Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2203

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-09-2020
Datum publicatie
09-09-2020
Zaaknummer
201804258/2/R2 en 201903742/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 maart 2018 heeft de raad van de gemeente Eersel het bestemmingsplan "Buitengebied 2017" vastgesteld. [appellant sub 1] woont aan de [locatie 1]/[locatie 2] in Wintelre. De daar aanwezige woonboerderij is al meerdere jaren feitelijk gesplitst, maar dat is planologisch nooit vastgelegd. Daarom heeft [appellant sub 1] verzocht om de woning in het plan "Buitengebied 2017, eerste herziening" van 29 januari 2019 te splitsen, ook omdat een deel van de woning noodgedwongen moet worden verkocht. Aan dat verzoek is in het ontwerpplan gehoor gegeven, maar naar aanleiding van een zienswijze van een varkenshouderij aan de [locatie 3] in Wintelre is de woningsplitsing bij vaststelling van het plan ongedaan gemaakt. Het beroep van [appellant sub 1] richt zich daartegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2020/501
JGROND 2020/220 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Jurisprudentie Grondzaken 2020/220 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201804258/2/R2 en 201903742/2/R2.
Datum uitspraak: 9 september 2020

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

1. appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], beiden wonend te Wintelre, gemeente Eersel (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 1]),

2. [ appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], beiden wonend te Eersel (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 2]),

3. [ appellant sub 3], wonend te Eersel,

4. [ appellant sub 4], wonend te Eersel,

5. [ appellant sub 5], wonend te Eersel,

6. [ appellante sub 6], gevestigd te [plaats],

7. [ appellant sub 7], wonend te Steensel, gemeente Eersel,

8. [ appellant sub 8], wonend te Eersel,

9. [ appellante sub 9], gevestigd te Steensel, gemeente Eersel (hierna: [appellante sub 9]);

en

de raad van de gemeente Eersel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2017" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellante sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8] en [appellante sub 9] beroep ingesteld.

Bij besluit van 3 juli 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2017" gewijzigd vastgesteld.

Bij besluit van 29 januari 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2017, eerste herziening" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer [appellant sub 1] beroep ingesteld.

De raad heeft verweerschriften ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [appellant sub 3], [appellant sub 8] en [appellante sub 9] een reactie ingediend op het besluit van 29 januari 2019.

[appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 8], [appellante sub 9] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de behandeling van de beroepen van [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellante sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8] en [appellante sub 9] afgesplitst en voortgezet onder bovenstaand zaaknummer 201804258/2/R2.

De Afdeling heeft de behandeling van het beroep van [appellant sub 1] afgesplitst en voortgezet onder bovenstaand zaaknummer 201903742/2/R2.

Geen van de partijen van de afgesplitste beroepen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek in deze beroepen met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.

Overwegingen

INLEIDING

Geen zitting vanwege coronavirus

1. Gelet op de in Nederland ontstane uitzonderlijke situatie door het uitbreken van het coronavirus en de in verband daarmee door de Nederlandse regering getroffen maatregelen om verspreiding van dit virus te voorkomen heeft de zitting van 14 en 15 april 2020 geen doorgang kunnen vinden. Omdat geen van de partijen in de in deze uitspraak genoemde beroepen desgevraagd binnen de daartoe gestelde termijn schriftelijk heeft aangegeven gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, heeft de Afdeling besloten de in deze uitspraak genoemde beroepen zonder zitting af te doen.

Wettelijk kader

2. De relevante wet- en regelgeving staat in de bijlage behorende bij deze uitspraak.

Bestemmingsplannen en de beroepen daartegen

3. In deze uitspraak worden meerdere beroepen tegen drie met elkaar samenhangende bestemmingsplannen behandeld.

Het op 6 maart 2018 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied 2017" voorziet in een planologisch juridische regeling voor het buitengebied van de gemeente Eersel. In dat bestemmingsplan is het bestemmingsplan "Buitengebied" geheel herzien en zijn de regels van de Verordening ruimte Noord-Brabant (hierna: de Verordening) verwerkt. Daarnaast zijn er ongeveer 40 onherroepelijke omgevingsvergunningen, wijzigingsplannen en bestemmingsplannen voor particuliere initiatieven verwerkt. Dat bestemmingsplan is op 3 juli 2018 deels gewijzigd en opnieuw integraal vastgesteld onder dezelfde naam.

In het op 29 januari 2019 vastgestelde plan "Buitengebied 2017, eerste herziening" is nog een extra aantal particuliere initiatieven verwerkt en zijn geconstateerde incorrectheden uit het plan "Buitengebied 2017" hersteld.

4. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft een beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Daarom zal de Afdeling per beroep beoordelen op welk van de drie bestemmingsplannen het beroep, al dan niet van rechtswege, betrekking heeft.

INHOUDELIJK

Toetsingskader

5. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Beroep van [appellant sub 1]

Inleiding

6. [ appellant sub 1] woont aan de [locatie 1]/[locatie 2] in Wintelre. De daar aanwezige woonboerderij is al meerdere jaren feitelijk gesplitst, maar dat is planologisch nooit vastgelegd. Daarom heeft [appellant sub 1] verzocht om de woning in het plan "Buitengebied 2017, eerste herziening" van 29 januari 2019 te splitsen, ook omdat een deel van de woning noodgedwongen moet worden verkocht. Aan dat verzoek is in het ontwerpplan gehoor gegeven, maar naar aanleiding van een zienswijze van een varkenshouderij aan de [locatie 3] in Wintelre is de woningsplitsing bij vaststelling van het plan ongedaan gemaakt. Het beroep van [appellant sub 1] richt zich daartegen.

6.1.

De Afdeling stelt vast dat het beroep van [appellant sub 1] uitsluitend betrekking heeft op het plan "Buitengebied 2017, eerste herziening" van 29 januari 2019.

Beroep tegen het besluit van 29 januari 2019

7. [appellant sub 1] voert aan dat de raad de omstandigheid dat er op grond van de gemeentelijke geurverordening en gebiedsvisie geen sprake is van een goed woon- en leefklimaat, ten onrechte als weigeringsgrond gebruikt. Volgens [appellant sub 1] is dat beleid niet het toetsingskader voor de ruimtelijke beoordeling van een woningsplitsing, maar voor vergunningverlening aan veehouderijbedrijven. Bovendien zijn de normen voor achtergrond- en voorgrondbelasting in dat beleid gelijk getrokken, terwijl hinder door achtergrond- of voorgrondbelasting heel anders wordt ervaren.

Verder voert [appellant sub 1] aan dat, voor zover de raad het gemeentelijk beleid wel als toetsingskader mocht gebruiken, er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat de raad van dat beleid had moeten afwijken. Zo is in 2010 huisnummer [locatie 2] toegekend waarop een gezin in de Basisregistratie Personen is ingeschreven en is de woning kadastraal gesplitst, net als de aanslag voor de WOZ. Verder zijn de varkensstallen van het bedrijf aan de na een brand dichterbij de woning komen te staan en heeft de raad de vergunningverlening hiervoor eerder behandeld dan het verzoek om woningsplitsing. Daarnaast worden er geen (bedrijfs)belangen geschaad door de woningsplitsing omdat er sprake is van een bestaande situatie en het referentiepunt voor de voorgrondbelasting niet wijzigt. Ook is het aannemelijk dat de voorgrondbelasting zal afnemen als gevolg van strengere wet- en regelgeving voor varkenshouderijen. Volgens [appellant sub 1] is er geen belangenafweging gemaakt en lag het door genoemde omstandigheden in de lijn der verwachting dat de woningsplitsing planologisch zou worden vastgelegd, zoals ook in het ontwerpplan is gedaan. Dat er persoonsgebonden overgangsrecht is toegekend, helpt [appellant sub 1] niet omdat de woning daarmee alsnog niet kan worden verkocht. Daarom verzoekt [appellant sub 1] subsidiair dat de raad wordt opgedragen het persoonsgebonden overgangsrecht om te zetten naar een woningsplitsing op het moment dat de voorgrondbelasting ter plaatse niet hoger is dan 10 Europese odeur units per kubieke meter (hierna: ouE/m3).

7.1.

De raad stelt zich op het standpunt dat alleen medewerking wordt verleend aan de woningsplitsing als kan worden aangetoond dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Daarvan is volgens gemeentelijk beleid sprake als de voorgrondbelasting maximaal 10 ouE/m3 is. Omdat uit het overgelegde geurrapport blijkt dat ter plaatse sprake is van een belasting van 14 ouE/m3, wordt niet voldaan aan de uitgangspunten van de geurverordening en is er geen sprake van een goed woon- en leefklimaat. De raad vindt het gelet op de voorgeschiedenis niet gerechtvaardigd handhavend op te treden en daarom is persoonsgebonden overgangsrecht toegekend.

7.2.

Het perceel [locatie 1]/[locatie 2] in Wintelre is in dat plan bestemd als "Wonen". Het gedeelte van de boerderijwoning met huisnummer [locatie 2] is aangeduid als "specifieke vorm van wonen - 2". Op grond van artikel 51, lid 51.3.5, van de planregels mag het gebruik als woning worden voortgezet door diegene die het gebouw ten tijde van de vaststelling van het plan al als woning gebruikte. In het ontwerpplan was de gehele boerderijwoning aangeduid als "maximum aantal wooneenheden: 2".

7.3.

De Afdeling stelt vast dat de betreffende locatie binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom ligt als bedoeld in de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Wgv).

Ingevolge artikel 3, eerste lid, onder b, van de Wgv wordt een omgevingsvergunning voor een veehouderij geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 14 ouE/m3.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, onder b, van de Wgv kan bij gemeentelijke verordening een andere waarde worden vastgelegd, zolang deze waarde niet minder bedraagt dan 3 ouE/m3 en niet meer dan 35 ouE/m3 .

7.4.

Op grond van artikel 6, eerste lid, onder b, van de Wgv heeft de raad de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Eersel 2015 (hierna: de geurverordening) vastgesteld. Hierin is bepaald dat de maximale geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het buitengebied van Eersel 10 ouE/m3 bedraagt.

Aan deze geurverordening ligt de "Gebiedsvisie bij de Verordening geurhinder en veehouderij 2015" van de gemeente Eersel ten grondslag. In de gebiedsvisie is gezocht naar passende geurnormen voor de (voorgrond) geurbelasting van veehouderijen en de daarmee samenhangende achtergrondbelasting van alle veehouderijen gezamenlijk (cumulatief). Door het aanscherpen of verruimen van de geurnomen voor de voorgrondbelasting kan de achtergrondbelasting worden aangestuurd en beheerst met het oog op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, aldus de gebiedsvisie. In paragraaf 3.2 van de gebiedsvisie staat dat voor de vaststelling van het aanvaardbaar geurniveau in een gebied de volgende ijkpunten zijn gebruikt voor het buitengebied:

-een maximaal hinderpercentage van 20% is voor het buitengebied nog aanvaardbaar en dat komt overeen met een achtergrondbelasting van 20 ouE/m³. De bovengrens van 20% hinder is ontleend aan een onderzoek van PRA Odournet B.V. naar de dosiseffectrelatie tussen geur en hinder en de milieukwaliteitscriteria van het RIVM;

-voor een consequent geurbeleid in het buitengebied is het logisch om het hinderpercentage van 20% ook te hanteren voor de voorgrondbelasting en dat komt overeen met een waarde van 10 ouE/m³. Deze waarde komt overeen met een matig woon- en leefklimaat.

7.5.

Het college van burgemeester en wethouders van Eersel heeft in zijn schriftelijke reactie op het verzoek van [appellant sub 1] om woningsplitsing te kennen gegeven dat op basis van globale berekeningen van de geurbelasting ter plaatse sprake is van een slecht woon- en leefklimaat en dat alleen een extra woning kan worden bestemd als op basis van gedetailleerd geuronderzoek wordt aangetoond dat er toch sprake is van een goed

woon- en leefklimaat. Daartoe heeft [appellant sub 1] het "Onderzoek geur veehouderijen. Geurcontouren en geuronderbouwing. [locatie 1]-[locatie 2] Wintelre. Splitsen van een woonboerderij" van 21 februari 2018 van bureau De Roever Omgevingsadvies (hierna: het geuronderzoek) overgelegd. Daaruit blijkt dat de achtergrondbelasting ter plaatse van de woning 8 tot 13 ouE/m3 bedraagt en dat dit volgens de Handreiking bij de Wgv overeenkomt met een hinderpercentage van 10 tot 15% en een redelijk goed woon- en leefklimaat. De voorgrondbelasting ter plaatse van de woning bedraagt 14 ouE/m3 en dit komt overeen met een hinderpercentage van 20 tot 30% en een tamelijk slecht tot slecht woon- en leefklimaat. De conclusie in het geuronderzoek is dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat omdat de maximale normen uit de Wgv niet worden overschreden.

7.6.

De Afdeling stelt vast dat de raad in een gebiedsvisie en de bijbehorende geurverordening heeft vastgelegd wanneer er voor wat betreft voorgrond- en achtergrondbelasting sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Daarbij is gewezen op de relatie tussen voorgrond- en achtergrondbelasting, in die zin dat met geurnormen voor de voorgrondbelasting de achtergrondbelasting kan worden aangestuurd en beheerst met oog op het woon- en leefklimaat. Daarom ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de gebiedsvisie en bijbehorende geurverordening in redelijkheid niet als uitgangspunt heeft kunnen nemen voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat als gevolg van de woningsplitsing in het kader van de vaststelling van het plan. Dat er volgens [appellant sub 1] in de gebiedsvisie geen beleid is opgenomen over het terugdringen van geurhinder in bestaande situaties waar de 10 ouE/m3 al wordt overschreden, laat onverlet dat de voorgrondbelasting volgens de gebiedsvisie niet meer dan 10 ouE/m3 mag bedragen om te kunnen voldoen aan het maximale hinderpercentage van 20%. Weliswaar wordt dat maximale hinderpercentage voor de achtergrondbelasting niet overschreden, maar de in de geurverordening vastgelegde norm voor de voorgrondbelasting en bijbehorend maximaal hinderpercentage van 20% wordt wel overschreden. Daarom heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er géén sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Daarbij is in aanmerking genomen dat er, zoals beschreven in de gebiedsvisie, een samenhang is tussen de achtergrond- en voorgrondbelasting. Het betoog slaagt niet.

7.7.

Over het betoog dat de raad vanwege de aangevoerde bijzondere omstandigheden had moeten afwijken van het beleid overweegt de Afdeling als volgt.

Zoals volgt uit het raadsvoorstel zijn er verschillende alternatieven bekeken met als uitkomst dat geen extra wooneenheid wordt toegekend maar persoonsgebonden overgangsrecht. Daarbij is betrokken dat er sprake is van een illegaal ontstane situatie, dat deze situatie al lange tijd bij de gemeente bekend is, dat de bewoners de woning nu niet kunnen verkopen en dat de bedrijfsvoering van de veehouderij aan de [locatie 3] door de woningsplitsing niet wordt geschaad. Daarom bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de betrokken belangen niet heeft afgewogen.

