Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2205

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-09-2020
Datum publicatie
09-09-2020
Zaaknummer
201906336/1/R4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2019:3031, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 september 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf aan Zonnepark Molenbosch B.V. voor dertig jaar een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen en in afwijking van het bestemmingsplan gebruiken van een zonnepanelenpark op de kadastrale percelen Oldeberkoop C1861 en Oldeberkoop C1865. Het zonnepanelenpark zal ongeveer 2,4 hectare groot worden. De zonnepanelen mogen maximaal 2 m hoog zijn en het park zal worden omringd door een hekwerk van maximaal 1,8 m hoog. Bij besluit van 26 mei 2020 heeft het college de vergunning gewijzigd wat betreft de transformatorstations. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Het zonnepanelenpark komt ten noorden van het bungalowpark "Het Molenbosch". Op dit bungalowpark wonen [appellant A] en [appellant B]. Zij zijn bang dat het zonnepanelenpark de omgeving aan zal tasten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2020/8410 met annotatie van G. van den End
Milieurecht Totaal 2020/7174
JG 2020/38 met annotatie van Span, A.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201906336/1/R4.

Datum uitspraak: 9 september 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend in Oldeberkoop, gemeente Ooststellingwerf,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 12 juli 2019 in zaak nr. 18/3321 in het geding tussen:

[appellant A],

[appellant B],

[partij]

en

het college van burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf.

Procesverloop

Bij besluit van 25 september 2018 heeft het college aan Zonnepark Molenbosch B.V. voor dertig jaar een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen en in afwijking van het bestemmingsplan gebruiken van een zonnepanelenpark op de kadastrale percelen Oldeberkoop C1861 en Oldeberkoop C1865 (hierna: de percelen).

Bij uitspraak van 12 juli 2019 heeft de rechtbank het door onder andere [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.

Het college en Zonnepark Molenbosch B.V. hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 november 2019, waar [appellant B], bijgestaan door [gemachtigde A], en het college, vertegenwoordigd door mr. L. Mathey, advocaat in Groningen, en M.J. van der Zwaag, zijn verschenen. Verder is ter zitting Zonnepark Molenbosch B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde B], gehoord.

Na afloop van de zitting heeft het de Afdeling aanleiding gezien het onderzoek te heropenen.

Het college en Zonnepark Molenbosch B.V. hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak wederom ter zitting behandeld op 4 maart 2020, waar [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door [gemachtigde A] en [gemachtigde C], en het college, vertegenwoordigd door Mathey en Van der Zwaag, zijn verschenen. Verder is ter zitting Zonnepark Molenbosch B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde B] en mr. I. van der Meer, advocaat in Leeuwarden, gehoord.

Bij besluit van 26 mei 2020 heeft het college het besluit van 25 september 2018 gewijzigd.

De Afdeling heeft daarin aanleiding gezien het onderzoek te heropenen.

It Fryske Gea en [belanghebbende] hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 26 mei 2020.

Zonnepark Molenbosch B.V. heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant A] en Zonnepark Molenbosch B.V. hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 augustus 2020. [appellant A], [belanghebbende] en It Fryske Gea, de laatste vertegenwoordigd door [gemachtigde C] en allemaal bijgestaan door [gemachtigde A], en het college, vertegenwoordigd door Mathey en Van der Zwaag, hebben via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen. Verder is ook Zonnepark Molenbosch B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde D], via een videoverbinding gehoord.

Overwegingen

1.    Vanwege de uitbraak van het coronavirus kon de zitting van 6 augustus 2020 niet in fysieke vorm plaatsvinden en heeft deze daarom plaatsgevonden via een videoverbinding.

Inleiding

2.    Bij besluit van 25 september 2018 heeft het college aan Zonnepark Molenbosch B.V. op grond van de artikelen 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3˚, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) een tijdelijke omgevingsvergunning voor de duur van dertig jaar verleend voor het bouwen en in afwijking van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2016" gebruiken van de percelen als een zonnepanelenpark. Het zonnepanelenpark zal ongeveer 2,4 hectare groot worden. De zonnepanelen mogen maximaal 2 m hoog zijn en het park zal worden omringd door een hekwerk van maximaal 1,8 m hoog. Bij besluit van 26 mei 2020 heeft het college de vergunning gewijzigd wat betreft de transformatorstations. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

    Het zonnepanelenpark komt ten noorden van het bungalowpark "Het Molenbosch". Op dit bungalowpark wonen [appellant A] en [appellant B]. Zij zijn bang dat het zonnepanelenpark de omgeving aan zal tasten en zijn daarom tegen de vergunning van 25 september 2018 opgekomen. [appellant A], [belanghebbende] en It Fryske Gea zijn tegen het besluit van 26 mei 2020 opgekomen.

