Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2192

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-09-2020
Datum publicatie
09-09-2020
Zaaknummer
201905972/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2019:6663, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juli 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam een bestuurlijke boete opgelegd van € 6.000,- wegens overtreding van artikel 21, aanhef en onder c, van de Huisvestingswet 2014. Op 30 april 2018 hebben toezichthouders van de gemeente Amsterdam een huisbezoek afgelegd in de woning op het adres [locatie] in Amsterdam (hierna: het huisbezoek). [appellant] was op dat moment eigenaar van die woning en verhuurde die aan [huurder]. Van het huisbezoek is een rapport van bevindingen opgemaakt. Daarin staat dat in de woning vier personen zijn aangetroffen, te weten [persoon A], [persoon B], [persoon C] en [persoon D]. Zij hebben verklaard dat [persoon A], [persoon C] en [persoon E], die op dat moment niet aanwezig was, ieder een kamer huren van [huurder], en dat [persoon B] in de woonkamer slaapt. De bewoners deelden de keuken, woonkamer, douche en het toilet. Volgens het college blijkt hieruit dat de woning is omgezet van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201905972/1/A3.

Datum uitspraak: 9 september 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 juli 2019 in zaak nr. 18/6847 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2018 heeft het college een bestuurlijke boete opgelegd van € 6.000,- wegens overtreding van artikel 21, aanhef en onder c, van de Huisvestingswet 2014.

Bij besluit van 17 oktober 2018 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 juli 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 augustus 2020, waar [appellant], bijgestaan door mr. C.F.J.M. Nelemans, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.H.G. van den Boorn en mr. N. Hamdach, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    De voor deze zaak relevante bepalingen, zoals die luidden op 17 oktober 2018, zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Die bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

Inleiding

2.    Op 30 april 2018 hebben toezichthouders van de gemeente Amsterdam een huisbezoek afgelegd in de woning op het adres [locatie] in Amsterdam (hierna: het huisbezoek). [appellant] was op dat moment eigenaar van die woning en verhuurde die aan [huurder]. Van het huisbezoek is een rapport van bevindingen opgemaakt. Daarin staat dat in de woning vier personen zijn aangetroffen, te weten [persoon A], [persoon B], [persoon C] en [persoon D]. Zij hebben verklaard dat [persoon A], [persoon C] en [persoon E], die op dat moment niet aanwezig was, ieder een kamer huren van [huurder], en dat [persoon B] in de woonkamer slaapt. De bewoners deelden de keuken, woonkamer, douche en het toilet. Volgens het college blijkt hieruit dat de woning is omgezet van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte. Hiervoor is een vergunning vereist. In artikel 21, aanhef en onder c, van de Huisvestingswet 2014 staat namelijk dat de gemeenteraad (hierna: de raad) in de huisvestingsverordening woonruimte mag aanwijzen waarvoor geldt dat deze alleen met een vergunning mag worden omgezet, en in artikel 3.1.1. van de Huisvestingsverordening 2016 is alle zelfstandige woonruimte in Amsterdam aangewezen als woonruimte waarvoor zo'n vergunning is vereist. Omdat [appellant] deze vergunning niet had, heeft het college hem krachtens artikel 4.2.2. van de Huisvestingsverordening 2016 een bestuurlijke boete opgelegd van € 6.000,-.   

3.    De rechtbank heeft overwogen dat zij [appellant] niet volgt in zijn betoog dat artikel 3.1.1. van de Huisvestingsverordening 2016 wegens strijd met de Huisvestingswet 2014 onverbindend is. Verder heeft zij overwogen dat het college hem terecht als overtreder heeft aangemerkt. In hoger beroep bestrijdt [appellant] deze overwegingen.

Is de aanwijzing in artikel 3.1.1. van de Huisvestingsverordening 2016 in strijd met de Huisvestingswet 2014? 