Ook geven de door [appellant sub 1] aangevoerde omstandigheden geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in redelijkheid van het gemeentelijk beleid had moeten afwijken. De stelling dat het referentiepunt voor de voorgrondbelasting bij toetsing aan de Wgv door de woningsplitsing niet zal wijzigen is juist, omdat het geurgevoelig object niet dichterbij komt te liggen, maar dat neemt niet weg dat ter plaatse van de af te splitsen woning geen goed woon- en leefklimaat heerst. Dat de voorgrondbelasting door strengere wet- en regelgeving voor varkenshouderijen mogelijk zal afnemen, doet niet af aan het feit dat de gemeten geurbelasting te hoog is om op basis van gemeentelijk beleid aan te nemen dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Verder stelt de raad terecht dat toekenning van een huisnummer, inschrijving in het BRP, kadastrale splitsing, waardevaststelling in het kader van de WOZ en de vergunning voor de stallen aan de [locatie 3] in het kader van een goede ruimtelijke ordening niet relevant zijn voor de bestemming van een af te splitsen woning in een plan. Wat betreft de stelling dat er sprake is van een bestaande situatie en er geen belangen worden geschaad met de woningsplitsing, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen niet van het geurbeleid af te willen wijken omdat dat in andere gevallen dan ook zou moeten. Bovendien voorziet het geurbeleid niet in een mogelijkheid daarvan af te wijken of overgangsrecht toe te passen. Het betoog slaagt niet.

Conclusie

8. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit van 29 januari 2019 ongegrond.

Proceskostenveroordeling

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 2]

Inleiding

10. [ appellant sub 2] woont aan [locatie 4] te Eersel en exploiteert daar een agrarisch bedrijf. Rondom het bouwvlak heeft hij agrarische gronden in eigendom. Aan de westkant van zijn gronden loopt de beek De Run.

11. De Afdeling stelt vast dat het beroep van [appellant sub 2] betrekking heeft op het besluit van 6 maart 2018 en dat het beroep op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege betrekking heeft op het besluit van 3 juli 2018 en het besluit van 29 januari 2019. De Afdeling zal eerst het beroep tegen het besluit van 29 januari 2019 beoordelen en vervolgens - voor zover daar belang bij bestaat - het beroep gericht tegen de besluiten van 3 juli 2018 en 6 maart 2018 behandelen.

12. [ appellant sub 2] heeft de beroepsgronden over de mogelijkheden in de planregels voor vrijkomende agrarische bebouwing en voor recreatiewoningen ingetrokken.

Het beroep tegen het besluit van 29 januari 2019

13. Het beroep van [appellant sub 2], voor zover dat gaat over de toekenning van de aanduiding "overige zone - reservering waterberging", is gericht tegen een onderdeel van het plan "Buitengebied 2017", dat herzien is met het op 29 januari 2019 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied 2017, eerste herziening". In dat bestemmingsplan zijn namelijk onder meer wijzigingen aangebracht op de verbeelding als het gaat om de vorm en situering van de aanduiding "overige zone - reservering waterberging", waaronder de aanduiding voor de gronden van [appellant sub 2]. De Afdeling zal bij de beoordeling van het beroep van [appellant sub 2] tegen de toekenning van de aanduiding "overige zone - reservering waterberging" aan zijn gronden uitgaan van de situering van die aanduiding "overige zone - reservering waterberging" op grond van het bestemmingsplan van 29 januari 2019.

14. [ appellant sub 2] betoogt dat aan het westelijke deel van zijn gronden ten onrechte de gebiedsaanduiding "overige zone - reservering waterberging" is toegekend. De raad heeft ten onrechte gesteld dat hij op grond van de Verordening verplicht is deze aanduidingen op te nemen. Volgens hem heeft de raad ten onrechte het inrichtingsplan voor de ecologische verbindingszone van de beek De Run niet overgenomen in het plan. Dit terwijl het inrichtingsplan in samenspraak met het bestuur van Waterschap de Dommel, besturen van gemeenten en ondernemers is opgesteld en een concrete uitwerking en invulling van de Verordening vormt.

Voor zover nodig had de raad het provinciebestuur moeten verzoeken de grenzen van het gebied "Reservering waterberging" aan te passen.

14.1.

De raad stelt zich op het standpunt dat hij op grond van artikel 14.1 van de Verordening is gehouden om de begrenzing van de aanduiding "Reservering waterberging" uit de Verordening op te nemen in het plan en daaraan een regeling te verbinden die mede strekt tot het behoud van het waterbergend vermogen van het gebied. De regeling, die is opgenomen in artikel 47, leden 47.25.3 en 47.25.4, staat volgens de raad het agrarisch gebruik van de gronden niet in de weg. Verder heeft de raad toegelicht dat de aanduiding "overige zone - reservering waterberging" is veranderd in het plan van 29 januari 2019, "Buitengebied 2017, eerste herziening" vanwege de wijziging van de Verordening op 30 oktober 2018, waarin het ruimtebeslag voor waterbergingsgebieden is vergroot. Die aanpassing is doorgevoerd naar aanleiding van nieuwe berekeningen van het bestuur van Waterschap de Dommel voor de benodigde waterberging. Op basis hiervan is door provinciale staten de Derde wijzigingsverordening Verordening water Noord- Brabant vastgesteld, die weer heeft geleid tot wijziging van de Verordening.

14.2.

In het bestemmingsplan zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding "overige zone - reservering waterberging" op grond van artikel 47, lid 47.25.1, mede bestemd voor het behoud van het waterbergend vermogen van het gebied.

De Afdeling stelt vast dat de gronden van [appellant sub 2] waaraan in het plan de aanduiding "overige zone - reservering waterberging" is toegekend, overeenkomen met de gronden waaraan op de kaart die bij de Verordening hoort, zoals die gold ten tijde van de vaststelling van het plan "Buitengebied 2017, eerste herziening", de aanduiding "Reservering waterberging" is toegekend. Een bestemmingsplan moet op grond van artikel 14.1, eerste lid, van de Verordening ter plaatse van de aanduiding "Reservering waterberging" mede strekken tot behoud van het waterbergend vermogen van dat gebied. De raad stelt daarom ook terecht dat hij op grond van de Verordening gehouden is om in het plan een regeling op te nemen ter plaatse van de aanduiding "Reservering waterberging" die voldoet aan artikel 14.1, eerste lid, van de Verordening, ook als deze niet overeenkomt met een eerder opgesteld inrichtingsplan. De begrenzing van de aanduiding "Reservering waterberging" in de Verordening is de meest recente begrenzing die de raad moet hanteren. Bovendien heeft de raad ook toegelicht dat de begrenzing is gewijzigd omdat het ruimtebeslag van de waterberging is vergroot naar aanleiding van nieuwe berekeningen van Waterschap de Dommel over de benodigde waterberging.

Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid in het bestemmingsplan overeenkomstig de Verordening de aanduiding "overige zone - reservering waterberging" kunnen toekennen aan een deel van de gronden van [appellant sub 2].

Het betoog slaagt niet.

14.3.

Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van 29 januari 2019 ongegrond.

Het beroep tegen het besluit van 3 juli 2018

15. De Afdeling zal nu het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van 3 juli 2018 wat betreft de door hem aangevochten aanduidingen "overige zone - reservering waterberging", "overige zone - natuurnetwerk brabant ecologische verbindingszone" en "overige zone - natuurnetwerk brabant" behandelen en het beroep tegen artikel 47, de leden 47.25.3 en 47.25.4, van de planregels.

Waterberging

16. Gelet op wat hiervoor onder 14.3 is overwogen is het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van 29 januari 2019 ongegrond. Daarmee is de in het bestemmingsplan zoals vastgesteld bij besluit van 3 juli 2018 toegekende aanduiding "overige zone - reservering waterberging" overschreven en komt daaraan geen betekenis meer toe. Onder deze omstandigheden en nu niet is gebleken van enig belang bij een beoordeling van het beroep gericht tegen de toegekende aanduiding "overige zone - reservering waterberging" aan een deel van de gronden van [appellant sub 2] zoals die was opgenomen in het op 3 juli 2018 vastgestelde plan, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat [appellant sub 2] in zoverre geen procesbelang meer heeft.

In verband hiermee dient het beroep tegen het besluit van 3 juli 2018, voor zover gericht tegen de aanduiding "overige zone - reservering waterberging" aan een deel van zijn gronden, niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Artikel 47, leden 47.25.3 en 47.25.4

17. [ appellant sub 2] betoogt dat in artikel 47, leden 47.25.3 en 47.25.4, van de planregels ten onrechte een afwijkingsmogelijkheid is opgenomen van het verbod om buiten het bouwvlak bebouwing op te richten en ten onrechte een omgevingsvergunningstelsel voor bepaalde werken en werkzaamheden is opgenomen ter plaatse van de gronden met de aanduiding "overige zone - reservering waterberging". De Verordening schrijft voor dat de raad zelf een afweging dient te maken welke bouwwerken, werken en werkzaamheden zijn toegestaan en dit in de plantoelichting moet verantwoorden. Met de afwijkingsmogelijkheid en het omgevingsvergunningenstelsel wordt dit ten onrechte doorgeschoven naar het college van burgemeester en wethouders. Voor zowel de afwijkingsmogelijkheid, in artikel 47, lid 47.25.3, onder a, als het omgevingsvergunningenstelsel, lid 47.25.4, onder c, geldt namelijk dat als voorwaarde is gesteld voor verlening van de betreffende omgevingsvergunning dat het waterbergend vermogen niet wordt aangetast, maar dan vindt de afweging door het college van burgemeester en wethouders plaats. Volgens hem zijn deze afwijkingsbevoegdheid uit lid 47.25.3, en het omgevingsvergunningenstelsel uit lid 47.25.4, daarom in strijd met artikel 14.1, tweede lid, van de Verordening.

17.1.

De Afdeling stelt vast dat het beroep tegen artikel 47, leden 47.25.3 en 47.25.4, van de planregels gericht is tegen het besluit van 3 juli 2018, waarin deze planregels opnieuw zijn vastgesteld overeenkomstig het besluit van 6 maart 2018.

17.2.

Naar het oordeel van de Afdeling zijn de afwijkingsmogelijkheid en het omgevingsvergunningenstelsel uit de planregels, waaraan de voorwaarde is verbonden dat, kort gezegd, het waterbergend vermogen van de betreffende gronden behouden blijft, niet in strijd met artikel 14.1, tweede lid, van de Verordening. Uit artikel 14.1, tweede lid, van de Verordening blijkt - anders dan [appellant sub 2] betoogt - niet dat de raad in de plantoelichting zelf moet verantwoorden welke bouwwerken, werken en werkzaamheden zijn toegestaan binnen de aanduiding "Reservering waterberging" uit de Verordening en dat een voorwaarde zoals opgenomen in artikel 47, lid 47.25.3, onder a, en lid 47.25.4, onder c, van de planregels niet zou zijn toegestaan. Artikel 14.1, tweede lid, vereist alleen dat in de plantoelichting een verantwoording staat over de wijze waarop de geschiktheid van het gebied voor waterberging behouden blijft indien dat bestemmingsplan voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling. Aan dat vereiste is naar het oordeel van de Afdeling voldaan. In paragraaf 3.2 van de plantoelichting staat over de ontwikkelingsmogelijkheden in waterbergingsgebied dat binnen de gebieden voor waterberging andere functies zoals grondgebonden landbouw, extensieve recreatie en natuurontwikkeling zich blijvend kunnen ontwikkelen, mits ze afgestemd zijn op de beoogde waterfuncties, maar dat er beperkingen kunnen gelden ten aanzien van voorkomend grondgebruik en de ontwikkeling van kapitaalintensieve functies in principe is uitgesloten. De raad heeft daaraan in de planregels uitwerking gegeven door opname van een verbod om buiten het bouwvlak bebouwing op te richten, met afwijkingsmogelijkheid, en het omgevingsvergunningenstelsel voor bepaalde werken en werkzaamheden, waarbij zowel voor de afwijkingsmogelijkheid als het omgevingsvergunningenstelsel de eis is gesteld dat het gebied geschikt moet blijven voor waterberging, zodat de gronden behouden blijven voor waterberging. Het betoog slaagt niet.

Natuur Netwerk Brabant

18. [appellant sub 2] betoogt dat aan het zuidelijk deel van de gronden ter plaatse van een aanwezige sloot ten onrechte de aanduiding "overige zone - natuurnetwerk brabant" is toegekend. De raad heeft ten onrechte gesteld dat hij op grond van de Verordening verplicht is deze aanduiding op te nemen. Volgens hem had de raad het inrichtingsplan voor de ecologische verbindingszone van de beek De Run moeten overnemen in het plan, omdat het een concrete uitwerking en invulling van de Verordening vormt en in samenspraak met het Waterschap de Dommel, gemeenten en ondernemers is opgesteld.

Voor zover nodig had de raad het provinciebestuur moeten verzoeken de grenzen van het gebied "Natuur Netwerk Brabant" aan te passen.

18.1.

De raad stelt zich op het standpunt dat hij de aanduiding "overige zone - natuurnetwerk brabant" heeft overgenomen uit de Verordening zoals die gold ten tijde van de vaststelling van het plan.

18.2.

De Afdeling stelt vast dat de gronden van [appellant sub 2] waaraan in het plan de aanduiding "overige zone - natuurnetwerk brabant" is toegekend, overeenkomen met de gronden waaraan op de kaart die bij de Verordening hoort de aanduiding "Natuur Netwerk Brabant" is toegekend. Artikel 5.1, eerste lid, onder a en b, van de Verordening schrijft voor dat een bestemmingsplan gelegen in het "Natuur Netwerk Brabant" strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en regels stelt ter bescherming van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en daarbij rekening houdt met de overige aanwezige waarden en kenmerken. De raad heeft dit geregeld door de gronden van [appellant sub 2] met de aanduiding "overige zone - natuurnetwerk brabant" op grond van artikel 47, lid 47.19.1, van de planregels mede te bestemmen voor het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en regels te stellen in lid 47.19.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in redelijkheid de begrenzing uit de ten tijde van de vaststelling van het plan geldende Verordening kunnen overnemen en ter plaatse van de gronden van [appellant sub 2], die binnen die begrenzing vallen, een planregeling kunnen opnemen.

Het betoog slaagt niet.

