Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2198

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-09-2020
Datum publicatie
09-09-2020
Zaaknummer
201901886/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 december 2018 heeft de raad van de gemeente Halderberge het bestemmingsplan "Borchwerf II, herziening veld F" vastgesteld. Het bedrijventerrein Borchwerf II is gesitueerd op gronden gelegen binnen de gemeenten Halderberge en Roosendaal en is verdeeld in verschillende velden. Het plan voorziet, voor zover thans van belang, in de mogelijkheid om een ontsluitingsweg te realiseren op het grondgebied van de gemeente Halderberge ten behoeve van een distributiecentrum op veld B kavel B10/B15, welk kavel zich bevindt op gronden die zijn gelegen in de gemeente Roosendaal. In de huidige situatie - het distributiecentrum is inmiddels gerealiseerd en in gebruik - kan het distributiecentrum alleen worden benaderd vanuit de zuidelijke route, via de Gastelseweg. De voorgenomen ontsluitingsroute van het distributiecentrum loopt in noordelijke richting naar de Roosendaalsebaan en de A17 via bestaande wegen op veld F.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201901886/1/R2.

Datum uitspraak: 9 september 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

De maatschap DRV accountants & adviseurs, gevestigd te Oud Gastel, gemeente Halderberge, en anderen (hierna: DRV en andere),

appellanten,

en

de raad van de gemeente Halderberge,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Borchwerf II, herziening veld F" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben DRV en andere beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Caprev Roosendaal B.V. (hierna: Caprev) heeft een nader stuk ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: StAB) heeft desverzocht een deskundigenverslag uitgebracht.

DRV en andere hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juli 2020, waar DRV en andere, vertegenwoordigd door mr. E.C.J. Wouters en mr. M.P. Wolf, beiden advocaat te Breda, bijgestaan door ing. N.B. Bouchiba, deskundige, en de raad, vertegenwoordigd door mr. R. Timmermans en ing. C.M.H.M. Braspenning, bijgestaan door drs. D. Walraven, deskundige, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Caprev, vertegenwoordigd door mr. L.J. Wildeboer, advocaat te Amsterdam, bijgestaan door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], als partij gehoord.

Overwegingen

I. Inleiding/Voorgeschiedenis

1.    Het bedrijventerrein Borchwerf II is gesitueerd op gronden gelegen binnen de gemeenten Halderberge en Roosendaal en is verdeeld in verschillende velden. Het plan voorziet, voor zover thans van belang, in de mogelijkheid om een ontsluitingsweg te realiseren op het grondgebied van de gemeente Halderberge ten behoeve van een distributiecentrum op veld B kavel B10/B15, welk kavel zich bevindt op gronden die zijn gelegen in de gemeente Roosendaal. In de huidige situatie - het distributiecentrum is inmiddels gerealiseerd en in gebruik - kan het distributiecentrum alleen worden benaderd vanuit de zuidelijke route, via de Gastelseweg. De voorgenomen ontsluitingsroute van het distributiecentrum loopt in noordelijke richting naar de Roosendaalsebaan en de A17 via bestaande wegen op veld F. Het is de bedoeling dat de zuidelijke route na openstelling van de noordelijke route wordt afgesloten, met uitzondering van het gebruik voor hulp- en nooddiensten.

Veld F is gelegen in de gemeente Halderberge. Het is in de huidige situatie voor gemotoriseerd verkeer niet mogelijk om van veld B via veld F te rijden. De noordwestelijke hoek met een oppervlakte van 76 m2 en de zuidkant met een oppervlakte van 165 m2 van de te realiseren ontsluitingsweg liggen in de gemeente Roosendaal en zijn inmiddels planologisch mogelijk gemaakt. Het overige deel van de ontsluitingsweg ligt in de gemeente Halderberge en heeft een oppervlakte van 932 m2. Op dit deel van de ontsluitingsweg ziet het voorliggende plan. In het plan is aan de gronden waarop de ontsluitingsweg is voorzien, de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf-ontsluitingsweg B10/B15" toegekend. Dit gedeelte van de ontsluitingsweg loopt over het bedrijfsterrein van het distributiecentrum en zal geen openbare weg zijn.

1.1.    Appellanten DRV en andere zijn elf bedrijven die zijn gevestigd op veld F en twee verenigingen die opkomen voor de belangen van op Veld F gevestigde eigenaren van onroerend goed. DRV en andere stellen dat de bestaande inrichting van veld F niet is afgestemd op een hoge verkeersintensiteit en al helemaal niet op het te verwachten vrachtverkeer van en naar het distributiecentrum. Zij vrezen dat de ontsluitingsweg zal leiden tot onaanvaardbare (verkeers)overlast voor bedrijven op veld F en aantasting van de werkomstandigheden op veld F.

2.    Het distributiecentrum dat met het plan wordt ontsloten is voorzien in het bestemmingsplan "Borchwerf II, reparatieplan veld B". Dit bestemmingsplan is door de raad van de gemeente Roosendaal vastgesteld op 15 september 2017 en in rechte onaantastbaar. Al bij de totstandkoming van dat bestemmingsplan is onderzoek gedaan naar ontsluiting van het distributiecentrum via de noordelijke route. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Milieueffecten noordelijke en zuidelijke ontsluitingsroute veld 810 en 815 Borchwerf II gemeente Roosendaal/Halderberge" van de Omgevingsdienst Midden- en West Brabant van 16 februari 2017 en het rapport "Verkeersonderzoek ontwikkeling Delin Borchwerf II" van Goudappel Coffeng van 25 augustus 2017. Het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal heeft voor het distributiecentrum op 16 maart 2017 een omgevingsvergunning verleend aan Caprev, die in rechte onaantastbaar is. Caprev heeft het distributiecentrum ontwikkeld ten behoeve van Delin Capital Asset Management. Delin verhuurt het distributiecentrum aan Lidl. Het distributiecentrum is, als gezegd, gerealiseerd en in gebruik en wordt op dit moment ontsloten via de zuidelijke ontsluiting.