    Hierna zal eerst het hoger beroep tegen de rechtbankuitspraak over de beroepen tegen het besluit van 25 september 2018 worden behandeld. Vervolgens komt het beroep van [appellant A] tegen dat besluit aan de orde. Ten slotte zal de Afdeling de beroepen tegen het besluit van 26 mei 2020 behandelen.

Besluit van 25 september 2018

Rechtbankuitspraak

3.    De rechtbank heeft het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van 25 september 2018 niet-ontvankelijk verklaard. Volgens de rechtbank is [appellant B] niet-ontvankelijk, omdat ze te laat als mede-indiener van het beroepschrift is aangemeld. Dit is namelijk pas bij brief van 9 november 2018 gebeurd en dat was volgens de rechtbank buiten de beroepstermijn. [appellant A] is, zo heeft de rechtbank overwogen, geen belanghebbende bij het besluit, omdat hij geen gevolgen van enige betekenis ondervindt. Hij heeft slechts gering zicht op het zonnepanelenpark en het park heeft ook verder geen ruimtelijke uitstraling of milieugevolgen waar [appellant A] gevolgen van zal ondervinden. De omstandigheid dat hij langs de percelen wandelt, is onvoldoende om hem van anderen te onderscheiden. Dat geldt ook voor zijn stelling dat de Nederlandse overheid en de gemeente klimaat tot een speerpunt hebben gemaakt.

Indieners hoger beroepschrift

4.    Ter zitting is gebleken dat [gemachtigde A] niet als mede-indiener van het hoger beroepschrift moet worden beschouwd, maar als gemachtigde van [appellant A] en [appellant B].

Machtigingen

5.    Zonneveld Molenbosch B.V. betoogt dat [gemachtigde A] niet gemachtigd is om het hogerberoepschrift in te dienen en dat de rechtbank niet heeft onderkend dat [gemachtigde A] ook niet gemachtigd was tot indienen van het beroepschrift.

5.1.    Er is inderdaad geen schriftelijke machtiging overgelegd waaruit blijkt dat [gemachtigde A] gemachtigd is een hogerberoepschrift in te dienen namens [appellant B]. De Afdeling ziet in het ontbreken van een schriftelijke machtiging evenwel geen aanleiding om het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat ter zitting van de Afdeling op 20 november 2019 desgevraagd door [gemachtigde A] is gesteld dat hij gemachtigd was tot het indienen van het hogerberoepschrift en dat dit niet door [appellant B], die eveneens aanwezig was, is weersproken. Bovendien is er wel een schriftelijke machtiging overgelegd voor het vertegenwoordigen van [appellant A] en [appellant B] ter zitting, bij zowel de Afdeling als de rechtbank, en is er, anders dan Zonneveld Molenbosch B.V. heeft betoogd, ook een schriftelijke machtiging overgelegd voor het indienen van het beroepschrift.

    [appellant A] heeft in hoger beroep een stuk overgelegd waarin staat dat hij [gemachtigde A] machtigt tot behartiging van zijn belangen, inclusief het voorlezen van een stuk ter zitting. De Afdeling ziet geen reden om aan te nemen dat deze machtiging niet tevens ziet op het indienen van het hogerberoepschrift, mede in het licht van de hiervoor genoemde eerder overgelegde machtigingen.

    Het betoog faalt.

Het hoger beroep van [appellant B]

6.    [appellant B] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij te laat kenbaar heeft gemaakt dat zij moet worden beschouwd als mede-indiener van het beroepschrift.

6.1.    De identiteit van degene die beroep heeft ingesteld, moet voor afloop van de beroepstermijn bekend zijn. Dit vloeit voort uit artikel 6:5 van de Awb. In het beroepschrift van 1 november 2018 staat [appellant B] niet als mede-indiener genoemd. Dit is pas gebeurd bij brief van 9 november 2018, ontvangen op 13 november 2018. Anders dan de rechtbank heeft geconcludeerd, was dit echter nog binnen de beroepstermijn. Het besluit is op 3 oktober 2018 gepubliceerd. Dit betekent dat de beroepstermijn liep van 4 oktober 2018 tot en met 14 november 2018. De Afdeling is dan ook van oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [appellant B] te laat kenbaar heeft gemaakt dat zij als mede indiener van het beroep moet worden beschouwd.

    Het betoog slaagt.

7.    Vervolgens komt de Afdeling toe aan beantwoording van de vraag of [appellant B] belanghebbende is bij het besluit. Dat is het geval als zij een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat haar in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. Uitgangspunt is dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit, tenzij die gevolgen geen gevolgen van enige betekenis zijn.

