Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2185

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-09-2020
Datum publicatie
09-09-2020
Zaaknummer
201808029/2/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2018:4372, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij tussenuitspraak van 24 juli 2019 heeft de Afdeling de Belastingdienst/Toeslagen opgedragen om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak en met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen het besluit van 21 februari 2018 te herstellen door een nieuw besluit op het door [appellante] gemaakte bezwaar te nemen en dit besluit aan [appellante] en de Afdeling te zenden. [appellante] heeft in 2015 voor kinderopvang van haar [kinderen] in januari gebruikt gemaakt van [kindercentrum A], van 1 februari tot en met 31 mei van [kindercentrum B] en van 1 juni tot en met 31 december van [kindercentrum C]. Bij besluit van 4 mei 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellante] voor het jaar 2015 opnieuw berekend en op nihil gesteld. Bij besluit van 30 juli 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2021/25
AB 2021/185 met annotatie van A. Drahmann, D.K. Jongkind
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201808029/2/A2.

Datum uitspraak: 9 september 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 21 augustus 2018 in zaak nr. 18/1309 in het geding tussen:

[appellante]

en

Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 24 juli 2019 heeft de Afdeling de Belastingdienst/Toeslagen opgedragen om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak en met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen het besluit van 21 februari 2018 te herstellen door een nieuw besluit op het door [appellante] gemaakte bezwaar te nemen en dit besluit aan [appellante] en de Afdeling te zenden.

Bij beschikking van 18 september 2019 heeft de Afdeling de in de tussenuitspraak bepaalde termijn verlengd tot 18 oktober 2019.

Bij besluit van 17 oktober 2019 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

[appellante] heeft een zienswijze ingediend.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een aanvullend verweerschrift ingediend.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juli 2020, waar [appellante], bijgestaan door [gemachtigde], en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken en mr. T. Kuijpers, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het besluit van 17 oktober 2019 wordt, gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

Voorgeschiedenis

2.    [appellante] heeft in 2015 voor kinderopvang van haar [kinderen] in januari gebruikt gemaakt van [kindercentrum A], van 1 februari tot en met 31 mei van [kindercentrum B] en van 1 juni tot en met 31 december van [kindercentrum C].

3.    Bij besluit van 4 mei 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellante] voor het jaar 2015 opnieuw berekend en op nihil gesteld. Bij besluit van 30 juli 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 8 december 2016 in zaak nr. 16/3721 heeft de rechtbank geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot terecht op nihil heeft gesteld. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

    Bij besluit van 21 februari 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een verzoek van [appellante] om herziening van haar voorschot kinderopvang voor het jaar 2015 afgewezen. De Belastingdienst/Toeslagen heeft deze afwijzing bij besluit van 21 februari 2018 in bezwaar gehandhaafd. De rechtbank heeft dat besluit vernietigd, maar bepaald dat de rechtsgevolgen ervan geheel in stand blijven. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De tussenuitspraak

4.    In de tussenuitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen het herzieningsverzoek ten onrechte heeft beoordeeld met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De Belastingdienst/Toeslagen had het verzoek van [appellante] om herziening moeten opvatten als een verzoek om met toepassing van artikel 16, vijfde lid, van Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) haar aanspraak op kinderopvangtoeslag voor het jaar 2015 opnieuw te beoordelen en bij die beoordeling de bij het herzieningsverzoek gevoegde documenten moeten betrekken.

5.    Gezien de tussenuitspraak is het hoger beroep van [appellante] gegrond. De Afdeling zal de uitspraak van de rechtbank vernietigen, voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde besluit van 21 februari 2018 geheel in stand blijven.

Standpunt Belastingdienst/Toeslagen

6.    De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich in het nieuwe besluit van 17 oktober 2019 op het standpunt gesteld dat [appellante] bij alle drie de kindercentra waarvan zij in 2015 gebruik heeft gemaakt niet aan de voorwaarden heeft voldaan om voor dat jaar kinderopvangtoeslag te ontvangen.

7.    In het aanvullend verweerschrift van 3 juli 2020 heeft de Belastingdienst/Toeslagen verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3535, het op 25 december 2019 in werking getreden Verzamelbesluit Toeslagen en het op 22 april 2020 in werking getreden geactualiseerde Verzamelbesluit Toeslagen (hierna het Verzamelbesluit). De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich op het standpunt gesteld dat deze omstandigheden aanleiding geven om het nieuwe besluit van 17 oktober 2019 te herzien. De Belastingdienst heeft de situatie van [appellante] getoetst aan het Verzamelbesluit en is op grond daarvan tot de conclusie gekomen dat een herberekening van de kinderopvangtoeslag 2015 van [appellante] moet plaatsvinden, waarbij de door [appellante] aantoonbaar betaalde kosten voor kinderopvang van € 22.559,00 conform het Verzamelbesluit als grondslag zullen dienen. De Belastingdienst/Toeslagen heeft in het verweerschrift toegelicht hoe hij tot deze grondslag is gekomen.