II. Toetsingskader

3.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

4.    De relevante bepalingen zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

III. Het beroep van DRV en andere

5.    DRV en andere kunnen zich niet verenigen met de ontsluitingsweg en hebben daartegen een groot aantal beroepsgronden naar voren gebracht, die hierna worden besproken.

Publicatie

6.    DRV en andere betogen dat ten onrechte niet de definitieve maar een conceptversie van de zienswijzennota is gepubliceerd op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Daardoor ontbreekt ook een aanvullend verkeersonderzoek van Goudappel Coffeng dat de raad naar aanleiding van de ingediende zienswijzen heeft laten verrichten en dat bij de definitieve versie van de zienswijzennota is gevoegd.

6.1.    De raad erkent dat op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl per abuis een conceptversie van de zienswijzennota is gepubliceerd in plaats van de vastgestelde juiste versie. Gedurende de beroepstermijn waren volgens de raad op de gemeentelijke website echter wel de juiste stukken beschikbaar. De raad meent dat DRV en andere niet zijn benadeeld door de gang van zaken omdat zij kennis hebben genomen van de definitieve versie van de nota van zienswijzen en daartegen ook beroepsgronden hebben aangedragen.

6.2.    De beroepsgrond heeft betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en betreft niet het juridisch bindende deel van het plan. Reeds om deze redenen kan dat de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan dan ook geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit. Het betoog faalt.

Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012

7.    DRV en andere betogen dat in strijd met de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (hierna: SVBP 2012) een weg is voorzien binnen de hoofdgroep "Bedrijf". Een weg valt binnen de hoofdgroep "Verkeer" en daarom moet die bestemming worden toegekend. Het betreft geen ontsluiting omdat het perceel al is ontsloten via de zuidelijke route.

7.1.    In de functielijst behorende bij de SVBP 2012 is voor de functie 'weg' de hoofdgroep ‘Verkeer’ aangewezen. In de functielijst behorende bij de SVBP 2012 is voor de functie 'ontsluiting' geen specifieke hoofdgroep aangewezen, zodat op grond van paragraaf 5.3 in de SVBP 2012 het gebruik van die functie niet is beperkt tot de hoofdgroep Verkeer.

7.2.    De raad stelt dat de op grond van dit plan te realiseren ontsluiting, waar in het plan een bedrijfsbestemming aan is toegekend, geen openbare weg zal zijn, maar deel zal gaan uitmaken van de interne infrastructuur van het distributiecentrum, en verder uitsluitend zal dienen als in- en uitrit van het distributiecentrum. Gelet hierop kon de ontsluitingsweg worden opgenomen in de hoofdgroep "Bedrijf". Het betoog faalt.

Verkeersonderzoeken en rapport van de Omgevingsdienst

8.    DRV en andere hebben betoogd dat de raad het plan ten onrechte heeft gebaseerd op het rapport "Milieueffecten noordelijke en zuidelijke ontsluitingsroute veld 810 en 815 Borchwerf II gemeente Roosendaal / Halderberge" van de Omgevingsdienst Midden- en West Brabant van 16 februari 2017 (hierna: het rapport van de Omgevingsdienst) en het rapport "Verkeersonderzoek ontwikkeling Delin Borchwerf II" van Goudappel Coffeng (hierna: het verkeersonderzoek van 25 augustus 2017).

DRV en andere hebben ten aanzien van het verkeersonderzoek van 25 augustus 2017 een tegenrapport en aanvullend tegenrapport van Grenspaal 12 van 17 december 2018 en van 21 november 2019 overgelegd (hierna: het tegenrapport en het aanvullende tegenrapport) ter onderbouwing van de hierna te bespreken gronden. DRV en andere betogen dat het rapport van de Omgevingsdienst waarin een geluidonderzoek is opgenomen onjuist is. Zij voeren daartoe aan dat is uitgegaan van onjuiste uitgangspunten voor wat betreft de modellering van de verkeersaantrekkende werking, de locatie van de geluidschermen, de woningen aan de Gastelseweg die aan de woonbestemming worden onttrokken en het aantal voertuigen op de Gastelseweg.

8.1.    De raad stelt dat hij zich bij de vaststelling van het plan mocht baseren op het rapport van de Omgevingsdienst en het verkeersonderzoek van 25 augustus 2017. Uit het verkeersonderzoek blijkt dat de relevante kruispunten het totale verkeer binnen een aanvaardbare tijd van 80 seconden kunnen verwerken. Na het bestreden besluit is nader onderzoek verricht door Goudappel Coffeng waarvan de resultaten zijn beschreven in de "Validatie verkeersberekeningen Delin" van 4 juni 2019 (hierna: de validatie). Omdat de verkeersgeneratie van het distributiecentrum (vanwege het werken in ploegendiensten) nog niet voldoende in het verkeersmodel was voorzien en omdat de ontwikkelingen in Borchwerf op veld F sneller waren gegaan dan eerder werd verwacht, is het verkeersonderzoek geactualiseerd. Daarbij is rekening gehouden met een volledige bezetting van veld F. Ook zijn de modelresultaten op wegvakniveau en kruispuntniveau in dit onderzoek gevalideerd aan de hand van verkeerstellingen. De resultaten zijn opgenomen in de validatie en leiden niet tot andere inzichten omtrent de doorstroming van het verkeer, aldus de raad. Voorts heeft Goudappel Coffeng gereageerd op het beroepschrift en met name op het tegenrapport van Grenspaal 12 in de memo "Verkeerskundige onderbouwing ontsluiting Lidl" van 9 augustus 2019. In dit memo is tevens de validatie betrokken. De geprognosticeerde verkeersgeneratie uit het eerdere rapport van Goudappel Coffeng is in dat memo vergeleken met de werkelijke verkeersgeneratie. Die blijkt een fractie hoger dan de eerder aangenomen 2.900 mvt/etmaal. Het blijken circa 3.000 mvt/etmaal te zijn, waarvan ongeveer 427 vrachtwagenbewegingen. Met die aantallen is opnieuw de belasting van de kruispunten berekend omdat daar eventuele problemen het eerst zullen optreden. Daaruit blijkt dat de kruispunten met een enkele aanpassing het totale verkeer binnen een aanvaardbare tijd van 80 seconden kunnen verwerken, aldus de raad.