    De Afdeling is van oordeel dat [appellant B] niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. Dat [appellant B] zich betrokken voelt bij de omgeving en daar graag door de natuur wandelt, waaronder langs de percelen, onderscheidt haar niet voldoende van anderen die daar in de omgeving wandelen om te kunnen spreken van een persoonlijk belang. Het zonnepanelenpark zal ook verder geen gevolgen van enige betekenis hebben voor haar woon- en leefomgeving. Zij woont op 141 m afstand van de percelen en zal geen zicht hebben op het zonnepanelenpark. De Afdeling vindt verder aannemelijk dat het geluid van de transformatoren, die op ruim 300 m van de woning van [appellant B] komen te staan, niet bij haar woning hoorbaar zal zijn. Ook is aannemelijk dat de extra verkeersbewegingen bij de woning van [appellant B] voor zeer weinig extra geluid zullen zorgen, nu zij op enige afstand van de daarvoor gebruikte weg woont en de toename van het verkeer tijdens de exploitatie van het zonnepanelenpark slechts in geringe mate plaats zal vinden. Verkeer dat een gevolg is van de aanleg van het park kan in de regel geen rol spelen bij de beoordeling van de belanghebbendheid. Gelet op het voorgaande zal [appellant B] van het besluit dan ook geen gevolgen van enige betekenis ondervinden. Dat zij lid is van de Vereniging van Eigenaren die betrekking heeft op het gehele bungalowpark, waaronder de weg die door het bouwverkeer gebruikt zal worden, en deze vereniging wellicht wel als belanghebbende zou kunnen worden aangemerkt, maakt het voorgaande niet anders, omdat dat niet betekent dat zij als natuurlijk persoon belanghebbende is.

8.    Gelet op hetgeen onder 6.1 en 7 is overwogen, heeft de rechtbank op verkeerde gronden maar wel terecht het beroep van [appellant B] niet-ontvankelijk verklaard. Het hoger beroep van [appellant B] is daarom ongegrond. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop die uitspraak rust.

Het hoger beroep van [appellant A]

9.    [appellant A] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij geen belanghebbende is bij het besluit. Hij voert daartoe onder andere aan dat hij vanaf zijn perceel zicht zal hebben op het zonnepanelenpark.

9.1.    [appellant A] woont aan de rand van het bungalowpark, op ongeveer 81 m van de percelen. Tussen zijn woning en de percelen ligt een bos. Zijn woning wordt omringd door een heg, waardoor het zicht op dit bos en de percelen wordt geblokkeerd. Ter zitting is echter duidelijk gemaakt dat [appellant A] deze heg, die op zijn eigen perceel staat, wil verwijderen en dat hij dat alleen nog niet gedaan heeft, omdat hij eerst wil weten of het zonnepanelenpark mag worden aangelegd. De Afdeling is daarom van oordeel dat als uitgangspunt bij de beoordeling van de belanghebbendheid het zicht moet worden genomen dat [appellant A] op de percelen zou hebben als de heg niet op het perceel zou staan. Uit de overgelegde foto’s, waarop het zicht vanaf de rand van zijn perceel aan de buitenkant van de heg te zien is, blijkt dat in dat geval [appellant A] vanaf zijn perceel zicht zal hebben op het zonnepanelenpark. Dat hij vooral zicht zal hebben op het hekwerk dat het zonnepanelenpark zal omringen en slechts in beperkte mate op de zonnepanelen zelf, maakt niet dat hij geen belanghebbende is bij het besluit, nu dit hekwerk ook deel uitmaakt van de verleende vergunning.

    Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat [appellant A] geen belanghebbende is bij het besluit.

    Het betoog slaagt.

10.    Het hoger beroep van [appellant A] is gegrond. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden vernietigd. De Afdeling zal alsnog de door hem bij de rechtbank aangevoerde beroepsgronden beoordelen, nu de rechtbank daaraan niet is toegekomen.

Het beroep van [appellant A]

11.    Voor zover [appellant A] heeft betoogd dat het college ten onrechte niet heeft gereageerd op twee door [gemachtigde A] ingediende stukken met een aanvullende zienswijze, overweegt de Afdeling dat dit betoog niet tot vernietiging van het bestreden besluit kan leiden, reeds omdat deze stukken niet door [gemachtigde A] namens [appellant A], maar op persoonlijke titel zijn ingediend en [gemachtigde A] niet zelf tegen het bestreden besluit in beroep is gekomen.

12.    [appellant A] betoogt dat het college de gevraagde omgevingsvergunning niet had mogen verlenen, omdat het college niet beschikte over een deugdelijke verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad van Ooststellingwerf. Hij voert aan dat de verklaring van geen bedenkingen ten onrechte door het college is voorbereid. Ter ondersteuning van zijn betoog wijst [appellant A] op de uitspraak van de Afdeling van 9 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1511. [appellant A] voert verder aan dat de raad zich ten onrechte gebogen heeft over de wenselijkheid om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen, in plaats van over de vraag of een verklaring van geen bedenkingen zou worden gegeven, waardoor het voor de raadsleden niet duidelijk was waarover zij een besluit namen. Ten slotte voert hij aan dat de ontwerpverklaring van geen bedenkingen ten onrechte door het college ter inzage is gelegd in plaats van door de raad en dat niet duidelijk was dat ook hiertegen zienswijzen konden worden ingediend.