Ecologische verbindingszone

19. [appellant sub 2] betoogt dat aan het westelijke deel van zijn gronden ten onrechte de gebiedsaanduiding "overige zone - natuurnetwerk brabant ecologische verbindingszone" is toegekend. Ook aan het zuidelijk deel van de gronden ter plaatse van een aanwezige sloot is ten onrechte die aanduiding toegekend. Volgens hem had de raad ook wat deze aanduiding betreft het inrichtingsplan voor de ecologische verbindingszone van de beek De Run moeten overnemen in het plan. Artikel 11.1, eerste lid, van de Verordening schrijft volgens [appellant sub 2] voor dat een breedte van ten minste 25 m wordt aangehouden en de gekozen situering van de aanduiding in het plan nader wordt uitgewerkt. De raad heeft de aanduiding echter niet uitgewerkt, maar de aanduiding uit de Verordening één-op-één overgenomen in het plan, waardoor een 50 m brede zone is ontstaan. Datzelfde geldt voor de ecologische verbindingszone langs de sloot aan de zuidzijde van het bedrijfsperceel, aldus [appellant sub 2].

19.1.

De raad heeft toegelicht dat hij deze aanduiding heeft opgenomen om te voorkomen dat de gronden niet meer geschikt zouden zijn als ecologische verbindingszone. Dit is in overeenstemming met de Verordening. Realisatie van de ecologische verbindingszone heeft pas na vaststelling van het plan plaatsgevonden, aldus de raad.

19.2.

Op grond van artikel 11.1, eerste lid, onder b, van de Verordening strekt een bestemmingsplan ter plaatse van de aanduiding "Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone" tot de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone met een breedte van ten minste 25 meter in het hier aan de orde zijnde gebied. Gelet hierop staat de Verordening niet aan het één-op-één overnemen van de ecologische verbindingszone met een breedte van 50 m in het plan in de weg.

Bovendien stelt de raad terecht dat hij op grond van artikel 11.1, tweede lid, van de Verordening regels dient op te nemen die voorkomen dat het gebied minder geschikt wordt voor de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone, omdat de ecologische verbindingszone nog niet was gerealiseerd ten tijde van de vaststelling van het plan. De raad heeft dat gedaan door op grond van artikel 47, lid 47.20.2, van de planregels die gronden mede te bestemmen voor de instandhouding van waarden teneinde de toekomstig te realiseren ecologische verbindingszones niet onmogelijk te maken waarbij op grond van artikel 47, lid 47.20.2, een omgevingsvergunning is vereist voor het uitvoeren en laten uitvoeren van oppervlakteverhardingen groter dan 100 m2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad op basis van de verplichting op grond van de Verordening om te voorkomen dat deze gronden minder geschikt zouden worden voor verwezenlijking, behoud en beheer van de ecologische zone, in het plan de aanduiding "overige zone - natuurnetwerk brabant ecologische verbindingszone" op grond waarvan de planregeling in artikel 47, lid 47.20.2. geldt, kunnen toekennen aan de gronden van [appellant sub 2].

Het betoog slaagt niet.

Conclusie besluit van 3 juli 2018

20. Het beroep tegen het besluit van 3 juli 2018, voor zover gericht tegen de aanduiding "overige zone - reservering waterberging" is niet-ontvankelijk. Voor het overige is het beroep ongegrond.

Beroep tegen het besluit van 6 maart 2018

21. Zoals hiervoor is overwogen is het beroep tegen het besluit van 3 juli 2018, voor zover ontvankelijk, ongegrond. Omdat de door [appellant sub 2] bestreden plandelen daarmee in rechte onaantastbaar worden, heeft [appellant sub 2] geen belang meer bij een inhoudelijke bespreking van het beroep tegen het besluit van 6 maart 2018. Het plan van 3 juli 2018 vervangt immers het plan van 6 maart 2018. Het beroep tegen het besluit van 6 maart 2018 is daarom niet-ontvankelijk.

Proceskostenveroordeling

22. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 3]

23. [ appellant sub 3] is het niet eens met het plan omdat daarin aan een aantal percelen waar hij zijn bedrijf exploiteert de aanduiding "overige zone - reservering waterberging" is toegekend. Volgens hem is door een project rondom de beek De Run voldoende ruimte voor waterberging. De raad heeft niet gemotiveerd waarom zijn percelen ook nodig zijn als reserveringsgebieden voor waterberging.

24. De Afdeling stelt vast dat het beroep van [appellant sub 3] betrekking heeft op het besluit van 6 maart 2018 en dat het beroep op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege betrekking heeft op het besluit van 3 juli 2018 en het besluit van 29 januari 2019. De Afdeling zal eerst het beroep tegen het besluit van 29 januari 2019 beoordelen en vervolgens bezien of er nog belang bestaat bij een behandeling van het beroep gericht tegen de besluiten van 3 juli 2018 en 6 maart 2018.

Beroep tegen het besluit van 29 januari 2019

25. Het beroep van [appellant sub 3] is gericht tegen een onderdeel van het plan "Buitengebied 2017", dat herzien is met het op 29 januari 2019 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied 2017, eerste herziening". In dat bestemmingsplan zijn namelijk onder meer wijzigingen aangebracht op de verbeelding waar het gaat om de vorm en situering van de aanduiding "overige zone - reservering waterberging", waaronder die voor de gronden van [appellant sub 3]. De Afdeling zal bij de beoordeling van het beroep van [appellant sub 3] uitgaan van de situering van die aanduiding "overige zone - reservering waterberging" op grond van het bestemmingsplan van 29 januari 2019.

25.1.

De raad stelt zich op het standpunt dat hij op grond van artikel 14.1 van de Verordening gehouden is om de begrenzing van de aanduiding "Reservering waterberging" uit de Verordening op te nemen in het plan en daaraan een regeling te verbinden die mede strekt tot het behoud van het waterbergend vermogen van het gebied. De regeling, die is opgenomen in artikel 47, leden 47.25.1 tot 47.25.5, staat volgens de raad het agrarisch gebruik van de gronden niet in de weg. Verder heeft de raad toegelicht dat de aanduiding "overige zone - reservering waterberging" is veranderd in het plan van 29 januari 2019, "Buitengebied 2017, eerste herziening" vanwege de wijziging van de Verordening op 30 oktober 2018, waarin het ruimtebeslag voor waterbergingsgebieden is vergroot. Die aanpassing is doorgevoerd naar aanleiding van nieuwe berekeningen van Waterschap de Dommel voor de benodigde waterberging. Op basis hiervan is door provinciale staten de Derde wijzigingsverordening Verordening water Noord-Brabant vastgesteld, die weer heeft geleid tot wijziging van de Verordening.

25.2.

In het bestemmingsplan zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding "overige zone - reservering waterberging" op grond van artikel 47, lid 47.25.1, mede bestemd voor het behoud van het waterbergend vermogen van het gebied.

De Afdeling stelt vast dat de gronden van [appellant sub 3] waaraan in het plan de aanduiding "overige zone - reservering waterberging" is toegekend, overeenkomen met de gronden waaraan op de kaart die bij de Verordening hoort, zoals die gold ten tijde van de vaststelling van het plan "Buitengebied 2017, eerste herziening", de aanduiding "Reservering waterberging" is toegekend. Zoals de Afdeling hiervoor onder 14.2 heeft overwogen moet een bestemmingsplan op grond van artikel 14.1, eerste lid, van de Verordening ter plaatse van de aanduiding "Reservering waterberging" mede strekken tot behoud van het waterbergend vermogen van dat gebied en is de raad op grond van de Verordening gehouden ter plaatse van die aanduiding een regeling op te nemen.

De stelling van [appellant sub 3] dat door een project rondom de beek De Run voldoende ruimte voor waterberging zou zijn en zijn gronden niet nodig zouden zijn, volgt de Afdeling niet. De begrenzing van de aanduiding "Reservering waterberging" in de Verordening is de meest recente begrenzing die de raad moet hanteren. Bovendien heeft de raad ook toegelicht dat de wijziging van de begrenzing komt omdat het ruimtebeslag van de waterberging is vergroot naar aanleiding van nieuwe berekeningen van Waterschap de Dommel over de benodigde waterberging.

Voor zover [appellant sub 3] stelt dat in het bestemmingsplan "Buitengebied 2017, eerste herziening" het perceel gemeente Eersel, sectie L, nummer 407, is uitgesloten van de aanduiding voor reservering waterberging, dat dit ook voor zijn percelen zou moeten gelden en dat sprake is van ongelijke behandeling, stelt de Afdeling vast dat in het bestemmingsplan "Buitengebied 2017, eerste herziening" aan dit perceel deels de aanduiding "overige zone - reservering waterberging" is toegekend. Het betoog dat dit perceel is uitgesloten van die aanduiding en dat om die reden hetzelfde zou moeten gelden voor de percelen van [appellant sub 3] mist dan ook feitelijke grondslag.

Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid in het bestemmingsplan overeenkomstig de Verordening de aanduiding "overige zone - reservering waterberging" kunnen toekennen aan een deel van de gronden van [appellant sub 3].

Het betoog slaagt niet.

Conclusie besluit van 29 januari 2019

26. Het beroep tegen het besluit van 29 januari 2019 is ongegrond.

Besluiten van 3 juli en 6 maart 2018

27. Zoals hiervoor is overwogen is het beroep tegen het besluit van 29 januari 2019 ongegrond. Omdat de door [appellant sub 3] bestreden plandelen daarmee in rechte onaantastbaar worden, heeft [appellant sub 3] geen belang meer bij een inhoudelijke bespreking van de beroepen tegen het besluit van 3 juli 2018 en het besluit van 6 maart 2018. Het bestemmingsplan van 29 januari 2019 vervangt immers het bestemmingsplan van 3 juli 2018, dat het bestemmingsplan van 6 maart 2018 al had vervangen. De beroepen tegen de besluiten van 3 juli 2018 en 6 maart 2018 zijn daarom niet-ontvankelijk.

Proceskostenveroordeling

28. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De beroepen van [appellant sub 4] en [appellant sub 5]

Inleiding

29. [ appellant sub 4] en [appellant sub 5] exploiteren een rododendronkwekerij op de percelen gemeente Eersel, sectie K nummers 305 en 307 (hierna perceel K 305 en perceel K 307). Aan het perceel K 305 is onder meer de bestemming "Bos" en de aanduiding "specifieke vorm van bos - rododendronkwekerij" toegekend. Op dat perceel staan een houtschuur en een recreatiewoning. Aan het perceel K 307 is de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke waarden", de aanduiding "bedrijfswoning" en een bouwvlak toegekend. Op het perceel K 307 staat een gebouw dat wordt aangeduid als [locatie 5] en een gebouw dat wordt aangeduid als [locatie 6]. Aan dit laatste gebouw is ook de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - persoonsgebonden overgangsrecht bedrijfswoning" toegekend.

30. De Afdeling stelt vast dat de beroepen van [appellant sub 4] en [appellant sub 5] betrekking hebben op het besluit van 6 maart 2018 en dat de beroepen op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege betrekking hebben op het besluit van 3 juli 2018. De Afdeling zal eerst de beroepen tegen het besluit van 3 juli 2018 beoordelen en vervolgens bezien of er nog belang bestaat bij een beoordeling van het besluit van 6 maart 2018.

Beroepen tegen het besluit van 3 juli 2018

Perceel K 305

31. [ appellant sub 4] en [appellant sub 5] betogen dat aan het perceel K 305 ten onrechte geen agrarisch bouwvlak is toegekend. Daardoor is het niet mogelijk een stekkas op te richten. Het aan het perceel K 307 toegekende bouwvlak is volgens [appellant sub 5] niet groot genoeg.

31.1.

De Afdeling heeft in 2.37.1 van haar uitspraak van 18 november 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BU5399) overwogen dat het perceel K 305 in de Ecologische hoofdstructuur (EHS, nu: Natuur Netwerk Brabant) ligt en dat gelet hierop en bezien in het licht van het door de raad gehanteerde uitgangspunt om onnodige verstening in het buitengebied te voorkomen, de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een agrarisch bouwvlak op dit perceel niet wenselijk is nu daarmee ongewenste bebouwing, waaronder de bouw van een stekkas, kan worden gerealiseerd. De Afdeling zag in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid een zwaarder gewicht heeft kunnen toekennen aan dat belang dan aan het belang dat [appellant sub 5] en [appellant sub 4] hebben bij de bouw van een stekkas ter verbetering van hun bedrijfsvoering.

De Afdeling ziet geen aanleiding om nu anders te oordelen. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat de raad zijn uitgangspunt om verstening in het buitengebied tegen te gaan en om geen nieuwe bebouwing toe te staan nog steeds hanteert en [appellant sub 4] en [appellant sub 5] geen nieuwe relevante feiten of omstandigheden hebben aan gevoerd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

Het betoog slaagt niet.

32. [appellant sub 4] en [appellant sub 5] betogen dat de raad ten onrechte een houtschuur op het perceel K 305 niet heeft aangeduid in de verbeelding. Omdat de houtschuur legaal is, vereist de rechtszekerheid dat de houtschuur op de verbeelding wordt aangeduid. Bovendien is volgens [appellant sub 4] ten onrechte in het plan niet vastgelegd dat het gaat om een bedrijfsgebouw en evenmin is vastgelegd bij welke woning het gebouw behoort.

32.1.

De Afdeling heeft in 2.35.2 van haar genoemde uitspraak van 18 november 2011 al vastgesteld dat de houtschuur met bouwvergunning is gebouwd en heeft overwogen dat in het toen voorliggende bestemmingsplan "Buitengebied" de houtschuur op grond van de planregels was toegestaan.

Het nu voorliggende plan bevat eenzelfde soort regeling voor de houtschuur. Op grond van artikel 9, lid 9.2.3, van de planregels zijn bestaande gebouwen binnen de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke waarden" toegestaan. Omdat de houtschuur legaal is, valt het gebouw onder de definitie van "bestaand" als bedoeld in artikel 1, lid 1.27, onder a, van de planregels. Daarmee is de houtschuur een bestaand gebouw dat op grond van artikel 9, lid 9.2.3, is toegestaan. Naar het oordeel van de Afdeling volgt uit deze planregels dat de houtschuur als zodanig is bestemd. De planregeling voor de houtschuur is dan ook niet in strijd met de rechtszekerheid. De raad heeft, gelet op het voorgaande, in redelijkheid kunnen volstaan met de opgenomen regeling, waarmee de houtschuur als zodanig is bestemd. Hij hoefde de houtschuur dan ook niet op de verbeelding aan te duiden en, nu het gebouw niet als een bijgebouw is bestemd, ook niet vast te leggen bij welke woning dit gebouw hoort.

Het betoog slaagt niet.

33. [appellant sub 4] en [appellant sub 5] betogen dat de raad een recreatiewoning op het perceel K 305 ten onrechte niet als zodanig heeft bestemd. Zij stellen dat de recreatiewoning legaal is opgericht, dat er geen zicht bestaat op verwijdering daarvan en dat het gebruik ononderbroken wordt voortgezet.