     Volgens de Omgevingsdienst heeft de noordelijke variant de voorkeur omdat bij een noordelijke ontsluitingsroute de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde ter plaatse van geluidgevoelige bestemmingen als gevolg van de verkeersaantrekkende werking niet wordt overschreden. Bij handhaving van dezuidelijke ontsluitingsroute, ter plaatse van de onderzochte woningen aan de Gastelseweg, wordt de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) en zelfs de grenswaarde van 65 dB(A) etmaalwaarde overschreden. Bij een noordelijke ontsluitingsroute is de geluidsbelasting op omliggende woningen significant lager dan bij een zuidelijke ontsluitingsroute (een verschil in geluidsbelasting van 18,6 tot 41,2 dB).

8.2.    Ten aanzien van het rapport van de Omgevingsdienst overweegt de Afdeling het volgende. In het deskundigenverslag heeft de StAB geconcludeerd dat het geluidonderzoek zoals beschreven in dit rapport geen vertekend of onjuist beeld geeft van de modellering van de verkeersaantrekkende werking, het meenemen van de woningen aan de Gastelseweg als geluidgevoelige bestemmingen en de aantallen voertuigen op de Gastelseweg. Daaraan heeft de StAB het volgende ten grondslag gelegd.

     Volgens de StAB is de route van de alternatieve zuidelijke ontsluiting weliswaar over te lange afstand gemodelleerd, maar het advies van de Omgevingsdienst geeft daardoor geen vertekend of onjuist beeld van de geluidbelasting van het verkeer van en naar de inrichting. Verder is volgens de StAB de route van de noordelijke ontsluiting ook over te lange afstand gemodelleerd. Uit de gegevens van de raad en initiatiefnemer blijkt namelijk dat de nieuwe ontsluitingsweg volledig in eigendom van initiatiefnemer is en onderdeel uit gaat maken van de inrichting. De noordelijke ontsluitíng van het verkeer van en naar de inrichting moet daarom beginnen bij de aansluiting van de nieuwe ontsluitingsweg met de weg Klerkenveld. De noordelijke ontsluiting ligt dermate ver van de meest nabijgelegen woning (Gastelseweg 245; circa 200 meter), dat de geluidbelasting vanwege het verkeer van en naar de inrichting bij die woning gering is.

     In het deskundigenverslag staat over de geluidschermen dat in de regels van bestemmingsplan "Reparatieplan Borchwerf ll veld B" is vastgelegd dat een bedrijf op kavel B10/15 alleen is toegestaan indien ter plaatse van de aanduidingen "geluidscherm" twee geluidschermen geplaatst zijn. Deze schermen zijn noodzakelijk om bij de woníngen te kunnen voldoen aan de geluidnormen voor industrielawaai, vanwege het geluid vanuit de inrichting. Daarom zijn deze schermen ook gemodelleerd in het advies van de Omgevingsdienst. Deze schermen hebben dus niet als doel het geluid van het verkeer van en naar de inrichting af te schermen. Verder blijkt uit het advies van de Omgevingsdienst dat in de situatie zonder schermen al sprake is van een overschrijding van de geluidnormen door het verkeer via de zuidelijke route van en naar de inrichting. De deskundige stelt bovendien vast dat maatregelen om het geluid af te schermen van het verkeer dat over de Gastelseweg van en naar het distributiecentrum van Lidl rijdt niet mogelijk is, omdat de woningen direct aan de Gastelseweg staan.

     In het deskundigenverslag staat dat op grond van de huidige woonbestemming de bestaande woningen langs de Gastelseweg geluidgevoelige gebouwen zijn. Bij de beoordeling van de gevolgen van het voorliggende plan dient daarom rekening te worden gehouden met het effect van de verkeersaantrekkende werking op de geluidbelasting bij deze woningen, zoals de raad heeft gedaan. Uit het rapport van de Omgevingsdienst blijkt dat in het geluidonderzoek rekening is gehouden met de geluidgevoelige gebouwen Gastelseweg 227, 229, 231, 238, 239, 243, 244, 245 en 247. Niet gebleken is dat er op dit moment ook concrete plannen zijn om de woningen Gastelseweg 227, 229, 231, 238 en 244 aan de woonbestemming te onttrekken. ln de desbetreffende bestemmingsplannen is daar ook niets over vermeld. De woning aan de Gastelseweg 247 is inmiddels gesloopt en heeft geen woonbestemming meer en ten aanzien van de woningen aan de Gastelseweg 239, 243 en 245 zijn plannen om die aan de woonbestemming te onttrekken. In het deskundigenverslag is uiteengezet dat de gevolgen van de verkeersaantrekkende werking op de geluidbelasting niet anders worden indien de woningen Gastelseweg 239, 243 en 245 en 247 buiten beschouwing worden gelaten.

    In het deskundigenverslag staat ten slotte dat in het rapport van de Omgevingsdienst bij het bepalen van de geluidbelasting vanwege het verkeer van en naar de inrichting via de alternatieve zuidelijke ontsluiting over de Gastelseweg niet is uitgegaan van te lage aantallen vervoersbewegíngen. Verder is uiteengezet waarom er geen rekening gehouden moest worden met het overige verkeer op de Gastelseweg. Bovendien leidt de noordelijke ontsluiting niet tot een relevante extra geluidbelasting bij de woningen aan de Gastelseweg. Dit in tegenstelling tot de alternatieve zuidelijke ontsluiting, aldus de StAB.

