Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2194

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-09-2020
Datum publicatie
09-09-2020
Zaaknummer
201907859/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2019:6900, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 juli 2018, verzonden 23 juli 2018, heeft de raad voor rechtsbijstand een aanvraag van [wederpartij A] om een toevoeging voor rechtsbijstand door [wederpartij B] afgewezen. Op 5 maart 2018 heeft [wederpartij A] een toevoeging aangevraagd bij de raad voor het voeren van verweer in hoger beroep in een geschil met de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid over de afwijzing van een verblijfsvergunning. Bij besluit van 12 juni 2018 heeft de raad [wederpartij A] een toevoeging (met kenmerk 4MX7705) verleend voor rechtsbijstand door [wederpartij B] als advocaat. Hangende het hoger beroep heeft de staatssecretaris op 20 maart 2018 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, waartegen [wederpartij A] beroep heeft ingesteld bij de Afdeling. Hiervoor heeft [wederpartij A] op 11 mei 2018 een nieuwe toevoeging aangevraagd bij de raad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201907859/1/A2.

Datum uitspraak: 9 september 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 september 2019 in zaak nr. 19/1803 in het geding tussen:

[wederpartij A] en [wederpartij B]

en

de raad.

Procesverloop

Bij besluit van 19 juli 2018, verzonden 23 juli 2018, heeft de raad een aanvraag van [wederpartij A] om een toevoeging voor rechtsbijstand door [wederpartij B] afgewezen.

Bij besluit van 11 februari 2019 heeft de raad het door [wederpartij A]  daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 september 2019 heeft de rechtbank het door [wederpartij A] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard, het door [wederpartij B] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 11 februari 2019 vernietigd en de raad opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de raad hoger beroep ingesteld.

[wederpartij A] en [wederpartij B] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld. De raad heeft een zienswijze gegeven op dat incidenteel hoger beroep.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 augustus 2020, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. M. Doets, [wederpartij B] in persoon en [wederpartij A], vertegenwoordigd door [wederpartij B], zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Op 5 maart 2018 heeft [wederpartij A] een toevoeging aangevraagd bij de raad voor het voeren van verweer in hoger beroep in een geschil met de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid over de afwijzing van een verblijfsvergunning. Bij besluit van 12 juni 2018 heeft de raad [wederpartij A] een toevoeging (met kenmerk 4MX7705) verleend voor rechtsbijstand door [wederpartij B] als advocaat. Hangende het hoger beroep heeft de staatssecretaris op 20 maart 2018 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, waartegen [wederpartij A] beroep heeft ingesteld bij de Afdeling. Hiervoor heeft [wederpartij A] op 11 mei 2018 een nieuwe toevoeging aangevraagd bij de raad.

     Bij het besluit van 19 juli 2018, zoals gehandhaafd bij het besluit van 11 februari 2019, heeft de raad deze aanvraag afgewezen op grond van artikel 28, eerste lid, onder b, in samenhang gelezen met artikel 32 van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb). De raad heeft aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd dat de te verrichten werkzaamheden voor het beroep onder het bereik van de eerder verleende toevoeging vallen. Zowel bij het voeren van verweer in hoger beroep als bij het beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar is sprake van één rechtsbelang dat in behandeling is bij één instantie. Het rechtsbelang betreft bij beide zaken het verkrijgen van een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verder vloeien beide zaken voort uit de aanvraag om verblijfsvergunning van 7 oktober 2016. Hierbij maakt het geen verschil of [wederpartij A] eiser of verweerder is in de procedure, aldus de raad.

De uitspraak van de rechtbank

2.    De rechtbank heeft het beroep van [wederpartij A] niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat de werkzaamheden waarvoor de toevoeging is aangevraagd al zijn afgerond en de zaak is beëindigd. Verder is niet gebleken dat het al dan niet toekennen van de toevoeging financiële of andere gevolgen heeft voor [wederpartij A].

     De rechtbank heeft het beroep van [wederpartij B] ontvankelijk geacht. Ten tijde van het door [wederpartij A] gemaakte bezwaar liep de procedure bij de Afdeling nog. Hierdoor was er voor [wederpartij A] op dat moment wel belang bij de toevoeging en speelde het belang voor [wederpartij B] nog niet. Daarom kan hem niet worden verweten dat hij zelf geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 19 juli 2018.

     Verder heeft de rechtbank overwogen dat het beroep tegen het nieuwe besluit op bezwaar van de staatssecretaris een ander soort procedure is dan het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank. Normaliter hoort het beroep tegen een door een bestuursorgaan genomen besluit bij de rechtbank thuis. In dit geval is het beroep uit proceseconomische redenen samengevoegd met het hoger beroep en worden beide door de Afdeling behandeld. Deze situatie rechtvaardigt twee aparte toevoegingen, aldus de rechtbank.

Het hoger beroep van de raad

3.    De raad betoogt dat de rechtbank het beroep van [wederpartij B] ten onrechte ontvankelijk heeft geacht. Volgens de raad heeft de rechtbank miskend dat [wederpartij B] kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 19 juli 2018. Voor zowel [wederpartij A] als voor [wederpartij B] was dit besluit negatief, waardoor niet kan worden gesteld dat het belang van [wederpartij B] ten tijde van de bezwaarprocedure nog niet speelde. Dat zowel de rechtzoekende als de rechtsbijstandverlener belang hebben bij de afgifte van de toevoeging is voor de vraag of de rechtsbijstandverlener kan worden verweten dat hij geen bezwaar (voor zichzelf) heeft gemaakt, niet van belang.