[appellant sub 5] betoogt dat de wijze van meten is gewijzigd, waardoor de oppervlakte van de recreatiewoning is verkleind.

33.1.

De Afdeling heeft in 2.36.2 van haar genoemde uitspraak van 18 november 2011 overwogen dat de bewijslast dat de recreatiewoning legaal op het perceel aanwezig is, rust op [appellant sub 4] en [appellant sub 5], omdat zij daarop een beroep doen en dit door de raad wordt betwist. De Afdeling heeft in die uitspraak geoordeeld dat zij niet hebben aangetoond dat de recreatiewoning overeenkomstig een daartoe verleende vergunning is opgericht. Dat, zoals zij stellen, op een kaart van de Technische Dienst zuid-west Kempen van 1978 op deze locatie een gebouw staat ingetekend, bracht de Afdeling niet tot een ander oordeel, nu daarmee enkel aannemelijk is gemaakt dat destijds op die locatie een gebouw aanwezig was. Voor zover [appellant sub 4] en [appellant sub 5] in dit verband naar voren brachten dat de recreatiewoning onder het bouwovergangsrecht van het voorheen geldende plan is gebracht, overwoog de Afdeling dat volgens vaste jurisprudentie het in een bestemmingsplan opgenomen bouwovergangsrecht het illegale karakter van bouwwerken die zijn opgericht zonder de vereiste bouwvergunning onverlet laat. De Afdeling ging er daarom vanuit dat de recreatiewoning niet overeenkomstig een daartoe verleende vergunning is opgericht. Zij overwoog dat voor illegale bebouwing de raad in beginsel geen regeling in het plan hoeft op te nemen, omdat geen sprake is van verkregen rechten. Dat het gebouw gedurende lange tijd op het perceel aanwezig is, is geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan een uitzondering op deze hoofdregel moet worden gemaakt. De Afdeling oordeelde dat gelet op het vorenstaande de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de recreatiewoning op het perceel K305 niet als zodanig bestemd dient te worden.

De Afdeling ziet geen aanleiding om nu anders te oordelen. Daarbij acht zij relevant dat [appellant sub 4] en [appellant sub 5] geen nader bewijs hebben aangedragen dat de recreatiewoning legaal op het perceel aanwezig is. Zij hebben geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de recreatiewoning overeenkomstig een verleende vergunning is opgericht. Waar het gaat om het gestelde gebruik van het gebouw overweegt de Afdeling dat zij in haar uitspraak van 18 november 2011 heeft geoordeeld dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat het gebouw sinds de peildatum zonder onderbreking als recreatiewoning in gebruik is geweest, zodat het recreatieve gebruik van het gebouw niet onder de beschermende werking van het gebruiksovergangsrecht valt. [appellant sub 4] en [appellant sub 5] hebben ook in deze procedure niet met nader bewijs aannemelijk gemaakt dat sinds de peildatum het gebruik als recreatiewoning ononderbroken heeft plaatsgevonden zodat de Afdeling geen aanleiding ziet voor een ander oordeel over de toepasselijkheid van het gebruiksovergangsrecht. Ook doet de vraag of het gebruik van het gebouw al dan niet onder het gebruiksovergangsrecht valt niet af aan de illegaliteit van het bouwwerk.

Gezien het voorgaande hoefde de raad de recreatiewoning niet te bestemmen.

Waar het gaat om het betoog van [appellant sub 5] dat de oppervlakte van de recreatiewoning door de wijze van meten is verkleind, overweegt de Afdeling dat zij hiervoor heeft geoordeeld dat de raad de recreatiewoning niet als zodanig hoefde te bestemmen.

Het betoog slaagt niet.

34. [appellant sub 5] betoogt dat de planregeling voor het perceel K 305 ten onrechte niet duidelijk maakt of exploitatie van een kwekerij ter plaatse is toegestaan. Volgens hem is onduidelijk of grondbewerking, bemesten en beregenen in dit plan aanlegvergunningvrij in de EHS (nu: Natuur Netwerk Brabant) op dit perceel jaarrond plaats kunnen vinden. Ook is niet duidelijk of containervelden zijn toegestaan.

34.1.

Aan het perceel K 305 zijn de bestemming "Bos" en de aanduiding "specifieke vorm van bos - rododendronkwekerij" toegekend. Ingevolge artikel 9, lid 9.1.1, onder j, zijn de gronden bestemd voor een rododendronkwekerij. Voor zover [appellant sub 5] betoogt dat die aanduiding is verdwenen, mist dit betoog feitelijke grondslag.

Op grond van artikel 9, lid 9.3.1, onder a, zijn ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bos - rododendronkwekerij" containervelden met bijbehorende verhardingen en een beregeningsinstallatie met bijbehorende voorzieningen toegestaan. Uit artikel 9, lid 9.4.4, volgt dat de gronden ter plaatse van die aanduiding zijn uitgezonderd van het vereiste van een aanlegvergunning uit artikel 9, lid 9.4.1, waar het gaat om het aanleggen van wegen en het aanbrengen van overige verhardingen en voor het egaliseren, vergraven of ophogen van de bodem. Deze werken/werkzaamheden kunnen op perceel K 305 zonder aanlegvergunning plaatsvinden. Het bemesten en beregenen van de gronden, waarop [appellant sub 5] wijst, is niet gekoppeld aan het vereiste van een aanlegvergunning.

Afgezien van een strook in de noordwestelijke hoek is aan het perceel K 305 ook de aanduiding "overige zone - natuurnetwerk brabant" toegekend. Op grond van artikel 47, lid 47.19, van de planregels, geldt ter plaatse ook een aanlegvergunningenstelsel. Artikel 47, lid 47.19, onder 47.19.4, sub b, bevat echter een uitzondering voor onder andere het normale onderhoud en het normale gebruik overeenkomstig de bestemming. Gelet op de toegekende bestemming, die ter plaatse het gebruik voor een rododendronkwekerij toestaat, geldt het vereiste van een aanlegvergunning in verband met de ligging binnen de aanduiding "overige zone - natuurnetwerk brabant" niet voor dat toegelaten gebruik.

Gelet op het voorgaande zijn de door [appellant sub 5] gewenste bedrijfsactiviteiten voor de exploitatie van de rododendronkwekerij jaarrond toegestaan. Er bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat de planregeling rechtsonzeker is.

Het betoog slaagt niet.

Perceel K 307

35. Volgens [appellant sub 4] en [appellant sub 5] is het gebouw [locatie 6] ten onrechte niet bestemd als bedrijfswoning, naast het als bedrijfswoning bestemde gebouw [locatie 5] op het perceel. Niet is aangetoond dat het vanuit ruimtelijk oogpunt ongewenst is om twee bedrijfswoningen toe te staan. Het bestemmingsplan bevat ook mogelijkheden om op een perceel meerdere bedrijfswoningen toe te kennen. Door aan [locatie 6] alleen persoonsgebonden overgangsrecht toe te kennen, wordt de uitspraak van 21 september 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BT2147) ten onrechte niet gevolgd. Daarin is geoordeeld dat van rechtswege een woonvergunning is verleend voor [locatie 6] als bedoeld in artikel 60 van de Woningwet.

[appellant sub 4] betoogt verder dat niet is voldaan aan de eisen die worden gesteld voor toekenning van persoonsgebonden overgangsrecht. Volgens hem is persoonsgebonden overgangsrecht alleen toegestaan bij met het bestemmingsplan strijdig gebruik, voor natuurlijke personen en met het oog op het op termijn beëindigen van het gebruik. In dit geval is aan die voorwaarden niet voldaan, omdat het gebruik en de bestemming niet wijzigen, de raad niet beoogt een einde te maken aan het gebruik en het gebruik niet binnen afzienbare tijd eindigt. Verder is het persoonsgebonden overgangsrecht toegekend aan een bedrijf, Handelsonderneming Rhodos, in plaats van aan een natuurlijk persoon. Als de raad al zou kiezen om [locatie 6] niet als bedrijfswoning te bestemmen, had een uitsterfregeling moeten worden opgenomen. Volgens [appellant sub 4] heeft de Afdeling in een uitspraak van 7 mei 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1689) al geoordeeld dat het op de weg van de raad ligt om te bezien of een uitsterfregeling opgenomen had kunnen worden.

35.1.

De Afdeling heeft in 2.34.5 van haar genoemde uitspraak van 18 november 2011 overwogen dat de raad, gezien het gemeentelijke en provinciale beleid dat is gericht tegen onnodige verstening van het buitengebied en mede gelet op het abusievelijk legaliseren van het bestaande gebruik in het voorheen geldende plan, in redelijkheid het bestemmen van de bedrijfsruimte als bedrijfswoning niet wenselijk heeft kunnen achten. In overweging 2.34.5 staat verder dat de raad in dit geval in redelijkheid heeft kunnen kiezen voor het toekennen van persoonsgebonden overgangsrecht aan [appellant sub 4]. Hierbij heeft de Afdeling gewicht toegekend aan de omstandigheid dat bij ingebruikname van de bedrijfsruimte als woning [appellant sub 5] en [appellant sub 4] op de hoogte waren dat dit gebruik in strijd was met de bestemming, dat de raad abusievelijk deze illegale bewoning in het voorheen geldende plan niet heeft verboden en dat, gelet op de daartegen in het verleden gevoerde handhavingsactie, bij hen voldoende kenbaar was dat het gemeentebestuur niet voornemens was te berusten in het gebruik van de bedrijfsruimte als bedrijfswoning. Onder deze omstandigheden was de Afdeling van oordeel dat met het toekennen van persoonsgebonden overgangsrecht voor [appellant sub 4] voldoende recht wordt gedaan aan de gevestigde rechten en belangen van de bestaande gebruiker. Dat van rechtswege een woonvergunning op grond van het toenmalige artikel 60 van de Woningwet is verleend, leidde niet tot een ander oordeel. Uit die vergunning kan niet meer worden afgeleid dan dat ten tijde van de verlening daarvan geen sprake was van strijd met het bestemmingsplan en het gebouw op grond van daartoe strekkende regelgeving geschikt was voor bewoning en uit dien hoofde daarvoor in gebruik kon worden genomen, zo staat in de uitspraak van 18 november 2011.

35.2.

In wat [appellant sub 4] en [appellant sub 5] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding om nu anders te oordelen. Daarbij acht de Afdeling van belang dat de raad zijn uitgangspunt om verstening in het buitengebied tegen te gaan en om geen nieuwe bebouwing toe te staan nog steeds hanteert. Verder neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad het niet meer reëel acht om handhavend op te treden tegen de bewoning van het bedrijfspand, maar twee bedrijfswoningen op deze gronden ruimtelijk ongewenst acht en daarom gekozen heeft om net als in het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied" persoonsgebonden overgangsrecht toe te kennen. Daarmee heeft de raad dus de bestaande rechten bestemd. Over de uitspraak van 7 mei 2014, waar [appellant sub 4] naar verwijst, overweegt de Afdeling dat het in die uitspraak om een ander geval ging dan het geval dat hier aan de orde is, namelijk waarin gebruik in het vorige bestemmingsplan onder de beschermende werking van het algemene overgangsrecht valt. In dit geval is het gebruik opnieuw onder het persoonsgebonden overgangsrecht gebracht en zijn de bestaande rechten dus ook in dit bestemmingsplan opgenomen. Wat betreft de genoemde uitspraak van 21 september 2011 overweegt de Afdeling dat zij in haar uitspraak van 18 november 2011 al heeft overwogen dat ook een van rechtswege verleende woonvergunning niet het oordeel verandert dat met het toekennen van persoonsgebonden overgangsrecht voldoende recht is gedaan aan de gevestigde rechten en belangen van de bestaande gebruiker. De Afdeling ziet ook nu geen aanleiding voor een ander oordeel.

Het betoog van [appellant sub 4] dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor persoonsgebonden overgangsrecht volgt de Afdeling niet. Anders dan [appellant sub 4] stelt, geldt het vereiste dat de raad aannemelijk moet maken dat het gebruik wordt beëindigd niet bij toekenning van persoonsgebonden overgangsrecht. De enkele omstandigheid dat het gebruik niet binnen een redelijke en overzienbare termijn beëindigd zal worden, kan niet tot het oordeel leiden dat een bepaald gebruik niet onder het persoonsgebonden overgangsrecht kan worden gebracht omdat juist inherent is aan het persoonsgebonden karakter van het persoonsgebonden overgangsrecht dat het gebruik niet binnen een redelijke en overzienbare periode zal worden beëindigd, maar dat het eindigt met de beëindiging van het gebruik door degenen voor wie het persoonsgebonden overgangsrecht geldt (vergelijk de uitspraak van 18 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:755)). Waar [appellant sub 4] betoogt dat het persoonsgebonden overgangsrecht is toegekend aan een bedrijf, terwijl dat alleen kan worden toegekend aan natuurlijke personen, overweegt de Afdeling als volgt. Het toegekende persoonsgebonden overgangsrecht staat gebruik van de bedrijfsruimte als bedrijfswoning door de bestaande gebruiker toe, waarbij in artikel 51, lid 51.3.3, van de planregels de bestaande gebruiker wordt gedefinieerd als de persoon/personen die op het moment van het van kracht worden van deze regels volgens de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Eersel als hoofdbewoner en diens partner staan ingeschreven op het betreffende adres. Gelet hierop is het gebruik gekoppeld aan natuurlijke persoon of personen en niet aan een bedrijf. Het betoog dat persoonsgebonden overgangsrecht is toegekend aan een bedrijf, wat daar verder ook van zij, mist dan ook feitelijke grondslag.

Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid kunnen volstaan met toekenning van persoonsgebonden overgangsrecht aan het gebruik van het gebouw [locatie 6] als bedrijfswoning.

Het betoog slaagt niet.

35.3.

Voor zover [appellant sub 4] betoogt dat onduidelijk is wie onder "partner" wordt verstaan overweegt de Afdeling dat het op grond van artikel 51, lid 51.3.3, van de planregels moet gaan om degene die - naast de hoofdbewoner - is ingeschreven op het betreffende adres. Gelet hierop en gezien wat in het normale spraakgebruik onder "partner" moet worden verstaan is de planregel voldoende duidelijk. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat artikel 51, lid 51.3.3 rechtsonzeker is.

36. [appellant sub 5] betoogt dat de bestemming van de gebouwen [locatie 6] en [locatie 5] onduidelijk is en dat de huisnummers die op de verbeelding aan die gebouwen zijn toegekend in strijd zijn met het huisnummerbesluit van het college van burgemeester en wethouders en de Gemeentelijke basisadministratie. Ten onrechte is het persoonsgebonden overgangsrecht niet opgenomen, het adres [locatie 6] op het verkeerde pand gelegd en het adres [locatie 5] verdwenen. Volgens hem is de vastgestelde verbeelding verder onduidelijk omdat op de website van gemeente Eersel een afwijkende verbeelding is gepubliceerd, ook wat betreft een schuur op het naastgelegen perceel.