     DRV en andere hebben geen concrete aanknopingspunten genoemd op grond waarvan aan de juistheid van de bevindingen van de StAB moet worden getwijfeld. Gelet op deze bevindingen concludeert de Afdeling dat de betogen die zich richten tegen de uitgangspunten in het rapport van de Omgevingsdienst falen en dat de raad bij zijn besluitvorming van dat rapport kon uitgaan.

8.3.    Ten aanzien van het verkeersonderzoek van 25 augustus 2017 overweegt de Afdeling als volgt. Ten aanzien van het betoog van DRV en andere dat de in het rapport van Goudappel Coffeng genoemde procentuele (relatieve) toenames niet juist zijn berekend, overweegt de Afdeling als volgt. Goudappel Coffeng heeft op 19 oktober 2018, naar aanleiding van de zienswijzen, de "Verkeerskundige reactie op zienswijze bezwaarhebbenden tegen herziening BP veld F" uitgebracht. Daarin is door Goudappel Coffeng beaamd dat de relatieve toenames niet goed zijn berekend. De juiste toenames zijn alsnog berekend. Daaruit volgt dat op wegvakniveau de toename van het aantal verkeersbewegingen niet voor knelpunten zorgt op het gebied van doorstroming (l/C-waarde <0,8). Gelet op deze bevindingen van Goudappel Coffeng veranderen de conclusies van het oorspronkelijke onderzoek dus niet. DRV en andere hebben niet onderbouwd dat ook deze nader berekende toenames niet juist zijn.

     DRV en andere betogen dat relevante inputgegevens ontbreken om de door Goudappel Coffeng uitgevoerde verkeersanalyses adequaat te kunnen toetsen. De Afdeling stelt vast dat de StAB de betreffende gegevens heeft opgevraagd, dat deze zijn overgelegd en zijn bijgevoegd bij het deskundigenverslag. De StAB heeft niet geconcludeerd dat de gegevens niet toereikend zijn en dat aanvullende gegevens dienen te worden opgevraagd. DRV en andere hebben niet aangetoond dat de gegevens desondanks ontoereikend waren.

     DRV en andere betogen dat de opstelvakken op de Blauwhekken en de voorsorteervakken om linksaf te slaan bij de kruising naar de Roosendaalsebaan te kort zijn. Dat zal de verkeersdoorstroming negatief beïnvloeden en de kans op ongevallen verhogen, omdat er straks geregeld voertuigen zullen stilstaan. Wachtrijen bij de verkeerslichten nemen toe. DRV en andere betogen dat een voorwaardelijke verplichting moet worden opgenomen in het plan, gericht op verlenging van de betreffende vakken. Volgens de StAB zijn de opstelvakken op de Blauwhekken en de linksafvakken bij de kruising naar de Roosendaalsebaan te kort. Goudappel Coffeng heeft evenwel vastgesteld dat het kruispunt met een enkele aanpassing, namelijk, een beperkte verlenging van een ‘linksaffer’, het totale verkeer binnen een aanvaardbare tijd van 80 seconden kan verwerken. De Afdeling stelt vast dat er ook fysiek ruimte is om die aanpassing te realiseren. De StAB adviseert om regelmatig de verkeersdoorstroming te monitoren. Voor een voorwaardelijke verplichting op dit punt bestaat geen ruimte omdat het de gemeente zelf is die het in haar macht heeft om de noodzakelijke maatregelen te treffen.

     DRV en andere betogen dat niet alle relevante kruispunten zijn geanalyseerd. In de onderzoeken ontbreken bij de kruispuntberekeningen op de Roosendaalsebaan de verkeersintensiteiten op de afslag naar Het Appeltje, die het tegenover veld F gelegen veld A van het bedrijventerrein ontsluit. Goudappel Coffeng heeft op de zitting toegelicht dat bij de kruispuntberekening ook de verkeersintensiteit naar de ontsluitingsweg Het Appeltje is betrokken. De StAB heeft evenmin melding gemaakt van het ontbreken van gegevens terzake van de afslag Het Appeltje in de kruispuntberekening.

     Ten slotte betogen DRV en andere dat de Blauwhekken een functie heeft als doorgaande wandel- en/of fietsroute en dat de vrachtwagens een onveilige situatie voor dit verkeer veroorzaken, omdat er geen voorzieningen zijn voor langzaam verkeer. Goudappel Coffeng en de StAB hebben vastgesteld dat de Blauwhekken geen functie heeft als doorgaande wandel- en/of fietsroute. DRV en andere hebben het tegendeel niet aangetoond.

     De hiervoor besproken betogen van DRV en andere kunnen dan ook niet slagen.

8.4.    DRV en andere hebben aangevoerd dat ten onrechte niet in aanmerking is genomen dat een groot deel van de bedrijfskavels van veld F nog niet in gebruik is. Indien rekening zou zijn gehouden met een volledig ingevuld veld F, zouden de verkeersintensiteiten aanzienlijk hoger zijn. Ook om andere redenen is met te lage verkeersaantallen gerekend. De Afdeling stelt vast dat de verkeersonderzoeken van Goudappel Coffeng op het punt van de bezetting van veld F en de omvang van de verkeersgeneratie ten tijde van het nemen van het bestreden besluit onvolledig waren. De Afdeling ziet daarvoor ook bevestiging in de eerst na het bestreden besluit opgestelde validatie en de memo "Verkeerskundige onderbouwing ontsluiting Lidl" van

9 augustus 2019. Ook het betoog van DRV en andere dat ten tijde van het bestreden besluit onvoldoende is onderbouwd dat gebruik kon worden gemaakt van het regionale verkeersmodel van de GGA-regio West-Brabant omdat niet het volledige veld F was verdisconteerd, treft, gelet op het vorenstaande, doel. De Afdeling stelt vast dat het ten tijde van het bestreden besluit uitgevoerde verkeersonderzoek op genoemde punten onvolledig is geweest en het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. De betogen slagen.

