd Florwel B.V. een omgevingsvergunning te verlenen voor het gebruiken van de begane grond, met inbegrip van een aanbouw, ten behoeve van wonen van het gebouw op het perceel [locatie] in Amsterdam. Florwel is eigenaar van het perceel en heeft op 28 oktober 2015 een omgevingsvergunning aangevraagd om de begane grond van het gebouw op het perceel, met inbegrip van de aan de tuinzijde gelegen aanbouw, te gebruiken ten behoeve van wonen. Op 25 januari 2016 heeft Florwel een omgevingsvergunning voor bouwen aangevraagd om het voormalig atelier op de begane grond van het gebouw op het perceel aan te passen ten behoeve van een woning voor kamergewijze verhuur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2020/8351
NJB 2020/2434
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201905096/1/R1.

Datum uitspraak: 16 september 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, allen wonend te Amsterdam,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 mei 2019 in zaak nr. 18/5775 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel West van de gemeente Amsterdam (hierna: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam).

Procesverloop

Bij besluit van 17 januari 2017 heeft het college geweigerd Florwel B.V. een omgevingsvergunning te verlenen voor het gebruiken van de begane grond, met inbegrip van een aanbouw, ten behoeve van wonen van het gebouw op het perceel [locatie] in Amsterdam (hierna: het perceel).

Bij afzonderlijk besluit van 17 januari 2017 heeft het college geweigerd Florwel een omgevingsvergunning te verlenen voor het verbouwen van een voormalig atelier op de begane grond van het gebouw op het perceel tot een woning.

Bij besluit, verzonden op 8 augustus 2018, heeft het college de door Florwel daartegen gemaakte bezwaren gegrond verklaard, de besluiten van 17 januari 2017 herroepen en de gevraagde omgevingsvergunningen alsnog verleend.

Bij mondelinge uitspraak van 23 mei 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen tegen de omgevingsvergunning voor het gebruik van de begane grond, met inbegrip van een aanbouw, ten behoeve van wonen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Florwel heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] en anderen en Florwel hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft partijen op 30 april 2020 telefonisch gehoord. Aan het telefonisch horen hebben [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door mr. H.A. Sarolea, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.R. Echteld, deelgenomen. Voorts heeft aan deze telefonische hoorzitting deelgenomen Florwel, vertegenwoordigd [gemachtigde], bijgestaan door mr. S. Bonnet, advocaat te Amsterdam.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heropend en de president van de rechtbank Amsterdam bij brief van 29 mei 2020 verzocht nadere schriftelijke inlichtingen te verstrekken. Bij brief van 8 juni 2020 heeft de rechtbank de opgevraagde stukken overgelegd.

[appellant] en anderen hebben een nader stuk ingediend.

Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gelaten, waarna het onderzoek is gesloten.

Overwegingen

    Inleiding

1.    In verband met de uitbraak van het coronavirus kon in deze zaak een zitting in fysieke vorm bij de Afdeling niet plaatsvinden. Om die reden zijn partijen door middel van telehoren gehoord.

2.    Florwel is eigenaar van het perceel en heeft op 28 oktober 2015 een omgevingsvergunning aangevraagd om de begane grond van het gebouw op het perceel, met inbegrip van de aan de tuinzijde gelegen aanbouw, te gebruiken ten behoeve van wonen. Op 25 januari 2016 heeft Florwel een omgevingsvergunning voor bouwen aangevraagd om het voormalig atelier op de begane grond van het gebouw op het perceel aan te passen ten behoeve van een woning voor kamergewijze verhuur.

3.    Bij besluit van 17 januari 2017 heeft het college geweigerd Florwel een omgevingsvergunning te verlenen voor het gewenste gebruik, omdat het gebruik in strijd is met het bestemmingsplan "De Baarsjes 2006" en het college niet bereid is met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdeel 9, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht van het plan af te wijken. Bij afzonderlijk besluit van 17 januari 2017 heeft het college tevens geweigerd Florwel een omgevingsvergunning te verlenen voor bouwen.

    Bij besluit, verzonden op 8 augustus 2018, heeft het college de door Florwel tegen de besluiten van 17 januari 2017 gemaakte bezwaren gegrond verklaard, die besluiten herroepen en de gevraagde omgevingsvergunning voor het gebruik van de gehele begane grond ten behoeve van wonen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2, van de Wabo alsmede de gevraagde omgevingsvergunning voor het verbouwen van het voormalig atelier ten behoeve van wonen, alsnog verleend. Aan het besluit op bezwaar heeft het college ten grondslag gelegd dat een omgevingsvergunning wordt geweigerd op gronden die zijn aangegeven in de "Beleidsregels toepassing kruimelgevallen (Wabo)" en dat geen van die weigeringsgronden zich in dit geval voordoen.