36.1.

Op perceel K 307 staat het voor [appellant sub 5] geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2017", zoals opnieuw vastgesteld bij besluit van 3 juli 2018, één bedrijfswoning bij recht toe, op grond van het in de verbeelding toegekende bouwvlak en de aanduiding "bedrijfswoning" in samenhang met artikel 5, lid 5.2.2, aanhef en onder c, sub 1, van de planregels. Verder is aan het gebouw dat wordt aangeduid als [locatie 6] in het plan de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - persoonsgebonden overgangsrecht bedrijfswoning" toegekend. Gelet hierop is op de gronden één bedrijfswoning bij recht toegestaan - het gebouw [locatie 5] - en is het gebruik van het gebouw [locatie 6] als bedrijfswoning toegestaan als persoonsgebonden overgangsrecht. Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de bestemming van de gebouwen onduidelijk is. Voor zover [appellant sub 5] verwijst naar de toegekende huisnummers overweegt de Afdeling dat de huisnummers niet in de verbeelding zijn opgenomen, maar deel uitmaken van de kadastrale ondergrond en dus planologisch gezien niet bindend zijn. In het aangevoerde bestaat geen grond voor het oordeel dat de verbeelding in zoverre onduidelijk zou zijn.

Voor zover [appellant sub 5] met zijn verwijzing naar een via de website van de gemeente Eersel gepubliceerde verbeelding doelt op de verbeelding die hoort bij het bestemmingsplan "Buitengebied 2017, eerste herziening", dat is vastgesteld op 29 januari 2019, overweegt de Afdeling dat dit bestemmingsplan blijkens de verbeelding geen betrekking heeft op de bestemming van de percelen van [appellant sub 5]. In het aangevoerde bestaat dus geen grond voor het oordeel dat de verbeelding onduidelijk is.

Het betoog slaagt niet.

Overige beroepsgronden

37. [appellant sub 5] betoogt verder dat in het plan ten onrechte de bestaande bedrijfsvoering op de bospercelen gemeente Eersel, sectie K, nummers 326, 319, 847, 289 niet is verzekerd.

37.1.

De Afdeling stelt vast dat aan de percelen gemeente Eersel, sectie K, nummers 326, 319, 847 en 289 de bestemming "Bos" is toegekend. Gelet op artikel 9, lid 9.1.1, zijn de gronden onder meer bestemd voor bosbouw en houtproductie, behoud, herstel en ontwikkeling van landschappelijke en natuurwaarden, behoud, herstel en ontwikkeling van de bestaande biotopen; het als zodanig in stand houden van de niet-beboste gedeelten en agrarisch gebruik gericht op natuurbeheer. In wat [appellant sub 5] heeft aangevoerd bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid deze bestemming aan de gronden heeft kunnen toekennen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het plan ter plaatse gebruik van de gronden toestaat, onder meer in de vorm van bosbouw en houtproductie en agrarisch gebruik, gericht op natuurbeheer.

Het betoog slaagt niet.

38. [appellant sub 5] betoogt dat in de planregels ten onrechte een uitzonderingsclausule is opgenomen die het overgangsrecht voor illegale bouwwerken en illegaal gebruik beperkt. Hiervoor ontbreekt hogere wetgeving.

38.1.

De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant sub 5] zo, dat hij stelt dat in de overgangsrechtelijke bepalingen voor bouwen en gebruik in de planregels ten onrechte uitzonderingen zijn opgenomen voor illegale bouwwerken - artikel 51, lid 51.1, - en illegaal aangevangen gebruik - artikel 51, lid 51.2. Daarover overweegt de Afdeling dat de raad op grond van de artikelen 3.2.1 en 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening verplicht is om deze overgangsrechtelijke bepalingen in de planregels op te nemen, inclusief de door [appellant sub 5] genoemde uitzonderingen voor illegale bouwwerken en illegaal aangevangen gebruik. De raad heeft overeenkomstig deze verplichting deze overgangsrechtelijke bepalingen in de planregels gezet. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat artikel 51, de leden 51.1 en 51.2 ten onrechte zijn opgenomen.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie besluit van 3 juli 2018

39. De beroepen van [appellant sub 4] en [appellant sub 5] zijn ongegrond.

Besluit van 6 maart 2018

40. Zoals hiervoor is overwogen zijn de beroepen tegen het besluit van 3 juli 2018 ongegrond. Omdat de door [appellant sub 4] en [appellant sub 5] bestreden plandelen daarmee in rechte onaantastbaar worden, hebben [appellant sub 4] en [appellant sub 5] geen belang meer bij een inhoudelijke bespreking van hun beroepen tegen het besluit van 6 maart 2018. Het plan van 3 juli 2018 vervangt immers het plan van 6 maart 2018. Hun beroepen tegen het besluit van 6 maart 2018 zijn daarom niet-ontvankelijk.

Proceskostenveroordeling

41. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Het beroep van [appellante sub 6]

42. [ appellante sub 6] exploiteert een melkveehouderij aan [locatie 7] in Eersel. Zij is het niet eens met de aan haar gronden toegekende planregeling omdat die uitbreiding van haar veehouderij beperkt.

43. De Afdeling stelt vast dat het beroep van [appellante sub 6] betrekking heeft op het besluit van 6 maart 2018 en dat het beroep op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege betrekking heeft op het besluit van 3 juli 2018. De Afdeling zal eerst het beroep tegen het besluit van 3 juli 2018 beoordelen en vervolgens bezien of er nog belang bestaat bij een beoordeling van het besluit van 6 maart 2018.

Beroep tegen het besluit van 3 juli 2018

44. [ appellante sub 6] betoogt dat in het plan aan een deel van haar gronden ten onrechte de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke waarden" met de aanduiding "overige zone - groenblauwe mantel" is toegekend. Volgens haar beperkt het bestemmingsplan ten onrechte de ontwikkeling van haar bedrijf, omdat in artikel 5, lid 5.2.2, onder a, gelezen in samenhang met artikel 5, lid 5.4.2, van de planregels eisen zijn gesteld bij uitbreiding van haar veehouderij. Ook komt de toegekende aanduiding niet overeen met de toezeggingen die het college van burgemeester en wethouders heeft gedaan.

44.1.

De raad stelt zich op het standpunt dat de in artikel 5, lid 5.2.2, onder a, gelezen in samenhang met artikel 5, lid 5.4.2, van de planregels opgenomen eisen die gelden voor uitbreiding van de veehouderij zijn voorgeschreven op grond van de Verordening. De aanduiding "overige zone - groenblauwe mantel" is volgens de raad overeenkomstig de Verordening opgenomen. Volgens de raad heeft deze aanduiding geen planologische gevolgen.

44.2.

Waar het gaat om de door [appellante sub 6] gestelde beperkingen begrijpt de Afdeling haar betoog zo, dat zij opkomt tegen de eisen waaraan bij uitbreiding van veehouderijen op grond van de planregels moet worden voldaan. De Afdeling overweegt hierover als volgt.

Op grond van de Verordening moet een bestemmingsplan voor veehouderijen een aantal eisen stellen aan ontwikkelingsmogelijkheden, waaronder de zogenoemde "Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij". Deze eisen gelden voor alle veehouderijen en gelden zowel ter plaatse van de "Groenblauwe mantel", op grond van artikel 6.3 van de Verordening, als het "Gemengd landelijk gebied", op grond van artikel 7.3. Ook de zogenoemde "stalderingsregeling" uit artikel 26.1 van de Verordening, die kortgezegd inhoudt dat uitbreiding van stallen alleen mogelijk is als er 110% van de uitbreiding aan stallen elders wordt gesloopt, is niet van toepassing door de ligging van de gronden in de "Groenblauwe mantel". Deze regeling is van toepassing omdat de gronden in het stalderingsgebied liggen, dat zich uitstrekt over Oost- en Midden-Brabant, waaronder het hele buitengebied van de gemeente Eersel.

Aan de gronden van [appellante sub 6] is de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke waarden" toegekend. De Afdeling stelt vast dat de raad de op grond van de Verordening gestelde eisen wat betreft deze bestemming heeft opgenomen in artikel 5, lid 5.2.2, onder a, gelezen in samenhang met artikel 5, lid 5.4.2, van de planregels. Op grond van artikel 5, lid 5.2.2, onder a, is een toename van de oppervlakte van dierenverblijven voor de uitoefening van een veehouderij niet toegestaan. Op grond van artikel 5, lid 5.4.2, kan het bevoegd gezag door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikellid 5.2.2 teneinde een toename van de oppervlakte van dierenverblijven voor de uitoefening van een veehouderij toe te staan, als aan de voorwaarden uit artikellid 5.4.2 wordt voldaan.

De raad heeft, gezien het voorgaande, deze planregeling met de daaruit volgende beperkingen voor de veehouderij van

[appellante sub 6] terecht opgenomen.

Het betoog slaagt in zoverre niet.

44.3.

Voor zover [appellante sub 6] stelt dat de toegekende aanduiding "overige zone - groenblauwe mantel" niet overeenkomt met gedane toezeggingen, overweegt de Afdeling als volgt. In de beantwoording van de inspraakreactie staat dat in overleg wordt getreden met de provincie over de aanduiding als "Groenblauwe mantel". De raad heeft desgevraagd toegelicht dat dit overleg ook heeft plaatsgevonden en dat de mogelijkheid van aanpassing van de begrenzing van het Natuur Netwerk Brabant besproken is. Omdat het provinciebestuur geen aanleiding zag de begrenzing aan te passen, is in het plan de aanduiding als "Groenblauwe mantel" overeenkomstig de Verordening aan een deel van de gronden van [appellante sub 6] toegekend, aldus de raad.

Gelet op het voorgaande is niet toegezegd dat de aanduiding als "Groenblauwe mantel" zou worden aangepast, maar dat dit zou worden besproken met de provincie. Dat is ook gedaan, maar het heeft niet geleid tot aanpassing. De raad heeft deze aanduiding daarom mogen toekennen aan een deel van de gronden van [appellante sub 6] , overeenkomstig de in de Verordening toegekende aanduiding "Groenblauwe mantel".

Het betoog slaagt ook in zoverre niet.

45. Het beroep tegen het besluit van 3 juli 2018 is ongegrond.

Beroep tegen het besluit van 6 maart 2018

46. Zoals hiervoor is overwogen is het beroep tegen het besluit van 3 juli 2018, voor zover ontvankelijk, ongegrond. Omdat de door [appellante sub 6] bestreden plandelen daarmee in rechte onaantastbaar worden, heeft [appellante sub 6] geen belang meer bij een inhoudelijke bespreking van het beroep tegen het besluit van 6 maart 2018. Het plan van 3 juli 2018 vervangt immers het plan van 6 maart 2018. Het beroep tegen het besluit van 6 maart 2018 is daarom niet-ontvankelijk.

Proceskostenveroordeling

47. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 7]

Inleiding

48. [ appellant sub 7] exploiteert aan de Eindhovenseweg in Steensel een boomkwekerij. Hij kan zich niet verenigen met het plan omdat het te weinig bouwmogelijkheden op zijn agrarisch perceel biedt.

48.1.

De Afdeling stelt vast dat het beroep van [appellant sub 7] betrekking heeft op het besluit van 6 maart 2018 en dat het beroep op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege betrekking heeft op het besluit van 3 juli 2018. De Afdeling zal eerst het beroep tegen het besluit van 3 juli 2018 beoordelen en vervolgens bezien of er nog belang bestaat bij een beoordeling van het besluit van 6 maart 2018.

Beroep tegen het besluit van 3 juli 2018

49. [appellant sub 7] wenst op het verharde gedeelte een (mobiele) toiletcabine en (mobiele) kantine voor zijn werknemers te plaatsen. [appellant sub 7] voert aan dat het plaatsen daarvan noodzakelijk is om aan de arbeidsomstandigheden- en milieuwetgeving te voldoen. Voor zover daarvoor een bouwvlak is vereist, verzoekt [appellant sub 7] dat een klein bouwvlak wordt toegekend. Verder wenst [appellant sub 7] een bouwvlak zodat hij een loods kan plaatsen voor noodzakelijke opslag van materieel. Eerder had hij al een loods geplaatst van 37,5 m² oppervlakte, maar daar heeft het gemeentebestuur handhavend tegen opgetreden. Volgens [appellant sub 7] kunnen de toiletcabine, kantine en loods zo worden geplaatst dat ze vanaf de weg niet zichtbaar zijn en dus geen ruimtelijke impact hebben. [appellant sub 7] stelt verder dat het toekennen van een klein bouwvlak niet in strijd is met de Verordening of enig gemeentelijk beleid.

Als laatste wenst [appellant sub 7] dat er ter plaatse van een bestaande berging op het perceel een bouwvlak ter grootte van 20 m² wordt opgenomen. [appellant sub 7] stelt dat deze berging in overeenstemming met een op 24 augustus 1978 verleende bouwvergunning is opgericht. De raad had de vergunde berging daarom als zodanig moeten bestemmen in het plan.

49.1.

De raad stelt dat voor het realiseren van de toiletcabine, kantine en loods een nieuw bouwvlak vereist is en dat het toevoegen daarvan volgens provinciaal beleid niet toegestaan is. Verder stelt de raad zich op het standpunt dat bebouwing op deze locatie niet wenselijk is vanwege de landschappelijke waarden. Daarnaast stelt de raad dat de bestaande berging in strijd met de vergunning is gebouwd en inmiddels volledig is vernieuwd. Voor de berging wordt daarom geen passende regeling in het plan opgenomen.

49.2.

De desbetreffende gronden zijn in het plan "Buitengebied 2017" van 3 juli 2018 bestemd als "Agrarisch met waarden - Landschappelijke waarden". Aan de gronden is geen bouwvlak toegekend.

Op grond van artikel 5, lid 5.2.5, aanhef en onder d, van de planregels zijn buiten het bouwvlak veldschuren en andere gebouwen niet toegestaan, met uitzondering van bestaande gebouwen.

In het voorheen geldende plan "Buitengebied" waren de gronden bestemd als "Agrarisch met waarden - Landschap" en was er ook geen bouwvlak toegekend.

49.3.