Alternatieven en nut en noodzaak

9.    DRV en andere betogen dat de raad ten onrechte niet voor alternatief 3 uit de "Quickscan ontsluitingsvarianten" van 31 januari 2018 (hierna de quickscan) heeft gekozen, namelijk, een zuidelijke ontsluiting over de Gastelseweg en de Wagonstraat. Zij stellen dat uit de quickscan volgt dat het gebruik van de Gastelseweg als alternatieve ontsluitingsvariant als voordeel heeft dat het distributiecentrum kan worden ontsloten via de huidige infrastructuur. Daarnaast is de overlast voor veld F nihil. Dat de noordelijke variant een meerwaarde heeft boven deze variant is niet deugdelijk onderbouwd. DRV en andere betogen verder dat er geen noodzaak is voor het realiseren van de noordelijke ontsluiting, aangezien het distributiecentrum kan worden ontsloten via de zuidelijke ontsluiting.

9.1.    De raad moet bij de keuze van een bestemming een afweging maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven moeten in die afweging worden meegenomen. De Afdeling stelt vast dat de raad dit ook heeft gedaan. Met de quickscan zijn drie alternatieven voor de voorliggende route onderzocht. Naast de bestaande (zuidelijke) ontsluitingsroute via de Gastelseweg zijn dat een korte noordelijke route naar de Roosendaalsebaan, met een knip in Klerkenveld, en een westelijke ontsluiting via Belder, met een verbinding tussen de Gastelseweg en Belder. Uit de quickscan blijkt dat de korte noordelijke ontsluitingsroute en de westelijke route niet logisch zijn om het hoofdwegennet te bereiken en aanvullende maatregelen nodig zijn. Daarnaast heeft het verkeer op alle (drie) alternatieve routes langere afstanden af te leggen op het onderliggend wegennet. Met de zuidelijke ontsluiting zal de geluidbelasting op de woningen aan de Gastelseweg daarenboven toenemen. De raad heeft daarom gekozen voor de in het plan opgenomen noordelijke ontsluiting.

9.2.    ln het deskundigenverslag staat dat ook de door DRV en andere aangedragen alternatieve ontsluitingsroutes zijn onderzocht. Met een noordelijke ontsluiting hoeft het grootste deel van het gemotoriseerd verkeer een kleinere afstand tot het rijkswegennet af te leggen dan bij een zuidelijke ontsluiting. Verder zal ook tijdwinst een rol spelen, afhankelijk van de mate van doorstroming. Daarnaast heeft de noordelijke ontsluiting geen nadelige gevolgen voor het aspect geluid, in tegenstelling tot de alternatieve zuidelijke ontsluiting.

9.3.    De reacties van DRV en andere op het deskundigenverslag omtrent de lengte van de route naar het rijkswegennet, het aantal kruispunten en de woningen aan de Gastelseweg vinden geen grondslag in de stukken. Een aantal woningen aan de Gastelseweg zal immers in gebruik blijven en bij een keuze voor een blijvende ontsluiting via de Gastelseweg (al dan niet in combinatie met de Wagonstraat) reeds op het aspect geluid overbelast blijven.

9.4.    De betogen van DRV en andere geven de Afdeling geen aanleiding om aan de bevindingen van de StAB te twijfelen en te oordelen dat de raad bij de afweging van de ruimtelijke belangen niet heeft kunnen kiezen voor de noordelijke ontsluiting. De betogen falen.

Vergewisplicht

10.    DRV en andere betogen dat de raad het plan heeft vastgesteld zonder te voldoen aan de vergewisplicht van artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna Awb) en het zorgvuldigheidsbeginsel. De raad heeft zich gebaseerd op het verkeersonderzoek van 25 augustus 2017 en de

quickscan. De raad heeft nagelaten zich ervan te vergewissen dat deze rapporten naar wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent zijn. Uit de reactie van het college van burgemeester en wethouders van Halderberge op een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) blijkt namelijk dat deze rapporten en de onderliggende gegevens zoals de invoergegevens niet in het bezit van de gemeente, maar in bezit zijn van de onderzoeksinstanties en de aanvrager.

10.1.    Uit artikel 3:9 van de Awb volgt dat indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is uitgeoefend, zoals hier het geval is omdat het onderzoek in opdracht van Caprev is uitgeoefend, het bestuursorgaan zich ervan dient te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad voldaan aan deze uit artikel 3:9 van de Awb voortvloeiende vergewisplicht. De raad heeft desgevraagd verklaard kennis te hebben genomen van het verkeersonderzoek, de quickscan en de onderliggende gegevens. De onderzoeken zijn ook als bijlagen bij de plantoelichting gevoegd. De raad stelt dat de onderliggende gegevens, waaronder de invoergegevens, in bezit van het onderzoeksbureau Goudappel Coffeng zijn gebleven, maar dat hij daarvan kennis heeft kunnen nemen. De afwijzing van een Wob-verzoek door het college van burgemeester en wethouders van Halderberge, omdat het de gegevens niet onder zich heeft, is onvoldoende om te concluderen dat de raad zich er niet van heeft vergewist dat de onderzoeken op zorgvuldige wijze hebben plaatsgevonden. Het betoog faalt.

Bestemming "Bedrijf"

11.    DRV en andere betogen dat op gronden met de bestemming "Bedrijf" ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels ten onrechte andere en ruimere vormen van gebruik mogelijk zijn dan de ontsluiting. Voorts betogen DRV en andere dat op grond van artikel 3, lid 3.2.2, van de planregels op de gronden die bedoeld zijn voor de ontsluitingsweg ook een parkeergarage en andere grote bouwwerken kunnen worden opgericht. Zij achten dat onwenselijk.

11.1.    In artikel 3, lid 3.1, onder d, van de planregels is bepaald dat ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf-ontsluitingsweg B10/B15" uitsluitend een ontsluitingsweg is toegestaan ten behoeve van de ontsluiting van kavel B10/B15. Dat betekent dat de andere in lid 3.1 vermelde vormen van gebruik daar niet zijn toegestaan. Gelet hierop kunnen een parkeergarage of andere grote bouwwerken, zoals DRV en andere hebben aangevoerd, daar niet worden opgericht. De vrees van DRV en andere is ongegrond. De betogen falen.