4.    [appellant] en anderen zijn omwonenden. Bij brief van 21 september 2018 hebben zij beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning voor gebruik. De rechtbank heeft hun beroep wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

Hoger beroep

Intrekking beroepsgrond

5.    Tijdens de telefonische zitting hebben [appellant] en anderen hun beroepsgrond over de onpartijdigheid van de rechtbank ingetrokken.

Bevoegdheid rechter

6.    [appellant] en anderen verzoeken de Afdeling om de mondelinge uitspraak van 23 mei 2019 te vernietigen, omdat de betrokken rechter, mr. Sullivan, onbevoegd was de uitspraak te doen. Volgens hen volgt uit de gegevens zoals vermeld op de website www.rechtspraak.nl. dat mr. Sullivan in 2014 is benoemd tot rechter-plaatsvervanger bij de rechtbank Noord-Holland, maar dat zij in deze functie niet wordt ingezet en dat zij met ingang van 5 juni 2018 bij de rechtbank Amsterdam is benoemd tot gerechtsauditeur. Zij wijzen in dat kader op een brief van 27 mei 2019, een brief van 17 juni 2019, een brief van 3 juli 2019 en een brief van 9 juli 2019 waarin is gecommuniceerd met de rechtbank over de bevoegdheid van mr. Sullivan. Volgens [appellant] en anderen heeft de Raad voor de rechtspraak op enig moment beslist dat mr. Sullivan niet meer als rechter werd ingezet, maar is dat besluit ten onrechte niet als bijlage toegevoegd. Het gevolg is dat mr. Sullivan niet langer de status had van rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast, maar alleen nog van een rechterlijk ambtenaar als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet op de rechterlijke organisatie (hierna: de Wet RO), aldus [appellant] en anderen.

6.1.    Artikel 40 van de Wet RO luidt:

"1. Rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, werkzaam bij de rechtbanken zijn:

[…];

d. rechters-plaatsvervangers.

2. De rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast in een rechtbank zijn van rechtswege rechter-plaatsvervanger in de overige rechtbanken."

Artikel 1, aanhef, onder b en c, luidt:

"In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

[…];

b. rechterlijke ambtenaren:

[…];

3˚. de senior rechters A, de senior rechters, de rechters en de rechters-plaatsvervangers in de rechtbanken;

[…];

c. rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast: de rechterlijke ambtenaren, genoemd in onderdeel b, onder 1˚ tot en met 3˚.

[…]."

6.2.    Uit het koninklijk besluit van 17 november 2014, het besluit van de Raad voor de rechtspraak van 24 november 2014, en de historische beroepsgegevens, zoals gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, blijkt dat mr. Sullivan van 1 december 2014 tot 4 juni 2019 benoemd is geweest als rechter-plaatsvervanger in de rechtbank Noord-Holland. Uit het koninklijk besluit van 13 april 2018, het besluit van de Raad voor de rechtspraak van 19 april 2018 en de historische beroepsgegevens blijkt dat mr. Sullivan met ingang van 5 juni 2018 tot 4 juni 2019 was benoemd als gerechtsauditeur bij de rechtbank Amsterdam. Bij koninklijk besluit van 17 mei 2019 is zij met ingang van 5 juni 2019 benoemd tot rechter in deze rechtbank. De mondelinge uitspraak is gedaan op 23 mei 2019. Uit artikel 40, tweede lid, van de Wet RO, gelezen in samenhang met artikel 1, aanhef en onder b, onder 3˚, van die wet, volgt dat degene die is benoemd als rechter-plaatsvervanger in een rechtbank van rechtswege rechter-plaatsvervanger in de andere rechtbanken is. Nu mr. Sullivan met ingang van 1 december 2014 is benoemd tot rechter-plaatsvervanger was zij daarom van rechtswege ook rechter-plaatsvervanger in de rechtbank Amsterdam. Dat ten tijde van de mondelinge uitspraak op www.rechtspraak.nl was aangegeven dat zij niet als rechter-plaatsvervanger bij de rechtbank Noord-Holland werd ingezet, maakt dat niet anders.

    Het betoog faalt.