     De raad betoogt ook dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat in het geval het beroep tegen een door het bestuursorgaan hangende hoger beroep genomen nieuw besluit op bezwaar door de Afdeling wordt beoordeeld, twee aparte toevoegingen gerechtvaardigd zijn. Dat een beroep tegen een besluit van een bestuursorgaan normaal bij de rechtbank thuishoort, is geen reden om een tweede toevoeging te verlenen. Er is geen sprake van een los van elkaar staand beroep en hoger beroep dat door dezelfde instantie wordt behandeld, maar van een onderling samenhangend geheel, waarbij pas aan het beroep wordt toegekomen als de Afdeling het hoger beroep ongegrond verklaart. Bovendien wordt het geheel in één uitspraak afgedaan, aldus de raad.

3.1.    Beoordeeld dient eerst te worden of [wederpartij B] in deze zaak als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan worden aangemerkt bij het besluit van 19 juli 2018. Ingevolge die bepaling wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

     Een afwijzing van een tweede verzoek om toevoeging, omdat sprake is van een rechtsbelang ter zake waarvan aanspraak kan worden gemaakt op rechtsbijstand op grond van een eerder verleende toevoeging, leidt ertoe dat een advocaat zich voor vergoeding van de kosten van de rechtsbijstand slechts kan beroepen op de eerste toevoeging

(zie ook de uitspraak van de Afdeling van 21 november 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB8398). Het belang van de rechtsbijstandverlener is gelegen in het verkrijgen van een vergoeding voor door hem verrichte werkzaamheden die naar zijn mening niet vallen onder de eerder ten behoeve van zijn cliënt verleende toevoeging. Reeds hieruit volgt dat [wederpartij B], als advocaat, belang heeft bij het verlenen van een tweede toevoeging en dus bij het besluit van 19 juli 2018 belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

3.2.    Vaststaat dat [wederpartij B] zelf geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 19 juli 2018. In artikel 6:13 van de Awb is bepaald dat geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt. Daarom dient beoordeeld te worden of [wederpartij B] kan worden verweten dat hij zelf geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 19 juli 2018. Hoewel [wederpartij B]s belang ten tijde van het door [wederpartij A] gemaakte bezwaar wellicht nog niet in volle omvang speelde, had hij zelf ook toen al belang bij de verlening van een tweede toevoeging. Hij had dan ook zelf bezwaar moeten maken tegen dit besluit als hij het er niet mee eens was. Anders dan de rechtbank, is de Afdeling van oordeel dat hem redelijkerwijs kan worden verweten dat hij dit niet heeft gedaan. Dit betekent dat de rechtbank het beroep van [wederpartij B] ten onrechte ontvankelijk heeft geacht.

     Het daarop betrekking hebbende betoog slaagt.

3.3.    Conclusie is dat het hoger beroep van de raad gegrond is. Hetgeen de raad voor het overige in hoger beroep heeft aangevoerd behoeft, gelet hierop, geen bespreking.

Incidenteel hoger beroep van [wederpartij A] en [wederpartij B]

4.    [wederpartij A] en [wederpartij B] hebben incidenteel hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat het hoger beroep van de raad gegrond is. Zij betogen dat de rechtbank het beroep van [wederpartij A] ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank heeft miskend dat [wederpartij A] procesbelang had bij de beroepsprocedure vanwege de relevantie van de uitkomst van de beroepsprocedure voor een eventuele toekomstige situatie. Het is immers theoretisch mogelijk dat [wederpartij A] wederom terecht komt in een situatie waarin hij een tweede toevoeging wil aanvragen voor het beroep tegen een nieuw besluit op bezwaar.

4.1.    Dat [wederpartij A] geen procesbelang heeft bij het concrete besluit van 11 februari 2019, is niet betwist. Van de bestuursrechter kan geen uitspraak worden gevraagd uitsluitend vanwege de principiële betekenis ervan. De geschetste situatie voor [wederpartij A] is te theoretisch en te onzeker om nu een actueel en reëel belang te kunnen aannemen.

     Het betoog faalt.

5.    Het incidenteel hoger beroep voor zover ingesteld door [wederpartij A] is ongegrond. Voor zover het incidenteel hoger beroep is ingesteld door [wederpartij B], is dit niet-ontvankelijk omdat [wederpartij B] niet kan opkomen tegen de niet-ontvankelijkverklaring door de rechtbank van het beroep van [wederpartij A].

Conclusie

6.    De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd voor zover deze betrekking heeft op het beroep van [wederpartij B], waarbij de rechtbank het beroep van [wederpartij B] inhoudelijk heeft beoordeeld en gegrond heeft verklaard. Gelet op het vorenstaande zal de Afdeling, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep van [wederpartij B] tegen het besluit van 11 februari 2019 alsnog niet-ontvankelijk verklaren. Dat betekent dat dit besluit in stand blijft en de raad geen nieuw besluit hoeft te nemen.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep van de raad gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 september 2019 in zaak nr. 19/1803, voor zover de rechtbank het beroep van [wederpartij B] tegen het besluit van 11 februari 2019 gegrond heeft verklaard, dat besluit heeft vernietigd, de raad heeft opgedragen binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak en de raad heeft opgedragen het betaalde griffierecht te vergoeden;

III.    verklaart het beroep van [wederpartij B] niet-ontvankelijk;

IV.    verklaart het incidenteel hoger beroep van [wederpartij A] ongegrond en het incidenteel hoger beroep van [wederpartij B] niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.

w.g. Jurgens    w.g. Dallinga

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2020

18-902.