Bestemming "Natuur"

12.    DRV en andere betogen dat in het vorige bestemmingsplan "Borchwerf II" bewust de bestemming "Natuur" is toegekend aan de grond waarop de ontsluitingsweg is voorzien. Deze grond is volgens de toelichting van het vorige plan een natuurparel. Het bestemmingsplan doet daaraan afbreuk. De raad heeft dat onvoldoende meegewogen. Bij het ontwikkelen van het bedrijventerrein Borchwerf II is ook afgesproken dat elk veld zijn eigen ontsluiting zou krijgen en dat een ontsluiting van het een veld dus niet over een ander veld, zoals in dit geval over veld F, zou lopen.

12.1.    Het is juist dat het vorige plan niet voorzag in de noordelijke ontsluiting maar in een natuurbestemming. De raad kan echter op basis van gewijzigde planologische inzichten komen tot een andere ruimtelijke inrichting dan waar ten tijde van de ontwikkeling van het bedrijventerrein vanuit werd gegaan. Weliswaar is ten tijde van de ontwikkeling van het bedrijventerrein gekozen voor een indeling in velden met daartussen groenstroken, maar inmiddels is hier een groot distributiecentrum gevestigd. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze nieuwe omstandigheid voldoende aanleiding geeft om in dit geval af te wijken van de oorspronkelijk gehanteerde gescheiden velden met groenstroken daartussen. Dat het plan onaanvaardbare gevolgen heeft voor natuurwaarden is gesteld noch gebleken. De effecten op flora en fauna zijn onderzocht in een Quickscan Natuur Veld F Borchwerf II van 24 augustus 2017. Daaruit volgt dat er geen noemenswaardige gevolgen zijn voor de natuur. In het gebied was in het verleden al een weg aanwezig met een hoogspanningsleiding met aangelegde natuur. De raad heeft toegelicht dat die natuur na het realiseren van de ontsluitingsweg grotendeels in stand zal blijven. Dat bestrijden DRV en andere ook niet. De betogen falen.

Verordening Ruimte Noord-Brabant

13.    DRV en andere betogen dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3.1, eerste lid, van de Verordening Ruimte Noord-Brabant (hierna: VR). Het plan voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.79 van de VR. Er is geen noodzaak voor de nieuwe weg, de belangen van de bedrijven op veld F zijn onvoldoende meegewogen en er is in het verleden bewust gekozen voor een bedrijventerrein dat is verdeeld in verschillende velden met elk een eigen ontsluiting. Voorts betogen DRV en andere dat het plan in strijd is met artikel 3.1, tweede lid, onder b, van de VR, omdat de ontsluiting van het distributiecentrum al is verzekerd via andere, bestaande, wegen. Dat leidt niet tot problemen en daarom is de nieuwe weg in strijd met het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Ten slotte betogen DRV en andere dat het plan in strijd met artikel 4.4, eerste lid, van de VR is vastgesteld, omdat een verantwoording ontbreekt. Hoewel de omvang van het bedrijventerrein door het plan niet verandert, is er, gelet op de wijziging van de bestemming "Natuur" naar de bestemming "Bedrijf", wel sprake van een ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, als bedoeld in artikel 1.13 van de VR.

13.1.    Niet in geschil is dat de ontsluitingsweg onder het voorheen geldende planologische regime niet was toegestaan en onder het voorliggende plan wel. Geoordeeld moet worden dat het plan een ruimtelijke ontwikkeling is als bedoeld in artikel 1.79 van de VR en dat daarmee artikel 3.1 van de VR van toepassing is. In paragraaf 3.2. van de toelichting op het bestemmingsplan is de onderhavige ontwikkeling getoetst aan de VR. Daarin is uiteengezet dat zorgvuldig en optimaal ruimtegebruik op veld B mede aanleiding was tot een herschikking van kavels. In het bestemmingsplan "Borchwerf II, reparatieplan veld B" en het voorliggende plan is afgewogen en beoordeeld dat de ruimtelijke kwaliteit van het gebied bevorderd wordt door een noordelijke ontsluiting te realiseren. Daarbij is in aanmerking genomen dat deze ontsluiting zorgt voor een korte en directe route naar de Rijksweg A17 met weinig kruispunten die voor oponthoud kunnen zorgen en dat langs deze route geen geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen zijn gesitueerd. De Afdeling is van oordeel dat het betoog dat het plan in strijd is met artikel 3.1, eerste lid, gelet hierop, faalt.

     Over het betoog met betrekking tot artikel 3.1, tweede lid, onder b, overweegt de Afdeling als volgt. In de toelichting bij dit artikellid staat dat het gaat om wat financieel, juridisch en feitelijk gezien binnen redelijke grenzen haalbaar is. De Afdeling stelt vast dat de raad in de quickscan verschillende alternatieven voor de voorziene ontwikkeling heeft onderzocht. Daaruit is gebleken dat de raad de zuidelijke ontsluiting niet mogelijk acht als blijvende oplossing om de verschillende in de quickscan genoemde redenen. De Afdeling verwijst naar hetgeen zij daarover in overweging 9 heeft overwogen. Nu een aantal locaties is onderzocht en de raad heeft gemotiveerd dat het ruimtelijk niet aanvaardbaar is om de ontsluitingsweg blijvend langs de tijdelijke zuidelijke route te realiseren, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet heeft voldaan aan het vereiste van een verantwoording, zoals opgenomen in artikel 3.1, tweede lid, onder b. Het betoog faalt.