12.1.    De verklaring van geen bedenkingen is weliswaar voorbereid door het college, maar de raad heeft zowel zelfstandig het besluit genomen om een ontwerpverklaring van geen bedenkingen af te geven als het definitieve besluit daartoe. Dit is niet in strijd met de wet. Dat de Afdeling in de uitspraak van 9 mei 2018 heeft geoordeeld dat het college het besluit van de raad omtrent het al dan niet geven van een verklaring van geen bedenkingen niet aan zijn besluit ten grondslag mocht leggen, komt doordat in dat geval de raad niet zelf het besluit om een ontwerpverklaring van geen bedenkingen te geven, had genomen.

    Ter zitting heeft het college uiteengezet dat de raad ten tijde van het nemen van het besluit over het geven van een verklaring van geen bedenkingen over alle benodigde stukken beschikte en voor iedereen duidelijk was waar het besluit op zag. Anders dan [appellant A] betoogt, was het volgens het college niet zo dat de raadsleden dachten dat zij moesten beslissen of de gevraagde omgevingsvergunning kon worden verleend. De Afdeling ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen.

    Wat betreft de terinzagelegging van de ontwerpverklaring van geen bedenkingen overweegt de Afdeling dat, anders dan [appellant A] heeft aangevoerd, de ontwerpverklaring van geen bedenkingen door het college tegelijk met de ontwerpvergunning ter inzage moet worden en ook is gelegd. Uit de publicatie volgt duidelijk dat tegen beide zienswijzen kunnen worden ingediend. Ook in zoverre bestaat daarom geen aanleiding voor het oordeel dat er een gebrek kleeft aan de verklaring van geen bedenkingen.

    Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college de gegeven verklaring van geen bedenkingen niet aan zijn besluit ten grondslag had mogen leggen.

    Het betoog faalt.

13.    [appellant A] betoogt dat het college de gevraagde omgevingsvergunning niet had mogen verlenen, omdat het daarvoor benodigde draagvlak ontbrak. [appellant A] voert aan dat het college de indruk heeft gewekt dat het draagvlak een rol zou spelen bij het nemen van het besluit, maar dat dit in strijd met verschillende algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet is gebeurd.

13.1.    Er bestaat geen rechtsregel op grond waarvan draagvlak is vereist voor het verlenen van een omgevingsvergunning. Dat het college geprobeerd heeft om zoveel mogelijk de instemming van omwonenden te verkrijgen, betekent niet dat het gehouden was de omgevingsvergunning te weigeren bij het uitblijven daarvan. Er is ook geen algemeen beginsel van behoorlijk bestuur waaruit dat is af te leiden.

    Het betoog faalt.

14.    [appellant A] betoogt verder dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het zonnepanelenpark niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hij voert aan dat dit veld leidt tot een ernstige aantasting van het natuur- en recreatiegebied, zowel wat betreft het landschap als de cultuurhistorische waarde daarvan. Volgens [appellant A] had het college zich niet mogen baseren op de Quickscan Ecologie "Zonnepark Oldeberkoop" van Rho Adviseurs voor Leefruimte van 1 juni 2017 (hierna: de Quickscan Ecologie) en het rapport "Plangebied Molenbosch te Oldeberkoop" van RAAP Archeoloisch Adviesbureau B.V. van 2 juli 2018 (hierna: het rapport van RAAP), omdat deze rapporten zijn opgesteld op initiatief van de aanvrager en de opstellers niet deskundig waren. [appellant A] voert aan dat echte deskundigen, zoals It Fryske Gea, een andere mening waren toegedaan. Om een zorgvuldig besluit te kunnen nemen, had het college ook aan hen advies moeten vragen, aldus [appellant A].

14.1.    Het college stelt zich op het standpunt dat het zonnepanelenpark niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, omdat de natuur-, landschaps- en cultuurhistorische waarde van de omgeving daar niet onevenredig door worden aangetast. Het college baseert zich hiervoor op de Quickscan Ecologie waarin staat dat de percelen niet in een

Natura 2000-gebied liggen, geen deel uitmaken van het provinciale natuurnetwerk en ook niet van betekenis zijn voor kwalificerende soorten van een Natura 2000-gebied, omdat er in de periode 2012-2017 geen individuen van beschermde of kwalificerende soorten zijn vastgesteld. Het college baseert zich verder op het stuk "Ruimtelijke Onderbouwing Zonnepanelenveld Molenbosch" van Rho Adviseurs voor Leefruimte van 2 juli 2018, waarin staat dat met een landschappelijke inpassing de waardevolle kenmerken, zoals houtsingels, behouden blijven. Het egaliseren of afvlakken van een natuurlijk reliëf is niet aan de orde. Het college heeft ten slotte het rapport van RAAP aan zijn standpunt ten grondslag gelegd. In dit rapport staat dat het zonnepanelenpark op de meeste cultuurhistorische waarde en landschappelijke inpassing geen negatieve invloed heeft. Alleen ten aanzien van de gaafheid en herkenbaarheid van de afwisseling tussen openheid en geslotenheid van het landschap heeft de aangevraagde activiteit een beperkte negatieve invloed. Deze invloed is echter beperkt doordat de gaafheid minder hoog is door eerdere ontwikkelingen, doordat de gaafheid en herkenbaarheid alleen worden aangetast ter plaatse van het plangebied en het zonnepanelenpark daarbuiten niet of nauwelijks invloed heeft door de landschappelijke inpassing (versterking houtwal) en doordat de situatie tijdelijk is.