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Huisvestingswet 2014 blijkt dat alleen goedkope woonruimte mag worden aangewezen als woonruimte waarvoor de vergunningplicht van artikel 21, eerste lid, aanhef en onder c, van de Huisvestingswet 2014 geldt. De raad moet een prijsgrens vastleggen om te bepalen wat onder goedkope woonruimte wordt verstaan. Deze prijsgrens mag weliswaar hoger liggen dan het grensbedrag waarvoor de in artikel 7 van de Huisvestingswet 2014 bedoelde vergunningplicht geldt, maar moet er wel in de buurt blijven. De aanwijzing in artikel 3.1.1. van de Huisvestingsverordening 2016 voldoet niet aan dit vereiste. [appellant] betoogt daarnaast dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de rapporten waarop de raad baseert dat er in Amsterdam woningschaarste is, te weten het rapport "Schaarstepatronen in de woningvoorraad van de stadsregio Amsterdam" van 10 november 2014 en het "Eindverslag onderbouwing schaarste ten behoeve van de huisvestingsvergunning van de Stadsregio Amsterdam" van 31 oktober 2014, onvolkomenheden bevatten. Bovendien heeft de raad ten onrechte niet onderbouwd dat er in de specifieke wijk waar de woning zich bevindt, namelijk Amsterdam Zuidoost, leefbaarheidsproblemen bestaan die maken dat sturing op het behoud van de woningvoorraad nodig is. Ook om deze redenen is de aanwijzing in artikel 3.1.1. van de Huisvestingsverordening 2016 in strijd met de Huisvestingswet 2014, aldus [appellant].

4.1.    Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 29 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2833, volgt uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 21 van de Huisvestingswet 2014 dat de aanwijzing op grond van dat artikel ruimer kan zijn dan de aanwijzing op grond van artikel 7 van die wet. Dit betekent dat de raad bij het aanwijzen van woonruimte waarvoor de vergunningplicht van artikel 21 Huisvestingswet 2014 geldt een hogere prijsgrens mag hanteren dan de prijsgrens die de raad hanteert bij artikel 7 van de Huisvestingswet 2014. Uit de door [appellant] aangehaalde passages uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Huisvestingswet 2014 blijkt weliswaar dat de raad gemotiveerd moet aangeven waarom bij de toepassing van artikel 21 van die wet voor een bepaalde prijsgrens wordt gekozen, maar hieruit volgt niet dat die prijsgrens in de buurt moet blijven van de prijsgrens die de raad hanteert bij artikel 7 van die wet. 

    In de uitspraak van 29 augustus 2018 heeft de Afdeling verder overwogen dat de raad in de toelichting op artikel 3.1.1. van de Huisvestingsverordening 2016 onder verwijzing naar de hierboven vermelde rapporten deugdelijk heeft onderbouwd dat op het gehele grondgebied van Amsterdam een schaarste bestaat aan woningen. Dit oordeel heeft de Afdeling bevestigd in de uitspraak van 3 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3220 en de uitspraak van 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:577. De stelling van [appellant] dat bij een aantal figuren uit het rapport "Schaarstepatronen in de woningvoorraad van de stadsregio Amsterdam" kritische kanttekeningen kunnen worden geplaatst, biedt geen reden om over de deugdelijkheid van de onderbouwing van de raad nu anders te oordelen. De kanttekeningen die [appellant] plaatst doen immers geen afbreuk aan de conclusies uit dat rapport.

    In de memorie van toelichting bij de Huisvestingswet 2014 staat dat de concentratie onzelfstandige woningen in een deel van de stad effect heeft op de leefbaarheid van dat deel van de stad (Kamerstukken II 2009/2010, 32 271, nr. 3, blz. 26). In het licht hiervan ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad in de toelichting op artikel 3.1.1. van de Huisvestingsverordening 2016 ten onrechte heeft gesteld dat het omzetten van woningen in Amsterdam effecten heeft op de leefbaarheid. Dat die toelichting op het hele grondgebied van Amsterdam ziet en niet op de specifieke wijk waarin de woning is gelegen, doet hieraan niet af. 

    Het betoog faalt.                 

Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM

5.    [appellant] betoogt dat de aanwijzing van de woning in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. De aanwijzing van de woning is een inmenging in het door dat artikel beschermde eigendomsrecht. Een dergelijke inmenging kan alleen in het algemeen belang gerechtvaardigd zijn als deze bij wet is voorzien en evenredig is aan het gestelde doel. [appellant] betoogt dat de inmenging niet voorzien is bij wet, omdat artikel 3.1.1. van de Huisvestingsverordening 2016 strijdig is met de Huisvestingswet 2014. Verder is de evenredigheid van die inmenging niet deugdelijk gemotiveerd, omdat de aanwijzing is gebaseerd op ondeugdelijk onderzoek, aldus [appellant].

5.1.    Uit wat hiervoor onder 4.1. is overwogen volgt dat het betoog faalt.

Overtreding

6.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij onvoldoende heeft aangevoerd om niet verantwoordelijk te worden gehouden voor het ontstaan van de tijdens het huisbezoek vastgestelde huursituatie.    