Artikel 3.1, tweede lid, onder a, van de Verordening bepaalt dat een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied gebruik maakt van een bestaand bouwperceel. Artikel 1.79 van de Verordening omschrijft een ruimtelijke ontwikkeling als bouwactiviteiten of planologische gebruiksactiviteiten waarvoor een wijziging van het planologisch regime nodig is. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" was aan de gronden van [appellant sub 7] geen bouwvlak toegekend en artikel 4, lid 4.2.5, onder d, van de planregels van dat plan liet het oprichten van gebouwen, zoals de toiletcabine, kantine en loods, buiten het bouwvlak niet toe. Omdat dat bestemmingsplan het oprichten van gebouwen ter plaatse niet toestond, is een wijziging van het planologisch regime nodig om de door [appellant sub 7] gewenste gebouwen op te kunnen richten. Derhalve stelt de Afdeling vast dat een plan dat de oprichting van de door [appellant sub 7] gewenste gebouwen, zoals de toiletcabine, kantine en loods, mogelijk maakt, voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.79 van de Verordening. Vaststaat dat de gronden van [appellant sub 7] buiten bestaand stedelijk gebied liggen en niet zijn aan te merken als bestaand bouwperceel als bedoeld in artikel 1.17 van de Verordening. Gelet hierop is het planologisch mogelijk maken van de gewenste bebouwing in strijd met artikel 3.1, tweede lid, onder a, van de Verordening.

Verder staat vast dat de gronden van [appellant sub 7] op de bij de Verordening behorende kaarten zijn aangewezen als "Gemengd landelijk gebied". De bijbehorende regels van de Verordening staan het toevoegen van een bouwvlak binnen die structuur niet toe. Voor zover [appellant sub 7] doelt op de regeling voor kleinschalige voorzieningen in artikel 7.15 van de Verordening overweegt de Afdeling dat, daargelaten of er sprake is van een kernrandzone, dat artikel blijkens de aanhef bedoeld is voor het oprichten van kleinschalige vrije-tijdsvoorzieningen en niet voor bedrijfsmatige voorzieningen.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat het planologisch mogelijk maken van de gewenste gebouwen in strijd is met de Verordening en het daarop aansluitende gemeentelijk beleid zoals vastgelegd in artikel 5, lid 5.2.5, aanhef en onder d, van de planregels. Het betoog slaagt niet. Overigens heeft de raad erop gewezen dat er in de nabije omgeving voldoende agrarische bouwpercelen beschikbaar zijn waar de activiteiten ten behoeve van de boomkwekerij kunnen plaatsvinden.

49.4.

Over het betoog van [appellant sub 7] dat er in 1978 een bouwvergunning is verleend voor een berging van 20 m², overweegt de Afdeling als volgt. [appellant sub 7] heeft niet aannemelijk gemaakt dat een dergelijke bouwvergunning is verleend. Desgevraagd heeft [appellant sub 7] een vergunning overgelegd van 3 augustus 1978 voor het oprichten van een opslag-/schuilplaats, maar daaruit blijkt niet welke maatvoering is vergund. Derhalve had de raad in de enkele verwijzing naar de vergunning uit 1978 geen aanleiding hoeven zien de berging in het plan positief te bestemmen. Ook anderszins bestond daartoe geen aanleiding. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad onweersproken heeft gesteld dat [appellant sub 7] in afwijking van de bouwvergunning van 1978 heeft gebouwd en dat [appellant sub 7] dat bouwwerk nadien geheel heeft vervangen. Verder neemt de Afdeling in aanmerking dat de berging in het voorgaande bestemmingsplan ook niet was bestemd, en dat, zoals hiervoor onder 49.3 is overwogen, een plan dat ter plaatse van het perceel van [appellant sub 7] voorziet in het realiseren van gebouwen in strijd is met de Verordening en het gemeentelijk beleid. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid aan kunnen sluiten bij de bestemming die in het vorige plan was toegekend. Het betoog slaagt niet.

Conclusie beroep tegen het besluit van 3 juli 2018

50. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 7] tegen het besluit van 3 juli 2018 ongegrond.

Beroep tegen het besluit van 6 maart 2018

51. Zoals hiervoor is overwogen is het beroep tegen het besluit van 3 juli 2018 ongegrond. Omdat het door [appellant sub 7] bestreden plandeel daarmee in rechte onaantastbaar wordt, heeft [appellant sub 7] geen belang meer bij een inhoudelijke bespreking van het beroep tegen het besluit van 6 maart 2018. Het plan van 3 juli 2018 vervangt immers het plan van 6 maart 2018. Het beroep tegen het besluit van 6 maart 2018 is daarom niet-ontvankelijk.

Proceskostenveroordeling

52. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beroep van [appellant sub 8]

Inleiding

53. [ appellant sub 8] woont aan de [locatie 8] in Eersel. [appellant sub 8] kan zich niet verenigen met het plan omdat aan een deel van zijn gronden ten onrechte een agrarische bestemming is toegekend.

53.1.

De Afdeling stelt vast dat het beroep van [appellant sub 8] betrekking heeft op het besluit van 6 maart 2018 en dat het beroep op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege betrekking heeft op het besluit van 3 juli 2018. De Afdeling zal eerst het beroep tegen het besluit van 3 juli 2018 beoordelen en vervolgens bezien of er nog belang bestaat bij een beoordeling van het besluit van 6 maart 2018.

Beroep tegen het besluit van 3 juli 2018

54. [appellant sub 8] richt zich tegen de bestemming "Agrarisch" die aan een deel van het perceel is toegekend. Volgens [appellant sub 8] worden de gronden al tientallen jaren, in ieder geval vanaf 1985, feitelijk gebruikt als tuin. Verder voert [appellant sub 8] aan dat zijn dochter dagelijks in een rolstoel of met rollator een rondje wandelt op het speciaal daarvoor aangelegde pad. [appellant sub 8] wenst dat het perceel, voor zover nodig, in overeenstemming met dit feitelijke gebruik wordt bestemd, bijvoorbeeld door daaraan een tuinbestemming toe te kennen, dan wel in de uitspraak op te nemen dat het gebruik in overeenstemming is met de huidige bestemming. Zijn belang daarbij is dat er over het aangelegde pad en het gebruik daarvan een besluit tot handhaving ligt omdat het college van burgemeester en wethouders strijdigheden met de agrarische bestemming heeft vastgesteld.

54.1.

De raad stelt zich op het standpunt dat er een woonbestemming moet worden toegekend om aan de wensen van [appellant sub 8] tegemoet te kunnen komen. Dat acht de raad ruimtelijk niet inpasbaar omdat het verhard oppervlak dan mogelijk wordt vergroot en niet duidelijk is op welke wijze in een waterberging wordt voorzien.

54.2.

De Afdeling overweegt dat in het stelsel van de Wro een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument is waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. Daarnaast staat er in paragraaf 5.15 van de plantoelichting dat het bestemmingsplan mogelijkheden biedt om nieuwe ontwikkelingen (van particulieren) op te nemen.

[appellant sub 8] heeft in zijn zienswijze verzocht de bestemming "Agrarisch" op het perceel M 997, gelegen aan de Heibloem tussen de woningen met nummer [locatie 8] en [locatie 9], te wijzigen naar een woonbestemming met de aanduiding tuin, dan wel een tuinbestemming. [appellant sub 8] heeft er daarbij op gewezen geen gebouwen te willen oprichten en de bestaande verharding niet verder te willen uitbreiden, en dat deze beperkingen zo nodig in de planregels of in de verbeelding kunnen worden opgenomen. Niet valt in te zien dat er voor de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid een concreter voornemen nodig is dan [appellant sub 8] in zijn zienswijze naar voren heeft gebracht. Derhalve had de raad een afweging moeten maken over de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het initiatief. Dat volgens de raad slechts bij uitzondering op één locatie in het plangebied een tuinbestemming is toegekend en dat bij een verzoek om een tuinbestemming wordt beoordeeld of een woonbestemming mogelijk is en dat daarvoor een binnenplanse wijzigingsbevoegdheid kan worden aangewend, is onvoldoende rechtvaardiging om een zodanige beoordeling van het initiatief van [appellant sub 8] achterwege te laten. Het had op de weg van de raad gelegen te beoordelen of de door [appellant sub 8] gewenste bestemming kon worden toegekend, en zo nodig aan [appellant sub 8] kenbaar te maken welke gegevens benodigd waren voor een dergelijke beoordeling, zodat hij in staat kon worden gesteld het verzoek tijdig met de benodigde en met nader genoemde onderzoeken aan te vullen. Het besluit is in zoverre onzorgvuldig voorbereid.

Het betoog slaagt.

Herhalen en inlassen zienswijze

55. [ appellant sub 8] heeft zich in het beroepschrift verder beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 8] heeft geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van die zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Het betoog slaagt niet.

Conclusie beroep tegen het besluit van 3 juli 2018

56. In hetgeen [appellant sub 8] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" op het perceel M 997, gelegen aan de Heibloem tussen de woningen met nummer [locatie 8] en [locatie 9] in Eersel, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

Beroep tegen het besluit van 6 maart 2018

57. De Afdeling heeft hiervoor onder 56 overwogen dat het besluit van

3 juli 2018 moet worden vernietigd voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" op het perceel M 997, gelegen aan de Heibloem tussen de woningen met nummer [locatie 8] en [locatie 9] in Eersel. Daarom ziet de Afdeling aanleiding om het beroep van [appellant sub 8] tegen het plan dat is vastgesteld bij besluit van 6 maart 2018 te behandelen.

57.1.

De Afdeling stelt vast dat het plan van 6 maart 2018 voor de gronden van [appellant sub 8] hetzelfde planologische regime bevat als dat van het plan van 3 juli 2018. Onder 56 is overwogen dat het beroep van [appellant sub 8] tegen het besluit van 3 juli 2018 gegrond is. Daarom is het beroep van [appellant sub 8] tegen het besluit van 6 maart 2018 ook gegrond. Het besluit van

6 maart 2018 dient gelet op het voorgaande te worden vernietigd voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" op het perceel M 997, gelegen aan de Heibloem tussen de woningen met nummer [locatie 8] en [locatie 9] in Eersel.

Proceskostenveroordeling

58. De raad dient op na te melden wijze te worden veroordeeld in de proceskosten.

Het beroep van [appellante sub 9]

Inleiding

59. [ appellante sub 9] is gevestigd aan het [locatie 10] in Steensel. Op de gronden zijn verschillende bedrijfsgebouwen en een bedrijfswoning aanwezig. [appellante sub 9] kan zich niet verenigen met het plan omdat een stalruimte die met een vergunning tot tijdelijke woongelegenheid is verbouwd, niet als zodanig is bestemd in het plan.

59.1.

De Afdeling stelt vast dat het beroep van [appellante sub 9] betrekking heeft op het besluit van 6 maart 2018 en dat het beroep op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege betrekking heeft op het besluit van 3 juli 2018. De Afdeling zal eerst het beroep tegen het besluit van 3 juli 2018 beoordelen en vervolgens bezien of er nog belang bestaat bij een beoordeling van het besluit van 6 maart 2018.

Beroep tegen het besluit van 3 juli 2018

60. Op het perceel dat kadastraal bekend staat als K, 1071 met als huisnummer [locatie 11], staat een bedrijfsgebouw dat door de ouders van [appellante sub 9] als woning gebruikt wordt. Voor de verbouwing tot woning en het gebruik als tijdelijke woongelegenheid is op 28 september 1988 een vergunning verleend. [appellante sub 9] stelt dat in die vergunning geen termijn aan het gebruik als woning is verbonden. Volgens [appellante sub 9] is de woning ten onrechte al meerdere keren onder het overgangsrecht gebracht en is de woning in dit plan opnieuw niet als zodanig bestemd. De raad stelt ten onrechte dat de woning een mantelzorgvoorziening is die geen regeling in het plan behoeft, omdat mantelzorg nooit is aangevraagd of vergund. Volgens [appellante sub 9] is het gebruik van de woning nog steeds niet beëindigd en zal dat ook niet worden beëindigd, zodat de raad een passende bestemming toe had moeten kennen.

[appellante sub 9] wenst primair dat de woning positief bestemd wordt, subsidiair wenst hij dat wordt voorzien in een andere regeling, zoals een uitsterfregeling.

60.1.

De raad stelt zich op het standpunt dat de vergunning was bedoeld voor tijdelijke woonruimte en dat nooit is beoogd een permanente woongelegenheid toe te staan. Volgens de raad wonen de ouders van [appellante sub 9] daar sinds 1997 en wordt dit beschouwd als mantelzorg waarvoor een regeling bestaat in het Besluit omgevingsrecht. Door die regeling is het gebruik van de noodwoning als mantelzorgvoorziening niet in strijd met het plan en valt het gebruik dus ook niet onder het overgangsrecht. Verder stelt de raad dat het toevoegen van een (bedrijfs-)woning in strijd is met de Verordening.

60.2.

De gronden zijn bestemd als "Agrarisch met waarden - Landschappelijke waarden" met een bouwvlak en onder meer de aanduiding "bedrijfswoning". Ingevolge artikel 5, lid 5.2.2, onder c, sub 1, van de planregels is maximaal één bedrijfswoning toegestaan. Ingevolge artikel 5, lid 5.5.2, onder f en g, van de planregels is het gebruik van de gronden voor woondoeleinden, anders dan toegestane bedrijfswoningen, en het bewonen van bedrijfsruimte strijdig met het bestemmingsplan.

60.3.

De Afdeling ziet zich eerst voor de vraag gesteld of er sprake is van een mantelzorgsituatie waarvoor, zoals de raad stelt, geen regeling in het plan vereist is.

Artikel 1, eerste lid, bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) omschrijft mantelzorg als: intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond.

[appellante sub 9] bestrijdt dat er intensieve zorg wordt aangeboden aan zijn ouders. Ook is er volgens [appellante sub 9] geen verklaring van een medisch specialist. De raad heeft niet onderbouwd waarom de situatie wel voldoet aan de definitie van mantelzorg in het Bor. De enkele door de raad gestelde omstandigheid dat de ouders van [appellante sub 9] in 1997 de woning zijn gaan bewonen, is gelet op de definitie van mantelzorg in het Bor onvoldoende. Derhalve heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er sprake is van een mantelzorgsituatie die geen regeling in het plan behoeft.

60.4.

Over het betoog van [appellante sub 9] dat het gebruik van de stalruimte wel als zodanig had moeten worden bestemd omdat daarvoor een vergunning is verleend, overweegt de Afdeling het volgende. Vaststaat dat een in rechte onaantastbare bouwvergunning is verleend voor het verbouwen van een stalruimte tot tijdelijke woongelegenheid en dat daarmee ook het gebruik als tijdelijke woongelegenheid is vergund. Verder staat vast dat dit vergunde gebruik niet is opgenomen in de plannen die daarna zijn vastgesteld. Zoals de Afdeling heeft overwogen bij uitspraak van 18 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:755, onder 5, komt na inwerkingtreding van een nieuw planologisch regime waarin bepaald gebruik niet is opgenomen, bij de vaststelling van een daarop volgend planologisch regime in beginsel geen doorslaggevende betekenis meer toe aan de onherroepelijke bouwvergunning waaruit dat gebruiksrecht voortvloeide. De enkele omstandigheid dat [appellante sub 9] over een bouwvergunning beschikt waaruit een gebruiksrecht voor wonen voortvloeit, leidt dan ook niet tot het oordeel dat de raad dit recht alleen om die reden als zodanig had moeten bestemmen. Voorts neemt de Afdeling in aanmerking dat weliswaar geen tijdsduur aan de verleende vergunning is verbonden, maar dat dit onverlet laat dat het gebouw als tijdelijke woongelegenheid is vergund. Naar het oordeel van de Afdeling verdraagt een positieve bestemming zich daar niet mee. Bovendien heeft de raad zich in het verweerschrift en bij brief van 29 april 2020 op het standpunt gesteld dat het toestaan van permanente bewoning door het toekennen van een woonbestemming niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening omdat ter plaatse geen goed woon- en leefklimaat heerst. Gelet op het voorgaande heeft de raad voldoende gemotiveerd waarom het plan niet voorziet in een woonbestemming voor de stalruimte. Het betoog slaagt niet.

