Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2209

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-09-2020
Datum publicatie
16-09-2020
Zaaknummer
201903257/2/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2019:1842, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Vereenvoudigde behandeling
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 oktober 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de voorschotten huurtoeslag en zorgtoeslag van [appellant] voor het jaar 2017 vastgesteld op nihil. [appellant] heeft in 2017 voorschotten huur- en zorgtoeslag ontvangen. Bij besluit van 22 oktober 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de toegekende voorschotten herzien en op nihil gesteld. Bij besluit van 14 februari 2018 heeft de dienst het daartegen door [appellant] ingediende bezwaar gegrond verklaard, aangezien uit bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst opgevraagde gegevens gebleken is dat [appellant] en zijn toeslagpartner beschikken over een geldige verblijfstitel. Als gevolg hiervan heeft hij voor het hele jaar recht op huurtoeslag. De zorgtoeslag wordt echter alleen toegekend voor de periode 1 januari 2017 tot en met 30 september 2017, omdat gebleken is dat de zorgverzekering van zijn toeslagpartner per 26 september 2017 is beëindigd, zodat vanaf 1 oktober 2017 geen recht meer bestaat op zorgtoeslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2020/407
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201903257/2/A2.

Datum uitspraak: 10 september 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 maart 2019 in zaak nr. 18/1827 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 22 oktober 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de voorschotten huurtoeslag en zorgtoeslag van [appellant] voor het jaar 2017 vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 14 februari 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 maart 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep deels niet-ontvankelijk, deels gegrond verklaard en het bezwaar gericht tegen het besluit van 22 oktober 2017, voor zover dat betrekking heeft het voorschot zorgtoeslag, alsnog niet-ontvankelijk  verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

1.    [appellant] heeft in 2017 voorschotten huur- en zorgtoeslag ontvangen. Bij besluit van 22 oktober 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de toegekende voorschotten herzien en op nihil gesteld. Bij besluit van 14 februari 2018 heeft de dienst het daartegen door [appellant] ingediende bezwaar gegrond verklaard, aangezien uit bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst opgevraagde gegevens gebleken is dat [appellant] en zijn toeslagpartner beschikken over een geldige verblijfstitel. Als gevolg hiervan heeft hij voor het hele jaar recht op huurtoeslag. De zorgtoeslag wordt echter alleen toegekend voor de periode 1 januari 2017 tot en met 30 september 2017, omdat gebleken is dat de zorgverzekering van zijn toeslagpartner per 26 september 2017 is beëindigd, zodat vanaf 1 oktober 2017 geen recht meer bestaat op zorgtoeslag. Bij besluit van 9 maart 2018 heeft de dienst naar aanleiding hiervan het voorschot huurtoeslag voor het jaar 2017 vastgesteld op een bedrag van € 2723,00 en het voorschot zorgtoeslag op een bedrag van € 1533,00.

2.    De rechtbank heeft het beroep van [appellant] tegen het besluit van 14 februari 2018, voor zover dat besluit betrekking heeft op de aan hem toegekende voorschotten huurtoeslag, niet-ontvankelijk verklaard. Met dit besluit zijn alsnog voor heel 2017 voorschotten huurtoeslag aan [appellant] toegekend, zodat hiermee volledig aan hem tegemoet is gekomen en er in zoverre geen belang meer bestaat bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit.

    Voor zover het besluit ziet op de aan [appellant] toegekende voorschotten zorgtoeslag, heeft de Belastingdienst/Toeslagen zich in het bij de rechtbank ingediende verweerschrift op het standpunt gesteld dat het daartegen gerichte bezwaarschrift niet tijdig is ingediend en dat [appellant] geen reden voor de te late indiening heeft opgegeven. De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. De rechtbank is de Belastingdienst/Toeslagen hierin gevolgd, heeft het beroep gegrond verklaard en, nu [appellant] ook in beroep geen feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht op grond waarvan redelijkerwijs geoordeeld moet worden dat hij bij het te laat indienen van het bezwaarschrift niet in verzuim is geweest, het bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 22 oktober 2017, voor zover dat betrekking heeft op zijn recht op zorgtoeslag voor het jaar 2017, alsnog niet-ontvankelijk verklaard.