14.2.    De Afdeling overweegt allereerst dat het bestemmingsplan een hekwerk van 2 m hoog op het perceel toestaat, waardoor de afwijking slechts geringe invloed heeft op de ruimtelijke uitstraling.

    De Afdeling overweegt verder dat, gelet op hetgeen onder 14.1 is overwogen, uit de Quickscan Ecologie, het rapport van RAAP en de ruimtelijke onderbouwing volgt dat het zonnepanelenpark niet zal leiden tot onevenredige aantasting van de natuur-, landschaps- en cultuurhistorische waarde van de omgeving. Dat de stukken zijn opgesteld op initiatief van de aanvrager, betekent niet dat de rapporten niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen. De Afdeling ziet hierin en ook verder geen aanleiding om aan de deskundigheid van de opstellers te twijfelen. Het college was ook niet verplicht om aan nog meer deskundigen advies te vragen. Aangezien [appellant A] de inhoud van de rapporten niet met onderbouwde betogen heeft weerlegd en ook geen tegenrapport heeft overgelegd, ziet de Afdeling geen aanleiding om aan de juistheid van de conclusies van deze stukken te twijfelen.

     Gelet op het voorgaande kon het college zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat het zonnepanelenpark niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

     Het betoog faalt.

15.    Voor zover [appellant A] betoogt dat de omgevingsvergunning is verleend in strijd met artikel 9.4.1, zesde lid, van de Verordening Romte Fryslân 2014, overweegt de Afdeling dat dit betoog faalt, reeds omdat [appellant A] dit niet heeft onderbouwd.

16.    [appellant A] verwijst in zijn beroepschrift naar zijn zienswijze en verzoekt de inhoud daarvan als herhaald en ingelast te beschouwen. Op deze zienswijze is het college in het besluit van 25 september 2018 ingegaan. [appellant A] heeft in zijn beroepschrift, behoudens hetgeen hiervoor is besproken, geen redenen aangevoerd waarom de reactie op die zienswijze onjuist, dan wel onvolledig is. In hetgeen [appellant A] in zoverre heeft aangevoerd, bestaat dan ook geen aanleiding voor vernietiging van het besluit.

17.    Het beroep van [appellant A] tegen het besluit van 25 september 2018 is ongegrond.

Besluit van 26 mei 2020

Inleiding

18.    Op verzoek van vergunninghouder heeft het college bij besluit van 26 mei 2020 de vergunning van 25 september 2018 gewijzigd. Het nieuwe besluit houdt in dat in plaats van twee transformatorstations één station zal worden gerealiseerd. Verder zijn de afmetingen van dit transformatorstation iets afwijkend van de eerder vergunde transformatorstations en zal het station op een andere plek komen, namelijk halverwege het zonnepanelenpark en direct aan het pad dat tussen het zonnepanelenpark door loopt. Dit betekent dat het transformatorstation dichterbij de woning van [appellant A] zal komen te liggen dan bij de vergunning van 25 september 2018 het geval was.

Ontvankelijkheid

19.    Zonnepark Molenbosch B.V. betoogt dat [appellant A], It Fryske Gea en [belanghebbende] [gemachtigde A] niet hebben gemachtigd om namens hen beroep in te stellen, nadere stukken te overleggen en/of het woord te voeren ter zitting bij de Afdeling.

19.1.    Er is inderdaad geen schriftelijke machtiging overgelegd waaruit blijkt dat [gemachtigde A] gemachtigd is een beroepschrift en/of nadere stukken in te dienen namens [appellant A], It Fryske Gea en [belanghebbende]. De Afdeling ziet in het ontbreken van een schriftelijke machtiging evenwel geen aanleiding om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat ter zitting van de Afdeling op 6 augustus 2020 door Zonnepark Molenbosch B.V. naar voren is gebracht dat zij twijfelt of [gemachtigde A] wel door partijen gemachtigd is en op dat moment door [appellant A], It Fryske Gea en [belanghebbende], die allen aanwezig waren, niet naar voren is gebracht dat [gemachtigde A] niet door hen gemachtigd is. Bovendien is er wel een schriftelijke machtiging overgelegd voor het vertegenwoordigen door [gemachtigde A] van [appellant A], It Fryske Gea en [belanghebbende] ter zitting en blijkt uit overweging 5.1 dat [appellant A] [gemachtigde A] gemachtigd heeft voor het behartigen van zijn belangen in de procedure over het besluit van 25 september 2018 en er is geen aanleiding om aan te nemen dat dat ten aanzien van het besluit van 26 mei 2020 anders zou zijn.