60.5.

Vervolgens ligt ter beoordeling voor of het huidige gebruik van de stalruimte onder het overgangsrecht valt. Daartoe stelt de Afdeling vast dat het gebruik van de stalruimte voor woondoeleinden met gebruikmaking van de vergunning van 28 september 1988 door [appellante sub 9] is aangevangen en dat het daarna op 7 november 1989 vastgestelde plan "Buitengebied 1988" dat gebruik ter plaatse niet toeliet. Ingevolge de overgangsrechtbepalingen van dat plan mocht het bestaande gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat met de in het plan aangewezen bestemming in strijd was, worden voortgezet. Hiermee bevatte het plan uit 1988 een overgangsrechtelijke bepaling waarin illegaal bestaand gebruik niet was uitgesloten van het overgangsrecht. Het bestaande gebruik van de stalruimte voor woondoeleinden is in dat plan dus voor het eerst onder het overgangsrecht gebracht. Verder stelt de Afdeling vast dat het gebruik van de stalruimte voor woondoeleinden in de daaropvolgende plannen "Buitengebied 2009" en "Buitengebied 2013" ook niet is bestemd. Daarmee heeft de raad het gebruik van de stal voor woondoeleinden in het voorliggende plan voor de vierde keer onder het overgangsrecht gebracht.

Het opnieuw onder het overgangsrecht brengen van bestaand gebruik kan slechts onder bijzondere omstandigheden aanvaardbaar zijn. Hiervoor is vereist dat zicht bestaat op beëindiging van het gebruik. Indien dit niet het geval is, betekent dit niet dat het gebruik als zodanig moet worden bestemd. Gebruik in strijd met een geldende bestemming of gebruik dat onder het overgangsrecht valt, doet namelijk op zichzelf geen gerechtvaardigde verwachtingen ontstaan over een toe te kennen bestemming. Indien de raad van mening is dat het als zodanig bestemmen van het gebruik niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, ligt het op de weg van de raad om te bezien welke regeling kan worden getroffen om het bestaande legale gebruik in het plan te kunnen voortzetten.

Tussen partijen is niet in geschil dat de stalruimte na verlening van de vergunning als burgerwoning is gebruikt en dat dit gebruik niet is gewijzigd en ook niet zal worden beëindigd. Volgens de raad ligt een regeling in het plan niet voor de hand omdat er vanwege de mantelzorgsituatie geen sprake is van met het plan strijdig gebruik. Gelet op hetgeen onder 60.3 is overwogen, heeft de raad zich niet in redelijkheid op dat standpunt kunnen stellen. Onder de gegeven omstandigheden dat het gebruik van de stalruimte als burgerwoning voor de vierde keer onder het overgangsrecht is gebracht, dit gebruik niet zal worden beëindigd en dit gebruik ook niet valt te kwalificeren als mantelzorg, had de raad moeten bezien welke regeling voor dit gebruik passend is. Dit kan bijvoorbeeld door een uitsterfregeling of andere regeling in het plan op te nemen. Nu de raad niet in redelijkheid het gebruik van de stalruimte opnieuw onder het overgangsrecht heeft kunnen brengen en de raad ook niet heeft bezien welke regeling kan worden getroffen om het bestaande legale gebruik in het plan te kunnen voortzetten, heeft de raad het plan onzorgvuldig voorbereid. Het betoog slaagt.

Conclusie beroep tegen het besluit van 3 juli 2018

61. In hetgeen [appellante sub 9] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" op het perceel [locatie 11] in Steensel, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

Beroep tegen het besluit van 6 maart 2018

62. De Afdeling heeft hiervoor onder 61 verwogen dat het besluit van 3 juli 2018 moet worden vernietigd voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" op het perceel [locatie 11] in Steensel. Daarom ziet de Afdeling aanleiding om het beroep van [appellante sub 9] tegen het plan dat is vastgesteld bij besluit van 6 maart 2018 te behandelen.

62.1.

De Afdeling stelt vast dat het plan van 6 maart 2018 voor de gronden van [appellante sub 9] hetzelfde planologische regime bevat als dat van het plan van 3 juli 2018. Onder 61 is overwogen dat het beroep van [appellante sub 9] tegen het besluit van 3 juli 2018 gegrond is. Daarom is het beroep van [appellante sub 9] tegen het besluit van 6 maart 2018 ook gegrond. Het besluit van 6 maart 2018 dient gelet op het voorgaande te worden vernietigd voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" op het perceel [locatie 11] in Steensel.

Proceskostenveroordeling

63. De raad dient op na te melden wijze te worden veroordeeld in de proceskosten.

EINDCONCLUSIES BESLUITEN

64. In de bovenstaande rechtsoverwegingen zijn de conclusies per ingesteld beroep weergegeven. De Afdeling ziet, voor het overzicht, aanleiding om deze conclusies en de proceskostenveroordelingen hieronder samengevat weer te geven. Daarbij worden de conclusies, zoals ook hierboven bij bespreking van de beroepsgronden is gebeurd, per bestreden besluit geclusterd.

Het besluit van 29 januari 2019

65. De beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] tegen het besluit van 29 januari 2019 zijn ongegrond.

Het besluit van 3 juli 2018

66. De beroepen van [appellant sub 2], voor zover het betreft de vaststelling van de aanduiding "overige zone - reservering waterberging", en van [appellant sub 3] tegen het besluit van 3 juli 2018 zijn niet-ontvankelijk.

67. De beroepen van [appellant sub 2], voor zover ontvankelijk, [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellante sub 6] en [appellant sub 7] tegen het besluit van 3 juli 2018 zijn ongegrond.

68. De beroepen van [appellant sub 8] en [appellante sub 9] tegen het besluit van 3 juli 2018 zijn gegrond.

Het besluit van 6 maart 2018

69. De beroepen van [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellante sub 6] en [appellant sub 7] tegen het besluit van 6 maart 2018 zijn niet-ontvankelijk.

70. De beroepen van [appellant sub 8] en [appellante sub 9] tegen het besluit van 6 maart 2018 zijn gegrond.

Proceskostenveroordeling

71. Voor [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellante sub 6], [appellant sub 7] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

72. Voor [appellant sub 8] en [appellante sub 9] dient de raad op na te melden wijze te worden veroordeeld in de proceskosten.

OPDRACHT

73. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor de vernietigde plandelen met de bestemmingen "Agrarisch" voor het perceel [locatie 11] in Steensel en het perceel M 997, gelegen aan de Heibloem tussen de woningen met nummer 8 en 10 in Eersel, met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van:

a. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B];

b. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B];

c. [appellant sub 3];

tegen het besluit van de raad van de gemeente Eersel van 29 januari 2019 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2017, eerste herziening", ongegrond;

II. verklaart de beroepen van:

a. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], voor zover het betreft de vaststelling van de aanduiding "overige zone - reservering waterberging";

b. [appellant sub 3];

tegen het besluit van de raad van de gemeente Eersel van 3 juli 2018 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2017" niet-ontvankelijk;

III. verklaart de beroepen van:

a. [appellant sub 4];

b. [appellant sub 5],

c. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], voor zover ontvankelijk;

d. [appellante sub 6];

e. [appellant sub 7];

tegen het besluit van de raad van de gemeente Eersel van 3 juli 2018 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2017" ongegrond;

IV. verklaart de beroepen van:

a. [appellant sub 8];

b. [appellante sub 9];

tegen het besluit van de raad van de gemeente Eersel van 3 juli 2018 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2017" gegrond;

V. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Eersel van 3 juli 2018 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2017" voor zover het betreft de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel

a. M 997, gelegen aan de Heibloem tussen de woningen met nummer 8 en 10 in Eersel;

b. [locatie 11] in Steensel;

VI. verklaart de beroepen van:

a. [appellant sub 4];

b. [appellant sub 5];

c. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B];

d. [appellant sub 3];

e. [appellante sub 6];

f. [appellant sub 7];

tegen het besluit van de raad van de gemeente Eersel van 6 maart 2018 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2017" niet-ontvankelijk;

VII. verklaart de beroepen van:

a. [appellant sub 8];

b. [appellante sub 9];

tegen het besluit van de raad van de gemeente Eersel van 6 maart 2018 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2017" gegrond;

VIII. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Eersel van 6 maart 2018 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2017" voor zover het betreft de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel:

a. M 997, gelegen aan de Heibloem tussen de woningen met nummer 8 en 10 in Eersel;

b. [locatie 11] in Steensel;

IX. draagt de raad van de gemeente Eersel op om uiterlijk 1 juli 2021 met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen ten aanzien van de onder V en VIII genoemde plandelen en dit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

X. veroordeelt de raad van de gemeente Eersel tot vergoeding van in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten ten aanzien van:

a. [appellant sub 8] tot een bedrag van € 1.050 (zegge: duizendvijftig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. [appellante sub 9] tot een bedrag van € 1.050 (zegge: duizendvijftig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

XI. gelast dat de raad van de gemeente Eersel aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:

a. € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) voor [appellant sub 8];

b. € 338,00 (zegge: driehonderdachtendertig euro) voor [appellante sub 9]

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2020

429-865-881.

BIJLAGE

Verordening ruimte Noord-Brabant

Artikel 1 Begripsbepalingen

[…]

1.17

bestaand bouwperceel

bouwperceel waarbinnen het geldend bestemmingsplan het bouwen van gebouwen en bijbehorende bouwwerken met een gezamenlijke oppervlakte van meer dan 100 m² toestaat;

[…]

1.79

ruimtelijke ontwikkeling

bouwactiviteiten en planologische gebruiksactiviteiten waarvoor een wijziging van het planologisch regime nodig is;

[…]

Artikel 3 Bevordering ruimtelijke kwaliteit

3.1

Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit

1. De toelichting bij een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling bevat een verantwoording dat:

a. het plan bijdraagt aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, waaronder in ieder geval een goede landschappelijke inpasbaarheid;

b. toepassing is gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik.

2. Het principe van zorgvuldig ruimtegebruik als bedoeld in het eerste lid houdt in ieder geval in dat:

a. een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied gebruik maakt van een bestaand bouwperceel, tenzij in deze verordening uitdrukkelijk anders is bepaald;

[…]

Artikel 5 Natuur Netwerk Brabant

5.1

Bescherming Natuur Netwerk Brabant

1. Een bestemmingsplan gelegen in het Natuur Netwerk Brabant:

a. strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden;

b. stelt regels ter bescherming van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en houdt daarbij rekening met de overige aanwezige waarden en kenmerken

[…]

Artikel 6 Groenblauwe mantel

[…]

6.3

Veehouderijen

[…]

2. Een bestemmingplan gelegen in groenblauwe mantel bepaalt voor een veehouderij dat:

a. een toename van de oppervlakte van dierenverblijven alleen is toegestaan indien:

I. maatregelen worden getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij;

II. de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving en gelet op de aspecten als benoemd in artikel 3.1, derde lid, onder b en c, inpasbaar is in de omgeving;

III. is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;

IV. is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m3;

V. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling.

b. binnen gebouwen dieren -al dan niet in hokken- alleen op de grond gehouden mogen worden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden;

c. bij een gebruikswijziging van bestaande gebouwen, gericht op het in gebruik nemen van deze gebouwen als dierenverblijf, wordt voldaan aan de bepalingen zoals opgenomen onder a;

d. mestbewerking alleen is toegestaan ten behoeve van ter plaatse geproduceerde mest.

[…]

Artikel 7 Gemengd landelijk gebied

7.15

Kleinschalige voorzieningen

1. Een bestemmingsplan gelegen in de kernrandzone, dan wel een gebied dat gezien de ligging en het feitelijk gebruik gerekend kan worden tot de kernrandzone, in gemengd landelijk gebied kan voorzien in de nieuwvestiging of uitbreiding van voorzieningen voor veldsporten, volkstuinen, schuilhutten en andere kleinschalige vrije-tijdsvoorzieningen mits:

a. de beoogde ontwikkeling slechts kleinschalige bebouwing met zich brengt;

b. het bestemmingsplan borgt dat de voorziening inclusief de toegelaten bebouwing, kleinschalig blijft;

c. er sprake is van een beperkte publieksaantrekkende werking;

d. ontwikkeling onder toepassing van artikel 6.1, eerste lid (bescherming groenblauwe mantel), gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken.

2. Artikel 3.1, tweede lid onder a (verbod nieuwvestiging), is niet van toepassing op een kleinschalige voorziening als bedoeld in het eerste lid.

[…]

Artikel 11 Natuur netwerk Brabant - ecologische verbindingszone

11.1

Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone

1. In aanvulling op hoofdstuk 3 'Structuren' strekt een bestemmingsplan ter plaatse van de aanduiding 'Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone' tot de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone met een breedte van:

a. ten minste 50 meter in bestaand stedelijk gebied en zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling;

b. ten minste 25 meter in alle overige gebieden.

2. Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid, stelt regels voor zover dat nodig is om te voorkomen dat het gebied minder geschikt wordt voor de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone, waarbij in ieder geval:

a. beperkingen worden gesteld aan stedelijke, agrarische en recreatieve ontwikkelingen, in het bijzonder wat betreft de daarmee verband houdende bebouwing;

b. regels ten aanzien van het aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten van meer dan 100 m2, anders dan een bouwwerk.

3. Na realisatie van de ecologische verbindingszone is artikel 5.1 (bescherming NNB) van overeenkomstige toepassing.

[…]

Artikel 14 Reservering waterberging

14.1

Reservering waterberging

1. In aanvulling op hoofdstuk 3 'Structuren' strekt een bestemmingsplan ter plaatse van de aanduiding 'Reservering waterberging' mede tot behoud van het waterbergend vermogen van dat gebied.

2. De toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid bevat een verantwoording over de wijze waarop de geschiktheid van het gebied voor waterberging behouden blijft indien dat bestemmingsplan voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling.