6.1.    Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 28 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1912) volgt dat de overtreder degene is die het desbetreffende wettelijke voorschrift daadwerkelijk heeft geschonden. Dat is in de eerste plaats degene die de verboden handeling fysiek heeft verricht. Daarnaast kan in bepaalde gevallen degene die de overtreding niet feitelijk heeft begaan, doch aan wie de handeling is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk worden gehouden en derhalve als overtreder worden aangemerkt. Daarbij is in dit geval van belang dat van de eigenaar van een pand die dat verhuurt, mag worden gevergd dat hij zich tot op zekere hoogte informeert over het gebruik dat van het verhuurde pand wordt gemaakt. Om niet verantwoordelijk te kunnen worden gehouden voor onrechtmatig gebruik van het door hem verhuurde pand moet de eigenaar aannemelijk maken dat hij niet wist en niet kon weten dat het pand aldus werd gebruikt.

6.2.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat het op de weg lag van [appellant] als eigenaar en verhuurder van de woning om in zekere mate feitelijk toezicht te houden. De verantwoordelijkheid voor dat feitelijk toezicht ligt bij hem. Dat de gemeente hem niet heeft gewaarschuwd dat de bewoners zich in de Basisregistratie Persoonsgegevens op het adres hadden ingeschreven, doet niet af aan deze eigen verantwoordelijkheid van [appellant]. De stelling van [appellant] dat de bewoners in verband met hun privacy geen medewerking zouden hebben verleend als hij een controle zou hebben uitgevoerd, is onvoldoende om aannemelijk gemaakt te achten dat hij niet kon weten dat de woning was omgezet in onzelfstandige woonruimte. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:407) behoeft het recht op privacy van een huurder niet in de weg te staan aan het kunnen controleren van het gebruik van een pand door de verhuurder. [appellant] heeft niet gestaafd dat de bewoners daadwerkelijk hebben geweigerd mee te werken aan controles. Uit de door [appellant] overgelegde factuur van het onderhoudsbedrijf en de door hem overgelegde foto blijkt verder niet dat hij, zoals hij stelt, op 15 november 2017, 16 november 2017 en op 31 januari 2018 in de woning is geweest. Zelfs als wordt aangenomen dat [appellant] op die data in de woning is geweest, zou dit onvoldoende zijn om niet verantwoordelijk te worden gehouden voor de vastgestelde huursituatie. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat [appellant] de woning al bijna zeven maanden verhuurde op het moment dat de toezichthouders het huisbezoek aflegden. Ook het feit dat [appellant] in het huurcontract een bepaling heeft opgenomen over het gebruik van de woning, is onvoldoende om niet verantwoordelijk te worden gehouden voor de vastgestelde huursituatie (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 16 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3884).  

    De rechtbank heeft dan ook terecht geconcludeerd dat [appellant] als overtreder is aan te merken.

    Het betoog faalt.     

Slotsom

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.R. Fernandez, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2020

176-753.

 

Bijlage

 

Huisvestingswet 2014

Artikel 7

1 In de huisvestingsverordening kan de gemeenteraad categorieën goedkope woonruimte aanwijzen die niet voor bewoning in gebruik mogen worden genomen of gegeven indien daarvoor geen huisvestingsvergunning is verleend.

[…]

Artikel 21

1. Het is verboden om een woonruimte, behorend tot een met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening aangewezen categorie gebouwen en die gelegen is in een in de huisvestingsverordening aangewezen wijk, zonder vergunning van burgemeester en wethouders:

[…]

c. van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten of omgezet te houden;

[…]

Huisvestingsverordening 2016

Artikel 3.1.1

1. Als woonruimte behorend tot een gebouw als bedoeld in artikel 21 van de wet wordt aangewezen:

a. alle zelfstandige woonruimte met een met een rekenhuur tot de liberalisatiegrens;

b. alle zelfstandige woonruimte tot en met 200 huurpunten;

c. alle zelfstandige woonruimte met meer dan 200 huurpunten;

d. alle onzelfstandige woonruimte tot 750 huurpunten.

2. Complexen opgenomen in bijlage 1 worden niet als woonruimte in de zin van artikel 21 van de wet aangewezen.

3. Zelfstandige woonruimte boven de liberalisatiegrens die wordt gebruikt door een woongroep in één zelfstandige woning als bedoeld in artikel 1 zz wordt niet als woonruimte in de zin van artikel 21 van de wet aangewezen.

EVRM

Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM

Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.

De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.