20.    Anders dan Zonnepark Molenbosch B.V. betoogt, ziet de Afdeling verder geen aanleiding voor het oordeel dat het beroep van It Fryske Gea en [belanghebbende] niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat zij niet tegen het besluit van 25 september 2018 zijn opgekomen. Dat zij dit niet hebben gedaan, betekent niet dat zij geen gronden mogen aanvoeren tegen het besluit van 26 mei 2020. Het betekent wel dat zij niet ook nog gronden mogen aanvoeren tegen het besluit van 25 september 2018. Voor zover de gronden tegen laatstgenoemd besluit zijn gericht, worden deze door de Afdeling daarom niet behandeld.

21.    Over het betoog van Zonnepark Molenbosch B.V. dat er voor [appellant A] geen beroep van rechtswege is ontstaan omdat hij geen belang daarbij heeft, overweegt de Afdeling dat zijn belang is gelegen in het feit dat het transformatorstation dichter bij zijn woning zal worden gerealiseerd.

22.    Voor zover Zonnepark Molenbosch B.V. betoogt dat It Fryske Gea en [belanghebbende] geen belanghebbenden zijn bij het besluit, overweegt de Afdeling dat hun belanghebbendheid voortvloeit uit het feit dat zij eigenaar zijn van aangrenzende percelen. In een dergelijk geval wordt ervan uitgegaan dat de feitelijke gevolgen, indien die zich voordoen, in beginsel van enige betekenis zijn (zie de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1671).

Voorbereidingsprocedure

22.1.    [appellant A], It Fryske Gea en [belanghebbende] betogen dat het college ten onrechte het besluit niet heeft voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Awb en ten onrechte geen nieuwe verklaring van geen bedenkingen aan de gemeenteraad heeft gevraagd. Zij voeren aan dat de vergunde wijzigingen niet van ondergeschikte aard zijn.

22.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, in onder meer de uitspraken van 21 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:793 en 27 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2139, moet bij de totstandkoming van besluiten op aanvraag die ingevolge artikel 3.10 van de Wabo worden voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, zoals neergelegd in afdeling 3.4 van de Awb, in beginsel op de aanvraag worden beslist zoals die is ingediend en met het ontwerp van het besluit ter inzage is gelegd. Na het ter inzage leggen van het ontwerpbesluit is het niet meer geoorloofd de aanvraag nog te wijzigen en aan te vullen zonder dat een nieuw ontwerpbesluit ter inzage wordt gelegd, tenzij de wijziging van ondergeschikte aard is dan wel aannemelijk is dat daardoor geen derden worden benadeeld. Indien sprake is van een wijziging van ondergeschikte aard, is het college ook niet gehouden om, indien van toepassing, een nieuwe verklaring van geen bedenkingen te vragen, omdat er geen reden is om aan te nemen dat de raad in dat geval tot een andere conclusie of motivering zal komen.

22.3.    Het besluit van 26 mei 2020 leidt ertoe dat er in plaats van twee transformatorstations één transformatorstation zal worden geplaatst. Qua afmetingen en oppervlakte vinden er weinig veranderingen plaats. Ook qua techniek zijn er, zoals hieronder in overwegingen 24.1 en 25.1 uiteen wordt gezet, vrijwel geen veranderingen. De voornaamste wijziging is de nieuwe locatie van het transformatorstation, hetgeen volgens [appellant A], It Fryske Gea en [belanghebbende] de geluidbelasting en de ruimtelijke uitstraling beïnvloedt. Zoals echter volgt uit hetgeen onder 26.1 en 27.1 wordt overwogen, zijn ook deze gevolgen in planologisch opzicht van ondergeschikte aard en zullen zij ook geen derden benadelen. Het transformatorstation staat immers nog steeds zo ver van de dichtstbijzijnde woningen af dat aannemelijk is dat daar geen geluidhinder van zal worden ondervonden en het transformatorstation zal vanuit die woningen niet zichtbaar zijn. Het college was daarom niet gehouden om het besluit voor te bereiden met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure en hoefde dus niet een nieuw ontwerpbesluit ter inzage te leggen. Het college was verder om die reden ook niet gehouden om een nieuwe verklaring van geen bedenkingen aan de raad te vragen.

    Het betoog faalt.

Inhoudelijke beoordeling beroepen

23.    It Fryske Gea en [belanghebbende] betogen dat de wijziging niet had mogen worden vergund, omdat zij niet willen dat er kabels door hun percelen worden getrokken.