[…]

Artikel 26 Stalderingsgebied

26.1

Stalderingsgebied

1. In aanvulling op artikel 6.3, eerste lid, en artikel 7.3, eerste lid, (veehouderij) bepaalt een bestemmingsplan ter plaatse van de aanduiding 'Stalderingsgebied' dat de vestiging van of de omschakeling naar een hokdierhouderij alleen is toegestaan als bewijs is overlegd dat:

a. binnen het stalderingsgebied bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of door herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd;

b. de oppervlakte van de sanering onder a. tenminste 110% bedraagt van de oppervlakte die met de vestiging of omschakeling in gebruik wordt genomen;

c. de sanering onder a. plaatsvindt in directe samenhang met de vestiging of omschakeling naar hokdierhouderij en dat voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een andere regeling.

2. In aanvulling op artikel 6.3, tweede lid, onder a en artikel 7.3, tweede lid, onder a (veehouderij) bepaalt een bestemmingsplan ter plaatse van de aanduiding 'Stalderingsgebied' dat een toename van de oppervlakte dierenverblijf binnen het bouwperceel voor een hokdierhouderij, door het oprichten of het in gebruik nemen van een gebouw als dierenverblijf, alleen is toegestaan als bewijs is overlegd dat:

a. binnen het stalderingsgebied bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd;

b. de oppervlakte van de sanering onder a. tenminste 110% bedraagt van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen;

c. de sanering onder a. plaatsvindt in directe samenhang met het oprichten of in gebruik nemen van een gebouw als dierenverblijf en dat voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een andere regeling.

3. Het bewijs dat aan de voorwaarden van het eerste en tweede lid is voldaan, wordt uitgegeven door of namens gedeputeerde staten.

4. In afwijking van artikel 2, derde lid, wordt onder een bestaand dierenverblijf in het eerste en tweede lid verstaan een feitelijk aanwezig, legaal opgericht dierenverblijf dat op grond van een omgevingsvergunning milieu, ex artikel 2.1, eerste lid onder e Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, ex artikel 2, eerste lid, onder i Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of melding, ex artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer, op 17 maart 2017 en de daaraan voorafgaande drie jaar onafgebroken bedrijfsmatig is gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren.

Planregels Buitengebied 2017 (3 juli 2018)

Artikel 1 Begrippen

[…]

1.27

Bestaand:

a. t.a.v. bebouwing: bebouwing, zoals legaal aanwezig op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan, dan wel die mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning;

b. t.a.v. gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals legaal aanwezig op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen.

[…]

1.51

Extensief recreatief medegebruik:

die vormen van natuurvriendelijke recreatie welke in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen, fietsen, picknicken, kanoën, survivaltochten en natuurgerichte recreatie zoals vogelobservatie.

[…]

Artikel 3 Agrarisch

3.1

Bestemmingsomschrijving

3.1.1

Algemeen

De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. agrarisch gebruik;

b. nevenactiviteiten (voor zover in 3.1.2 worden toegestaan);

c. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

d. extensief recreatief medegebruik;

e. doeleinden van openbaar nut;

f. erfbeplanting;

g. tuinen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak', alsmede voortuinen tussen de aanduiding 'bouwvlak' en de weg, en tussen de bestemming Wonen en de weg;

h. behoud en herstel van cultuurhistorische en historisch-stedenbouwkundige waarden ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden';

i. militaire doeleinden ter plaatse van de aanduiding 'militaire zaken';

j. bestaande bedrijfswoningen met bijbehorende bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning',

een en ander met bijbehorende voorzieningen, waaronder perceelsontsluitingen en sloten, en overeenkomstig de in 3.1.2. opgenomen nadere detaillering van de doeleinden.

3.1.2

Nadere detaillering van de bestemming

[…]

l. Extensief recreatief medegebruik

Het gehele gebied gelegen binnen deze bestemming mag worden gebruikt ten behoeve van extensief recreatief medegebruik. Ter ondersteuning van het recreatief medegebruik worden beperkte recreatieve voorzieningen toegestaan in het gehele gebied zoals paden, banken, picknicktafels, bewegwijzering e.d.

[…]

3.7

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

3.7.1

Vergunningplicht

Het is verboden op of in de voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de in het schema onder 3.7.4. opgenomen werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren.

[…]

3.7.4

Schema omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

[…]

Artikel 5 Agrarisch met waarden - Landschappelijke waarden

[…]

5.2

Bouwregels

5.2.2

Bebouwing binnen bouwvlak

Ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' mogen uitsluitend worden opgericht:

a. agrarische bedrijfsgebouwen; met dien verstande dat een toename van de oppervlakte van dierenverblijven voor de uitoefening van een veehouderij niet is toegestaan;

b. agrarische bedrijfsbouwen in de vorm van kassen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'glastuinbouw', kassen in de vorm van teeltondersteunende voorzieningen zijn binnen het bouwvlak toegestaan, met dien verstande dat uitbreiding van kassen is uitgesloten ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel';

c. voor bedrijfswoningen geldt het volgende:

1. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' is een bedrijfswoning toegestaan, en maximaal één per aanduiding;

2. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' in combinatie met 'maximum aantal wooneenheden' is het aangegeven maximale aantal wooneenheden het toegestane maximale aantal bedrijfswoningen;

d. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van het agrarisch bedrijf.

[…]

5.2.5 (

Maatvoering) bebouwing buiten bouwvlak

Voor het oprichten van bouwwerken buiten de aanduiding 'bouwvlak' geldt het volgende:

[…]

d. Veldschuren en andere gebouwen zijn niet toegestaan. In afwijking hiervan zijn bestaande gebouwen toegestaan, alsmede gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen'. Deze gebouwen mogen blijven bestaan, waarbij de bestaande situering, de bestaande goot- en bouwhoogte en de bestaande inhoud als maximum geldt.

[…]

5.4.2

Afwijking uitbreiding bebouwing ten behoeve van een veehouderij

1. Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.2.2 teneinde een toename van de oppervlakte van dierenverblijven voor de uitoefening van een veehouderij toe te staan, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a. de bebouwing is niet gelegen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - natuurnetwerk brabant';

b. de bebouwing is niet gelegen ter plaatse van ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij'. Dit geldt niet indien er sprake is van een grondgebonden veehouderij;

c. er zijn maatregelen getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij;

d. de ontwikkeling is vanuit een goede leefomgeving inpasbaar in de omgeving;

e. de maatregelen als bedoeld onder c., in ieder geval voldoen aan de door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant gestelde nadere regels Verordening ruimte 2014 Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV), zoals deze gelden op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag, met dien verstande dat, indien deze regels gedurende de planperiode worden gewijzigd, rekening wordt gehouden met de wijziging;

f. er is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan de genoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke tenminste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;

g. er is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 ìg/m³;

h. er is een zorgvuldige dialoog gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de ontwikkeling;

i. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;

j. er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Bijlage 2) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document;

k. binnen gebouwen mogen dieren -al dan niet in hokken- alleen op de begane grond gehouden worden, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen, waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden;

I. n aanvu[l]ling op het bepaalde onder a. tot en met k. is binnen het stalderingsgebied een toename van de oppervlakte dierenverblijf binnen het bouwperceel voor een hokdierhouderij, door het oprichten of het in gebruik nemen van een gebouw als dierenverblijf, uitsluitend toegestaan als bewijs is overlegd dat:

1. binnen het stalderingsgebied bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd;

2. de oppervlakte van de sanering onder 1. tenminste 110% bedraagt van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen;

3. de sanering onder 1. plaatsvindt in directe samenhang met het oprichten of in gebruik nemen van een gebouw als dierenverblijf en dat voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een andere regeling;

m. de vestiging van, de uitbreiding van, de omschakeling naar en een toename van de oppervlakte dierenverblijf van geitenhouderijen is niet toegestaan, tenzij het verbod zoals opgenomen in de provinciale verordening is opgeheven;

n. bij een gebruikswijziging van bestaande gebouwen, gericht op het in gebruik nemen van deze gebouwen als dierenverblijf, wordt voldaan aan de bepalingen zoals opgenomen onder a. tot en met m.

[…]

Artikel 9 Bos

9.1

Bestemmingsomschrijving

9.1.1

Algemeen

1. De voor 'Bos' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. bosbouw en houtproductie;

b. behoud, herstel en ontwikkeling van landschappelijke en natuurwaarden;

c. behoud, herstel en ontwikkeling van de bestaande biotopen;

d. het als zodanig instandhouden van de niet-beboste gedeelten;

e. behoud en bescherming van de aardkundige waarden;

f. behoud, herstel en ontwikkeling van cultuurhistorische en landschappelijke waarden;

g. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

h. extensief recreatief medegebruik;

i. agrarisch gebruik gericht op natuurbeheer;

j. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bos - rododendronkwekerij', een rododendronkwekerij;

k. ter plaatse van de aanduiding 'militaire zaken', militaire doeleinden,

een en ander met bijbehorende voorzieningen zoals (on)verharde paden en overeenkomstig de in 9.1.2. opgenomen nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving.

[..]

9.2

Bouwregels

9.2.3

Bijbehorende bouwwerken

Veldschuren en andere gebouwen zijn niet toegestaan. In afwijking hiervan zijn bestaande gebouwen toegestaan, alsmede gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen'. Deze gebouwen mogen blijven bestaan, waarbij de bestaande situering, de bestaande goot- en bouwhoogte en de bestaande inhoud als maximum geldt.

[…]

9.3

Specifieke gebruiksregels

9.3.1

Gebruik overeenkomstig de bestemming

Onder gebruik in overeenstemming met de bestemming wordt in ieder geval begrepen gebruik van gronden en/of opstallen voor:

a. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bos - rododendronkwekerij' zijn containervelden met bijbehorende verhardingen en een beregeningsinstallatie met bijbehorende voorzieningen toegestaan.

[…]

9.4

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

9.4.1

Vergunningplicht

Het is verboden op of in de voor 'Bos' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de in het schema onder 9.4.4 opgenomen werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren.

9.4.2

Uitzonderingen vergunningplicht

Het onder 9.4.1 vervatte verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden:

a. welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde (omgevings)vergunning/ontheffing of anderszins mogen worden uitgevoerd;

b. welke betreffen het normale onderhoud en/of landschapsbeheer.

9.4.3

Toetsing aan aanwezige waarden

De in 9.4.1 bedoelde vergunning wordt slechts verleend indien na een belangenafweging blijkt dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de aanwezige waarden als opgenomen in 9.1. Ten behoeve van de belangenafweging zijn in het schema onder 9.4.4 de toetsingscriteria weergegeven.

9.4.4

Schema omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

[…]

Artikel 47 Algemene aanduidingsregels

[…]

47.19

Overige zone - natuurnetwerk brabant

47.19.1

Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - natuurnetwerk brabant' zijn de gronden bestemd voor het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.

[…]

47.20

Overige zone - natuurnetwerk brabant ecologische verbindingszone

47.20.1

Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - natuurnetwerk brabant ecologische verbindingszone' zijn de gronden tevens aangewezen voor de instandhouding van waarden teneinde de toekomstig te realiseren ecologische verbindingszones, niet onmogelijk te maken.

47.21

Overige zone - groenblauwe mantel

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel'zijn de gronden tevens bestemd voor behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.

[…]

47.25

Overige zone - reservering waterberging

47.25.1

Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - reservering waterberging' zijn de gronden mede bestemd voor het behoud van het waterbergend vermogen van dat gebied.

47.25.2

Bouwregels

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - reservering waterberging' mag, in afwijking van hetgeen elders in deze regels is bepaald, op of in deze zone begrepen gronden, met uitzondering van de gronden binnen een bouwvlak geen bebouwing worden opgericht.

47.25.3

Afwijken van de bouwregels

a. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken van het bepaalde in d ten behoeve van bebouwing als toegestaan ingevolge de voor deze gronden geldende bestemmingen, indien door de bouw en situering van de betreffende bebouwing het waterbergend vermogen van de gronden niet wordt aangetast.

b. Alvorens te beslissen over de omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in bij het waterschap.

47.25.4

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

a. Verboden werken en werkzaamheden:

Het is verboden op de gronden gelegen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - reservering waterberging' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: 1. Ophogen van gronden.

2. Het aanbrengen van kaden of het wijzigen daarvan.

3. Het verzetten van grond (verlagen, vergraven, ophogen of egaliseren van de bodem) van meer dan 100 m3 of op een diepte van meer dan 0,60 m onder maaiveld).

4. Het leggen van leidingen resp. het diepploegen, diepwoelen van de bodem op diepte van meer dan 0,60 m.

5. Het uitvoeren van heiwerken of het anderszins indringen van voorwerpen in de bodem.

6. Het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten, of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels.

7. De aanleg van drainage ongeacht de diepte tenzij het gaat om vervanging van bestaande drainage dan wel het anderszins verlagen van de grondwaterstand.

8. Het verwijderen van landschapselementen die ten tijde van het van kracht worden van het plan aanwezig waren.

9. Het beplanten van gronden met bos, hoger dan 2,5 m, opgaand houtgewas in verband met boomteelt of houtteelt.

10. Het verwijderen van onverharde wegen of paden.

11. Het aanleggen en/of verharden van wegen of paden, dan wel aanbrengen van andere niet omkeerbare oppervlakteverhardingen groter dan 100 m².

b. Uitzonderingen:

Het onder a. vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

1. het normale onderhoud betreffen overeenkomstig de bestemmingen van deze gronden, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn en/of voortvloeien uit het normale gebruik overeenkomstig de bestemming;

2. krachtens een verleende vergunning reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.

c. Toelaatbaarheid:

1. De onder a. genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien door deze werken of werkzaamheden, geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het waterbergende vermogen van de gronden.

2. Alvorens te beslissen over de verlening van de omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in bij het waterschap.

[…]

Artikel 51 Overgangsrecht

51.1

Overgangsrecht bouwwerken

1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.

3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

51.2

Overgangsrecht gebruik

1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

[…]

51.3

Persoonsgebonden overgangsrecht

51.3.1

Specifieke vorm van wonen - persoonsgebonden overgangsrecht

Voor de gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - persoonsgebonden overgangsrecht' geldt het volgende:

Het gebruik als burgerwoning mag worden voortgezet door diegene die het gebouw gebruiken als burgerwoning ten tijde van het van kracht worden van dit bestemmingsplan. Zodra het gebruik als burgerwoning door de bestaande gebruikers wordt beëindigd vervalt het recht op gebruik van deze gebouwen als burgerwoning. Als bestaande gebruiker wordt aangemerkt de persoon/personen:

-die op het moment van het van kracht worden van deze regels volgens de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Eersel als hoofdbewoner en diens partner staan ingeschreven op het betreffende adres;

-of waarvan op een andere wijze vaststaat dat die op het moment van het van kracht worden van deze regels als de hoofdbewoner en diens partner zijn aan te merken.

[…]