Beoordeling standpunt Belastingdienst/Toeslagen

8.    Uit het verweerschrift volgt dat de Belastingdienst/Toeslagen zijn standpunt in het besluit van 17 oktober 2019, dat [appellante] geen recht heeft op kinderopvangtoeslag voor het jaar 2015, inmiddels heeft verlaten. Dat besluit kan alleen al hierom niet in stand blijven. De Afdeling zal dat besluit vernietigen, omdat het in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb niet deugdelijk is gemotiveerd.

9.    De Belastingdienst/Toeslagen heeft de kinderopvangtoeslag 2015 van [appellante] bij besluit van 3 juli 2020 definitief vastgesteld op € 17.626,21 en dit besluit als bijlage bij het verweerschrift gevoegd. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 5 april 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:930) kan de Belastingdienst/Toeslagen een voorschot herzien zolang de tegemoetkoming niet is vastgesteld. Aangezien de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag 2015 heeft vastgesteld kan [appellante] niet meer bereiken dat het voorschot wordt herzien. In zoverre heeft [appellante] geen belang meer bij de verdere behandeling van haar hoger beroep.

10.    De Belastingdienst/Toeslagen heeft ter motivering van het vaststellingsbesluit van 3 juli 2020 verwezen naar het aanvullend verweerschrift van 3 juli 2020. Partijen hebben ter zitting aangegeven het op prijs te stellen indien de Afdeling mede ingaat op het vaststellingsbesluit van 3 juli 2020.

    Gezien het voorgaande en het verloop van de procedure tot nu toe ziet de Afdeling aanleiding om in het belang van een spoedige beëindiging van het geschil hierna in te gaan op het standpunt van de Belastingdienst/Toeslagen in het aanvullend verweerschrift. De Afdeling zal daarbij tevens ingaan op hetgeen [appellante] heeft aangevoerd in haar zienswijzen van 29 november 2019 en 3 juli 2020.

De kinderopvangtoeslag 2015

Zienswijzen

11.    [appellante] betoogt dat de Belastingdienst bij het bepalen van de grondslag voor het berekenen van haar kinderopvangtoeslag 2015 ten onrechte informatie heeft gebruikt uit het strafrechtelijk onderzoek dat de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst (hierna: FIOD) tegen haar heeft ingesteld. [appellante] voert aan dat de Belastingdienst/Toeslagen op de zitting van 20 mei 2019 bij de Afdeling heeft toegezegd dat het strafrechtelijk onderzoek geen rol zal spelen in deze procedure. Volgens [appellante] mag zij aan deze toezegging het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat de Belastingdienst/Toeslagen geen informatie uit het strafrechtelijk onderzoek zou gebruiken bij het bepalen van haar aanspraak op kinderopvangtoeslag voor het jaar 2015.

    [appellante] voert in haar zienswijze van 3 juli 2020 aan dat zij in 2013 van het betrokken kindercentrum, evenals in 2015, een korting kreeg op de kosten van de afgenomen kinderopvang. De Belastingdienst/Toeslagen heeft bij de definitieve vaststelling van haar aanspraak op kinderopvangtoeslag voor het jaar 2013 deze korting geaccepteerd en haar het volledige bedrag aan kinderopvangtoeslag toegekend. Volgens [appellante] mocht zij hieraan het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat het verkrijgen van een korting op de kosten van kinderopvang niet in de weg stond aan de toekenning van kinderopvangtoeslag. De Belastingdienst/Toeslagen mocht haar het ontvangen van een korting op de kosten van kinderopvang in 2015 daarom niet tegenwerpen.

    [appellante] betoogt tot slot dat zij alle kosten van de in 2015 afgenomen kinderopvang heeft betaald. Bij het berekenen van haar kinderopvangtoeslag moet de Belastingdienst/Toeslagen daarom uitgaan van betaling van de volledige kosten van de kinderopvang die zij in 2015 heeft afgenomen.

Het beroep op het vertrouwensbeginsel.