23.1.    De Afdeling stelt voorop dat de vergunning niet ziet op de vraag waar precies de kabels zullen komen te liggen. Gelet op de locatie van het transformatorstation is echter wel aannemelijk dat de kabels door de percelen van It Fryske Gea en [belanghebbende] zullen moeten worden gelegd. Dat zij daar geen toestemming voor willen geven, betekent echter niet dat de vergunning daarom niet uitvoerbaar is. Op grond van de Belemmeringenwet Privaatrecht is het in bepaalde gevallen mogelijk om een gedoogplicht op te leggen. It Fryske Gea en [belanghebbende] hebben geen gronden naar voren gebracht die ertoe leiden dat op voorhand geoordeeld moet worden dat in dit geval een dergelijke gedoogplicht niet kan worden opgelegd.

    Het betoog faalt.

24.    [appellant A], It Fryske Gea en [belanghebbende] betogen dat het college niet in redelijkheid de gevraagde vergunning had mogen verlenen, omdat in plaats van een transformator in het transformatorstation een omvormer zal worden geïnstalleerd.

24.1.    Volgens Zonnepark Molenbosch B.V. zullen in het transformatorstation zowel omvormers als een transformator worden geïnstalleerd. De omvormers zijn nodig om de gelijkstroom die door de zonnepanelen wordt gegenereerd om te zetten in wisselstroom. De transformator verhoogt vervolgens de wisselstroom naar een voor het net benodigd spanningsniveau. De reeds vergunde transformatorstations zouden op eenzelfde manier worden gerealiseerd. Er is in zoverre dan ook met het nieuwe besluit niets veranderd. In hetgeen [appellant A] in zoverre heeft aangevoerd bestaat reeds daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid de vergunning heeft kunnen wijzigen.

    Het betoog faalt.

25.    [appellant A], It Fryske Gea en [belanghebbende] betogen dat het maximale vermogen van het zonnepanelenpark niet in redelijkheid had mogen worden verhoogd van 2 MW tot 2,5 MW.

25.1.    Het zonnepanelenpark heeft een capaciteit van maximaal 2 MW. Het nieuwe transformatorstation kan maximaal 2,5 MW stroom omzetten. Dat betekent echter niet dat het zonnepanelenpark meer stroom zal opwekken; die capaciteit blijft ook met het besluit van 26 mei 2020 2 MW. Het besluit van 26 mei 2020 heeft dan ook geen gevolgen heeft voor de maximale capaciteit van het zonnepanelenpark. Anders dan [appellant A], It Fryske Gea en [belanghebbende] betogen, verandert de wijzigingsvergunning in zoverre dus niets en bestaat er reeds daarom in zoverre geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid de vergunning heeft kunnen wijzigen.

    Het betoog faalt.

26.    [appellant A], It Fryske Gea en [belanghebbende] betogen dat het college niet in redelijkheid de vergunning heeft kunnen wijzigen, omdat het transformatorstation daardoor beter zichtbaar zal zijn en zodoende teveel afbreuk zal doen aan het landschap.

26.1.    Het transformatorstation wordt verplaatst naar het midden van het zonnepanelenpark, direct grenzend aan het recreatiepad dat door het zonnepanelenpark heen loopt. Om het transformatorstation zo min mogelijk op te laten vallen, moet het donkergroen geverfd worden.

    De Afdeling is van oordeel dat de verplaatsing van het transformatorstation niet onevenredig afbreuk doet aan het landschap. Hoewel het transformatorstation inderdaad beter zichtbaar zal zijn vanaf de weg, hoefde het college daarin in redelijkheid geen aanleiding te zien om te weigeren de gevraagde vergunning te verlenen. De percelen zullen reeds volledig bebouwd worden met de zonnepanelen en het omringende hekwerk. Het transformatorstation zal de ruimtelijke uitstraling van het zonnepanelenpark daarom niet dusdanig negatief veranderen dat vergunningverlening niet redelijk is. De Afdeling neemt daarbij nog in aanmerking dat het transformatorstation groen geverfd moet worden, zodat het minder op zal vallen.

    Het betoog faalt.

27.    [appellant A], It Fryske Gea en [belanghebbende] betogen dat niet goed is onderzocht hoeveel geluid het nieuwe transformatorstation zal veroorzaken. Zij voeren aan dat onderzoek gedaan moet worden naar het laag frequent geluid, de geluidbelasting op de woning van [appellant A], de geluidbelasting in de directe omgeving en de negatieve gevolgen die het geluid zal hebben op de dieren in de omgeving. Volgens [appellant A], It Fryske Gea en [belanghebbende] moet daarbij rekening worden gehouden met een toeslag voor tonaal geluid vanwege de ventilatoren die in de transformator worden gerealiseerd. De transformator zal volgens hen dan in totaal 66 dB(A) aan geluid veroorzaken, hetgeen niet is toegestaan.

27.1.    Het maximaal toegestane langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op een geluidgevoelig object, zoals een woning, is op grond van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer in de dagperiode 50 dB(A). Voor de hoeveel geluid die [appellant A] zal horen tijdens zijn wandelingen over het recreatiepad bestaan er geen geluidnormen waaraan de Afdeling kan toetsen.