     Wat betreft het betoog dat het plan in strijd is met artikel 4.4, eerste lid, van de VR stelt de Afdeling vast dat het plan niet voorziet in de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, als bedoeld in artikel 4.4 van de VR. De plannen voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein Borchwerf II en het distributiecentrum op de kavels B10 en B15 van Veld B zijn reeds planologisch vastgelegd in meerdere (deel-)bestemmingsplannen. Daarbij is ook de te realiseren noordelijke ontsluitingsroute betrokken, die met dit plan mogelijk wordt gemaakt. Het extra ruimtebeslag van de ontsluitingsweg binnen het plangebied is zeer beperkt en niet op te vatten als uitbreiding van een bedrijventerrein, als bedoeld in artikel 4.4 van de VR, zodat de toelichting op het plan niet hoeft te voldoen aan de in artikel 4.4, eerste lid, van de VR vermelde vereisten. Het betoog faalt.

Parkeren

14.    DRV en andere vrezen voor parkeerhinder op de Blauwhekken door vrachtverkeer van en naar het distributiecentrum.

14.1.    Op de Blauwhekken geldt een parkeerverbod. Voorts hebben Caprev en de raad naar voren gebracht dat er op het terrein van het distributiecentrum voldoende parkeerruimte aanwezig is, inclusief een bufferruimte voor vrachtwagens in de spitstijden. DRV en andere hebben dit niet bestreden. De vrees dat er op de Blauwhekken parkeerhinder zal ontstaan ten gevolge van het plan is dan ook niet gegrond. Het betoog faalt.

Uitvoerbaarheid

15.    DRV en andere betogen dat het plan niet uitvoerbaar zou zijn. De beoogde toegangsweg moet aansluiten op de bedrijfskavel B10/B15. Volgens DRV en andere zijn er planologische belemmeringen. Aan de gronden van het zuidelijk deel van de beoogde ontsluitingsweg direct ten zuiden van het voorliggend plangebied is een waterbestemming toegekend. De desbetreffende planregeling laat geen ontsluitingsweg voor private doelen toe, aldus DRV en andere.

     Voorts betogen DRV en andere dat het plan niet uitvoerbaar is, gelet op het bepaalde in artikel 2:12 van de Algemene plaatselijke verordening van Halderberge (hierna: de APV). Zij stellen dat de raad de noodzakelijke vergunning als bedoeld in de APV niet kan verlenen voor de ontsluitingsweg omdat zich een van de weigeringsgronden voordoet, vermeld in het tweede lid. De weigeringsgrond doet zich ook voor op grond van de APV zoals deze is wijziging per 23 mei 2019.

15.1.    De raad stelt dat het plan uitvoerbaar is en heeft toegelicht dat de raad van Roosendaal zich op het standpunt stelt dat het gebruik van het zuidelijke deel van de ontsluitingsweg mogelijk is op grond van het overgangsrecht.

15.2.    In het kader van een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog over de uitvoerbaarheid van dat plan alleen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet uitvoerbaar is.

15.3.    Op de locatie van het zuidelijke deel van de ontsluitingsweg binnen de gemeente Roosendaal waar DRV en andere op doelen, ligt al een weg, ook al rust op die gronden de bestemming "Water". Op grond van artikel 7, lid 7.1, van de regels behorende bij het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Borchwerf II veld C en F" zijn de voor "Water" bestemde gronden mede bestemd voor voorzieningen van algemeen nut, waaronder met name genoemd zijn ontsluitingswegen. Nu de weg in de zuidelijke punt aan de openbaarheid is onttrokken, kan deze op voorhand niet als nutsvoorziening worden aangemerkt. De omstandigheid dat een bestemmingsplan van een buurgemeente op onderdelen aanpassing zou behoeven indien gebruik van de weg op grond van het overgangsrecht niet mogelijk zou zijn, betekent echter niet dat het plan dus niet uitvoerbaar is. Dit behoefde de raad niet op voorhand tot de conclusie te leiden dat vanuit de bedrijfskavel van het distributiecentrum geen doorlopende weg naar de Blauwhekken kon worden gerealiseerd.

     Naar het oordeel van de Afdeling leidt hetgeen DRV en andere hebben aangevoerd met betrekking tot artikel 2:12, tweede lid, van de APV evenmin tot het oordeel dat de raad op voorhand had moeten inzien dat dit aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg stond. De redactie van artikel 2:12, tweede lid, van de APV verplicht niet, anders dan DRV en andere betogen, tot weigering van de vergunning, indien één of meer van de in het tweede lid genoemde omstandigheden zich voordoen. Artikel 2:12, tweede lid, van de APV bevat geen opsomming van imperatieve weigeringsgronden, maar een limitatieve opsomming van mogelijk te hanteren weigeringsgronden. De raad heeft bovendien na vaststelling van het plan op 23 mei 2019 een gewijzigde APV vastgesteld waarin de tekst van artikel 2:12, tweede lid, deels is gewijzigd. Ook dit gewijzigde artikel verplicht niet tot weigering van de vergunning, indien één of meer van de in het tweede lid genoemde omstandigheden zich voordoet. Voor zover DRV en andere ter zitting nog hebben gewezen op de APV van de buurgemeente Roosendaal overweegt de Afdeling dat de omstandigheid dat een APV van een buurgemeente op onderdelen aanpassing zou behoeven om de ontsluitingsweg mogelijk te maken, niet betekent dat daarmee vaststaat dat het plan op voorhand niet uitvoerbaar is.

15.4.    Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat er op voorhand geen redenen zijn waarom het plan niet uitvoerbaar is. Dit betoog slaagt niet.

Conclusie

16.    Zoals de Afdeling hiervoor onder 8.4 heeft overwogen is er aanleiding voor het oordeel dat het plan op onderdelen is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover dat betreft de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf-ontsluitingsweg B10/B15" omdat dit is gebaseerd op een verouderd verkeersonderzoek.