Termijnoverschrijding

7.    [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Zij voeren aan dat zij door het college op het verkeerde been zijn gezet, omdat het besluit op bezwaar welbewust niet gelijktijdig ook aan hun gemachtigde is verstrekt. Verder voeren zij aan dat op 15 augustus 2018 weliswaar een digitale mededeling is gedaan dat er een besluit op bezwaar is genomen inzake het perceel [locatie], maar dat hun gemachtigde niet kan worden verweten dat hij daartegen niet onverwijld - binnen twee weken - beroep heeft ingesteld. In dat verband is tijdens de telefonische zitting toegelicht dat de gemachtigde naar aanleiding van die publicatie telefonisch contact heeft opgenomen met iemand van het stadsdeel en dat daarbij is aangegeven dat het besluit op bezwaar niet is te vinden in het digitaal systeem. Volgens [appellant] en anderen is het besluit op bezwaar pas op 7 september 2018 aan hun gemachtigde verstuurd en heeft hij binnen twee weken beroep ingesteld.

7.1.    Artikel 2:1, eerste lid, van de Awb luidt als volgt: "1. Een ieder kan zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen."

    Artikel 6:17 van de Awb luidt: "Indien iemand zich laat vertegenwoordigen, stelt het orgaan dat bevoegd is op het bezwaar of beroep te beslissen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in ieder geval ter beschikking aan de gemachtigde."

    Artikel 6:7 van de Awb luidt: "De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken."

Artikel 6:8, eerste lid, luidt: "De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt."

Artikel 6:11 luidt: "Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest."

Artikel 7:12 luidt:

"[…];

2. De beslissing wordt bekendgemaakt door toezending of uitreiking aan degene tot wie zij is gericht. […].

3. Zo spoedig mogelijk na de bekendmaking van de beslissing wordt hiervan mededeling gedaan aan de belanghebbenden die in bezwaar of bij de voorbereiding van het bestreden besluit hun zienswijze naar voren hebben gebracht.

[…]."

7.2.    Omdat het besluit op bezwaar van 8 augustus 2018 inzake de omgevingsvergunningen is gericht aan Florwel, is dat besluit ingevolge artikel 7:12, tweede lid, van de Awb met de toezending daarvan aan Florwel op 8 augustus 2018 op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt. Het beroepschrift van [appellant] en anderen is pas ingediend op 21 september 2018, zodat het niet binnen de voorgeschreven termijn van zes weken na de dag van de bekendmaking van het besluit op bezwaar is ingediend.

    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer haar uitspraak van 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3477, is sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb als een betrokkene binnen twee weken nadat hij van het besluit op de hoogte is geraakt, alsnog beroep instelt. Dat brengt mee dat moet worden vastgesteld wanneer [appellant] en anderen op de hoogte zijn geraakt van het besluit op bezwaar.

    De gemachtigde van [appellant] en anderen heeft op 7 september 2018 op zijn verzoek van de secretaris van de bezwaarschriftencommissie een afschrift van het besluit op bezwaar van 8 augustus 2018 inzake de omgevingsvergunningen ontvangen en binnen veertien dagen namens [appellant] en anderen daartegen beroep ingesteld, maar dat leidt niet tot de conclusie dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Het bezwaar van Florwel tegen de aanvankelijk geweigerde omgevingsvergunningen is behandeld gelijktijdig met het bezwaar van [appellant] en anderen dat tegen het verlengen van de begunstigingstermijn van een handhavingsbesluit ten aanzien van hetzelfde pand was ingediend. In het aan [appellant] en anderen toegezonden besluit op bezwaar van 8 augustus 2020 inzake het verlengen van de begunstigingstermijn is melding gemaakt van de gegrondverklaring van de bezwaren tegen de weigering van de omgevingsvergunningen. In dat besluit is verder vermeld dat een kopie van het besluit op bezwaar inzake de omgevingsvergunningen als bijlage wordt bijgevoegd. Deze bijlage was echter niet bijgevoegd. Weliswaar heeft het college verzuimd om overeenkomstig artikel 7:12, derde lid, van de Awb aan [appellant] en anderen mededeling te doen van het besluit op bezwaar en de verleende omgevingsvergunningen, maar dat neemt niet weg dat het bestaan van deze besluiten en de inhoud daarvan voor [appellant] en anderen uit het hen toegezonden besluit op bezwaar kenbaar was. Verder is van het besluit op bezwaar inzake de omgevingsvergunningen op 15 augustus 2018 publiekelijk mededeling gedaan. [appellant] en anderen hadden daarom tijdig - eventueel op nader aan te voeren gronden - daartegen beroep kunnen instellen. Dit betekent dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar kan worden geacht. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

Conclusie

8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2020

374-909.