    Tussen partijen is niet in geschil dat het transformatorstation een geluidbelasting van maximaal 61 dB(A) zal veroorzaken. Als daarbij een toeslag voor tonaal geluid moet worden opgeteld, zoals [appellant A], It Fryske Gea en [belanghebbende] betogen, dan zal de geluidbelasting neerkomen op 66 dB(A). Deze geluidbelasting zal alleen worden gehaald op warme dagen waarop de ventilatoren maximaal aan zullen staan. Het transformatorstation zal bovendien omringd worden door een omkasting die een deel van het geluid tegen zal houden en staat op 150 m afstand van de woning van [appellant A], waarbij het geluid ook nog eens extra zal worden tegengehouden door het tussenliggende bos. Gelet hierop vindt het college het aannemelijk dat bij de woning van [appellant A] aan de geluidsnorm van 50 dB(A) kan worden voldaan. Verder wijst het college erop dat in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten een minimale afstand van 30 m tussen een geluidgevoelig object en een perceel met een inrichting als hier aan de orde als richtafstand voor het voorkomen van onevenredige geluidhinder door transformatoren wordt gehanteerd en dat in dit geval ruimschoots aan deze richtafstand wordt voldaan. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan de conclusie van het college te twijfelen, ook niet als er een toeslag voor tonaal geluid zou moeten worden toegepast, daargelaten of dat zo is. Het college hoefde in zoverre dan ook geen aanleiding te zien om meer onderzoek naar de geluidbelasting te doen.

    De Afdeling ziet evenmin aanleiding voor het oordeel dat het college onderzoek had moeten doen naar het laag frequent geluid. Het college heeft overleg gevoerd met een deskundige van Noorman Bouw- en milieuadvies. Deze deskundige heeft aan het college verklaard dat laag frequent geluid bij zonnepanelenparken niet of nauwelijks aan de orde is. [appellant A], It Fryske Gea en [belanghebbende] hebben geen argumenten of deskundigenadvies naar voren gebracht waardoor aan de juistheid van deze verklaring moet worden getwijfeld.

    Ten slotte ziet de Afdeling ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college onderzoek had moeten doen naar de gevolgen die het transformatorstation op de dieren in de omgeving heeft. In de Quickscan Ecologie staat namelijk dat er in de periode 2012-2017 geen individuen van beschermde of kwalificerende soorten zijn vastgesteld. Er is geen reden om aan te nemen dat dat op het moment van besluitvorming anders was en evenmin is er reden om aan te nemen dat in de directe omgeving van de percelen wel beschermde diersoorten aanwezig zijn. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat ook de naastgelegen percelen geen deel uitmaken van een Natura 2000-gebied of een provinciaal natuurnetwerk.

    De conclusie is dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat er geen aanleiding bestaat om vanwege de geluidbelasting de gevraagde wijziging niet te vergunnen.

    Het betoog faalt.

28.    Voor zover [appellant A], It Fryske Gea en [belanghebbende] betogen dat de wijziging niet had mogen worden vergund omdat het zonnepanelenpark in strijd is met een nieuwe versie van de Verordening Romte Fryslân 2014, overweegt de Afdeling dat, daargelaten of de wijziging met deze nieuwe versie in strijd is, getoetst moet worden aan het recht zoals dat gold ten tijde van het besluit. Aangezien deze nieuwe versie op dat moment nog niet in werking was getreden, heeft het college hier terecht niet aan getoetst.

    Het betoog faalt.  

29.    De beroepen van [appellant A], It Fryske Gea en [belanghebbende] tegen het besluit van 26 mei 2020 zijn ongegrond.

Conclusie

30.    Het hoger beroep van [appellant B] is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet in zoverre worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop die uitspraak in zoverre rust. Het hoger beroep van [appellant A] is gegrond. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden vernietigd, voor zover daarbij het beroep van [appellant A] niet-ontvankelijk is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 25 september 2018 in zoverre alsnog ongegrond verklaren. De beroepen van [appellant A], It Fryske Gea en [belanghebbende] tegen het besluit van 26 mei 2020 zijn ongegrond.

31.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep van [appellant B] ongegrond;

II.    bevestigt in zoverre de aangevallen uitspraak;

III.    verklaart het hoger beroep van [appellant A] gegrond;

IV.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 12 juli 2019 in zaak nr. 18/3321, voor zover daarbij het beroep van [appellant A] niet-ontvankelijk is verklaard;

V.    verklaart het door [appellant A] bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van 25 september 2018 ongegrond;

VI.    verklaart de door [appellant A], It Fryske Gea en [belanghebbende] ingestelde beroepen tegen het besluit van 26 mei 2020 ongegrond;

VII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf aan [appellant A] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 259,00 (zegge: tweehonderdnegenenvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. V.H.Y. Huijts, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2020

811.