16.1.    De Afdeling ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in stand te laten en overweegt hiertoe het volgende. Goudappel Coffeng heeft na het bestreden besluit in de validatie en de memo "Verkeerskundige onderbouwing ontsluiting Lidl" van 9 augustus 2019 alsnog onderzoek gedaan naar een situatie waarbij veld F volledig is bezet en naar de werkelijke verkeersgeneratie. Deze resultaten leiden niet tot nieuwe of andere inzichten omtrent de doorstroming van het verkeer. Voorts heeft Goudappel Coffeng bij die gelegenheid ook de geprognosticeerde verkeersgeneratie uit het eerdere rapport vergeleken met de werkelijke verkeersgeneratie. Die blijkt een fractie hoger dan de eerder aangenomen 2.900 mvt/etmaal. Met die aantallen is opnieuw de belasting van de kruispunten berekend omdat daar eventuele problemen het eerst zullen optreden. Daaruit blijkt dat de kruispunten met een enkele aanpassing het totale verkeer binnen een aanvaardbare tijd van 80 seconden kunnen verwerken. Uit deze stukken blijkt dan ook dat de conclusies die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen ongewijzigd blijven. Gelet hierop kan niet staande worden gehouden dat de validiteit van het gehanteerde verkeersmodel is aangetast. De uitkomsten wijken niet af van de redelijkerwijs te verwachten werkelijkheid.

17.    De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep van de maatschap DRV accountants & adviseurs, gevestigd te Oud Gastel, gemeente Halderberge, en anderen gegrond;

II.    vernietigt het besluit van 13 december 2018 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Borchwerf II, herziening veld F" voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf-ontsluitingsweg B10/B15";

III.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven;

IV.     veroordeelt de raad van de gemeente Halderberge tot vergoeding van bij de maatschap DRV accountants & adviseurs, gevestigd te Oud Gastel, gemeente Halderberge, en andere in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.050,00 (zegge: duizendvijftig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen aan de betalingsverplichting is voldaan;

V.     gelast dat de raad van de gemeente Halderberge aan de maatschap DRV accountants & adviseurs, gevestigd te Oud Gastel, gemeente Halderberge en andere het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 345,00 (zegge: driehonderdvijfenveertig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen aan de betalingsverplichting is voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzitter, en mr. B.P.M. van Ravels en mr. P.H.A. Knol, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, griffier.

w.g. Minderhoud    w.g. Ouwehand

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2020

224.

 

Bijlage

 

Bestemmingsplan "Borchwerf II, herziening veld F"

Artikel 3 Bedrijf

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor

(…)

d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - ontsluitingsweg B10/B15' is uitsluitend een ontsluitingsweg toegestaan ten behoeve van de ontsluiting van kavel B10/B15;

(…)

3.2 Bouwregels

Op de tot 'Bedrijf' bestemde gronden mogen uitsluitend bouwwerken worden opgericht die qua aard en afmetingen bij deze bestemming passen, met dien verstande dat:

(..)

3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van reclame-uitingen, mogen op het gehele bouwperceel worden opgericht;

b. de hoogte mag maximaal 8 meter bedragen, met uitzondering van:

- terreinafscheidingen waarvan de hoogte maximaal 2,5 meter mag bedragen;

- bewegwijzering waarvan de hoogte maximaal 10 meter mag bedragen.

Verordening Ruimte Noord-Brabant

Artikel 1.13 bedrijventerrein

aaneengesloten terrein met een bruto oppervlakte van ten minste één hectare voor de bedrijfsmatige uitoefening van industriële, logistieke, ambachtelijke en dienstverlenende activiteiten en groothandel met de daarbij behorende voorzieningen, bedoeld voor de vestiging van meerdere bedrijven.

Artikel 1.79 ruimtelijke ontwikkeling

bouwactiviteiten en planologische gebruiksactiviteiten waarvoor een wijziging van het planologisch regime nodig is;

Artikel 3.1 Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit

1. De toelichting bij een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling bevat een verantwoording dat:

a. het plan bijdraagt aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, waaronder in ieder geval een goede landschappelijke inpasbaarheid;

b. toepassing is gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik.

2. Het principe van zorgvuldig ruimtegebruik als bedoeld in het eerste lid houdt in ieder geval in dat:

a. een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied gebruik maakt van een bestaand bouwperceel, tenzij in deze verordening uitdrukkelijk anders is bepaald;

b. uitbreiding van het op grond van het geldende bestemmingsplan toegestane ruimtebeslag slechts is toegestaan mits de financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om de beoogde ruimtelijke ontwikkeling binnen dat toegestane ruimtebeslag te doen plaatsvinden;

c. ingeval van stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking);

d. een bestemmingsplan buiten bestaand stedelijk gebied bepaalt dat gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen binnen het bouwperceel worden opgericht en daarbinnen worden geconcentreerd;

e. in geval er sprake is van de vestiging van een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld onder a. is gelijktijdig met de vestiging ook uitbreiding mogelijk tot de omvang die op grond van de regels in deze verordening is toegelaten.

3. Ten behoeve van het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit bevat de toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid een verantwoording waaruit blijkt dat:

(…)

Artikel 4.4 Ontwikkeling van bedrijventerreinen en kantorenlocaties

lid 1 De toelichting bij een bestemmingsplan gelegen in bestaand stedelijk gebied dat voorziet in een ontwikkeling of een uitbreiding van een bedrijventerrein of een kantorenlocatie bevat een verantwoording over de wijze waarop:

a. de afspraken die daarover zijn gemaakt in het regionaal ruimtelijk overleg als bedoeld in artikel 39.4, onder b, worden nagekomen;

b. het beoogde netto ruimtebeslag zich verhoudt tot de afspraken, bedoeld onder a, en tot de beschikbare harde plancapaciteit voor bedrijventerreinen en kantorenlocaties;

c. zorgvuldig ruimtegebruik op het terrein of de locatie wordt bevorderd.

De Algemene plaatselijke verordening Halderberge van 14 december 2017

Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd:

a. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;

b. indien de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;

c. indien door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of

d. indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen of de bruikbaarheid van de weg.

3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of de Verordening wegen Noord-Brabant 2010.

De Algemene plaatselijke verordening Halderberge van 23 mei 2019

Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd:

a. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;

b. als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;

c. als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of

d. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen of de bruikbaarheid van de weg.

3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur of de Verordening wegen Noord-Brabant 2010.