12.    Op de zitting van de Afdeling van 20 mei 2019 is het hoger beroep van [appellante] tegen de uitspraak van de rechtbank over het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen van 21 februari 2018 behandeld. Bij dat besluit had de Belastingdienst/Toeslagen de afwijzing van haar verzoek om herziening van haar voorschot kinderopvangtoeslag 2015 gehandhaafd.

    Volgens het proces-verbaal van de zitting van 20 mei 2019 heeft de vertegenwoordiger van de Belastingdienst/Toeslagen toen gezegd: "De fraudezaak heeft geen rol gespeeld." Deze mededeling had betrekking op de afwijzing van het verzoek om herziening en de handhaving van die afwijzing in bezwaar. De vertegenwoordiger van de Belastingdienst/Toeslagen heeft met deze mededeling niet de toezegging gedaan dat de Belastingdienst/Toeslagen bij het nemen van een nieuw besluit na de zitting geen gebruik zal maken van informatie uit het FIOD-onderzoek.

13.    In deze procedure is alleen de kinderopvangtoeslag voor het jaar 2015 van [appellante] aan de orde. De hoogte van die kindervangtoeslag is gebaseerd op informatie over omstandigheden die betrekking hebben op het jaar 2015, zoals de aard van de in 2015 afgenomen kinderopvang, het in 2015 afgenomen aantal uren kinderopvang en de tijdige betaling van de kosten daarvan, de hoogte van het in 2015 verdiende loon en het in 2015 gewerkte aantal uren. De vaststelling van de kinderopvangtoeslag voor het jaar 2013 is hiervoor niet van belang. De vaststelling van de kinderopvangtoeslag 2013 kan daarom geen toezegging inhouden voor de berekening van de kinderopvangtoeslag 2015 van [appellante].

14.    De conclusie is dat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt.

Kinderopvang bij [kindercentrum A]

15.    De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat [appellante] met de overgelegde stukken heeft aangetoond dat zij in 2015 per bankoverschrijving € 1.782,00 aan kinderopvangcentrum [kindercentrum A] heeft betaald. [appellante] heeft echter niet aangetoond dat zij een contante betaling van € 488,93 daadwerkelijk heeft gedaan.

    [appellante] heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de Belastingdienst/Toeslagen de contante betaling van € 488,93 terecht niet bij de berekening van haar kinderopvangtoeslag 2015 heeft betrokken, omdat de kosten van kinderopvang voor dit bedrag niet op haar hebben gedrukt.

    Gezien het voorgaande behoeft de betaling van de kosten van kinderopvang aan [kindercentrum A] verder geen bespreking.

Kinderopvang bij [kindercentrum B]

16.    Volgens de herziene jaaropgave van [kindercentrum B], die [appellante] bij de Belastingdienst/Toeslagen heeft ingediend, bedroegen de kosten van de kinderopvang die zij in 2015 bij [kindercentrum B] heeft afgenomen € 7.877,00. De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat [appellante] heeft aangetoond dat zij aan [kindercentrum B] voor de in 2015 afgenomen kinderopvang € 7.877,00 heeft betaald.

    Gezien het voorgaande behoeft de betaling van de kosten van kinderopvang aan [kindercentrum B] verder geen bespreking.

Kinderopvang bij [kindercentrum C]

17.    De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat [appellante] heeft aangetoond dat zij voor de afgenomen kinderopvang aan [kindercentrum C] € 12.900,00 heeft betaald. [appellante] heeft de betaling van drie bedragen van € 500,00, € 900,00 en € 700,00 aan [kindercentrum C] niet voldoende aangetoond. In het verweerschrift heeft de Belastingdienst/Toeslagen hierover verder het volgende vermeld.

    Uit de door [appellante] overgelegde bankafschriften blijkt dat zij in 2015 in totaal € 14.100,00 en in 2016 € 900,00 heeft overgemaakt aan [kindercentrum C]. [appellante] heeft gesteld dat het laatste bedrag gedeeltelijk voor de opvangkosten in 2015 is bestemd, zodat zij in totaal € 15.000,00 aan [kindercentrum C] heeft betaald. Uit bankgegevens waarover de Belastingdienst/Toeslagen beschikt blijkt echter dat [kindercentrum C] het bedrag van € 500,00 en het bedrag van € 900,00 heeft teruggestort aan [appellante] met de omschrijving "verkeerde boeking terug gestort". [appellante] heeft op de hoorzitting op 3 september 2019 aangegeven dat deze bedragen aan haar zijn betaald, omdat zij een contant bedrag van € 1.500,00 heeft geleend aan de houder van [kindercentrum C], [houder kindercentrum C], en dat [houder kindercentrum C] de lening op deze wijze heeft terugbetaald. Daarbij heeft [appellante] gewezen op haar e-mail van 10 april 2017 aan [houder kindercentrum C], waarin zij heeft vermeld dat deze bedragen verband hielden met een lening.