3.    [appellant] kan zich niet vinden in de uitspraak van de rechtbank. Hij meent dat hij voor het jaar 2017 wel recht heeft op zorgtoeslag. Hij wenst dat de Afdeling zich over de inhoud van het besluit van 14 februari 2018 uitspreekt. Daaraan is de rechtbank niet toegekomen, omdat naar haar oordeel de Belastingdienst/Toeslagen het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 22 oktober 2017 wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De rechtbank heeft het bezwaar tegen dat besluit, voor zover dat betrekking heeft op het recht op zorgtoeslag voor het jaar 2017, vervolgens zelf alsnog niet-ontvankelijk verklaard.

3.1.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het bezwaarschrift van [appellant] tegen het besluit van 22 oktober 2017, voor zover dat besluit betrekking heeft op zijn recht op zorgtoeslag voor het jaar 2017, te laat is ingediend. De rechtbank heeft evenzeer terecht overwogen dat [appellant] geen feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht op grond waarvan redelijkerwijs geoordeeld moet worden dat hij bij het te laat indienen van het bezwaarschrift niet in verzuim is geweest. Ook in hoger beroep heeft [appellant] dergelijke feiten of omstandigheden niet gesteld.

3.2.    Omdat de Belastingdienst/Toeslagen een inhoudelijk besluit op het bezwaar heeft genomen en partijen belang hebben bij een oordeel van de Afdeling daarover in verband met de definitieve vaststelling van de zorgtoeslag over 2017, zal de Afdeling, ter voorlichting van partijen, de door [appellant] aangevoerde gronden tegen het besluit van 14 februari 2018, voor zover dat betrekking heeft op het recht op zorgtoeslag voor het jaar 2017, bespreken.

3.3.    De zorgtoeslag wordt alleen toegekend indien de toeslagpartner ook een zorgverzekering heeft. Vast staat dat de zorgverzekering van de  toeslagpartner van [appellant] per 26 september 2017 is beëindigd. De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat vanaf 1 oktober 2017 geen recht meer bestaat op zorgtoeslag. Dat de beëindiging van de zorgverzekering van de toeslagpartner van [appellant] het gevolg zou zijn geweest van onzorgvuldig handelen van de zorgverzekeraar, leidt niet tot een ander oordeel. De stelling van [appellant] dat zijn toeslagpartner achteraf gezien wel doorlopend een zorgverzekering heeft gehad, heeft [appellant] niet met concrete stukken onderbouwd. Dat [appellant] en zijn partner wederom bezig zijn met een procedure voor hun verblijfsstatus levert evenmin een reden op het standpunt van de Belastingdienst/Toeslagen dat [appellant] geen recht heeft op zorgtoeslag over de periode 1 oktober 2017 tot en met 31 december 2017 onjuist te achten.

3.4.    Het betoog van [appellant] dat de Belastingdienst/Toeslagen zijn bezwaarschrift ten onrechte niet heeft aangemerkt als een verzoek om herziening als bedoeld in artikel 21a van de Awir, treft evenmin doel. Het besluit van 22 oktober 2017 is een voorschotbesluit. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:930) is artikel 21a van de Awir niet van toepassing op voorschotbesluiten. Herziening van een voorschot is wel mogelijk op grond van artikel 16, vijfde lid, van de Awir. Uit de wet noch anderszins volgt echter dat op de Belastingdienst/Toeslagen de verplichting rust om een te laat ingediend bezwaarschrift op te vatten als een verzoek om herziening. Anders dan [appellant] meent, volgt dit ook niet uit § 3.1.1. van het Handboek Toeslagen. Voor zover [appellant] heeft beoogd te betogen dat de Belastingdienst/Toeslagen ten onrechte zijn bezwaarschrift niet als een verzoek om herziening als bedoeld in artikel 16, vijfde lid, van de Awir heeft aangemerkt, faalt dit betoog dus evenzeer.

3.5.    Uit wat onder 3.3 en 3.4 is overwogen volgt dat het beroep tegen het besluit van 14 februari 2018, voor zover dat betrekking heeft op het recht op zorgtoeslag voor het jaar 2017, indien ontvankelijk geacht ongegrond zou zijn geweest.

4.    Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.F. Donner-Haan, griffier.

w.g. Van Ettekoven

lid van de enkelvoudige kamer

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2020

674.