    [houder kindercentrum C] heeft tijdens een verhoor als verdachte op 2 september 2019 bij de FIOD verklaard dat de naar [appellante] overgeschreven bedragen € 500,00 en € 900,00 niets te maken hebben met de terugbetaling van een lening, maar dat dit verkeerde boekingen waren. Gezien deze verklaring van [houder kindercentrum C] kunnen volgens de Belastingdienst/Toeslagen de bankoverschrijvingen van € 500,00 en € 900,00 van [appellante] naar [kindercentrum C] niet worden toegerekend aan de betaling van kosten van bij [kindercentrum C] afgenomen kinderopvang. [houder kindercentrum C] heeft op 2 september 2019 tevens verklaard dat zij wel een bedrag van [appellante] heeft geleend, maar dat zij dat bedrag niet contant heeft ontvangen. Zij heeft verklaard dat de bankoverschrijving van € 700,00 van [appellante] naar [kindercentrum C] op 25 september 2015 niet is gedaan om kosten van afgenomen kinderopvang te betalen, maar dat dit een lening aan [kindercentrum C] betrof. Gezien deze verklaring van [houder kindercentrum C] kan volgens de Belastingdienst/Toeslagen de overschrijving van € 700,00 van [appellante] naar [kindercentrum C] niet worden toegerekend aan de betaling van kosten van bij [kindercentrum C] afgenomen kinderopvang.

    De Belastingdienst/Toeslagen heeft verder van belang geacht dat bij de bankoverschrijvingen van [appellante] naar [kindercentrum C] van € 700,00, € 500,00 en € 900,00 op de bankafschriften niet was vermeld waarvoor de betalingen dienden, terwijl [appellante] bij andere overschrijvingen naar [kindercentrum C] steeds de namen van haar kinderen heeft vermeld.

    Gezien het voorgaande acht de Belastingdienst/Toeslagen aangetoond dat [appellante] voor kinderopvang in 2015 aan [kindercentrum C] (15.000,00 - € 500,00 - € 900,00 - € 700,00 =) € 12.900,00 heeft betaald.

17.1.    Volgens de herziene jaaropgave van [kindercentrum C], die [appellante] bij de Belastingdienst/Toeslagen heeft ingediend, bedroegen de kosten van de kinderopvang die [appellante] in 2015 bij [kindercentrum C] heeft afgenomen € 14.452,62. [appellante] heeft bij de Belastingdienst/Toeslagen een betalingsoverzicht ‘Afschrijvingen: kindercentrum [kindercentrum C]’ van ING bank met als afdrukdatum 2 juni 2016 overgelegd. Op dit overzicht zijn bankoverschrijvingen van [appellante] naar kindercentrum [kindercentrum C] in 2015 en 2016 vermeld. Op het overzicht is vermeld dat [appellante] op 25 september 2015 € 700,00, op 30 november 2015 € 500,00 en op 16 februari 2016 € 900,00 via ING bank naar [kindercentrum C] heeft overgemaakt. Bij de drie betalingen is op het overzicht geen omschrijving van het doel van de betalingen vermeld.

    Vast staat dat [appellante] in 2015 bij [kindercentrum C] kinderopvang heeft afgenomen. [appellante] kan de betaling van de kosten van de afgenomen kinderopvang aan [kindercentrum C] in beginsel aantonen met het overleggen van afschriften van haar bankrekening waarop haar overschrijvingen naar het kindercentrum zijn vermeld. Alleen op basis van tegenbewijs kan worden geoordeeld dat een op een bankafschrift vermelde overschrijving naar het kindercentrum niet is gedaan ter betaling van kosten van bij dat kindercentrum afgenomen kinderopvang. De Belastingdienst/Toeslagen heeft terecht gesteld dat op de overgelegde bankafschriften van ING bank bij veel overschrijvingen naar [kindercentrum C] de namen van de kinderen van [appellante] staan vermeld, terwijl bij de overschrijvingen van € 700,00, € 500,00 en € 900,00 geen omschrijvingen zijn vermeld. Volgens de bankafschriften heeft [appellante] echter ook geen omschrijving vermeld bij de overschrijving van € 75,00 op 18 december 2015 en heeft zij bij de overschrijving van € 1.010,00 op 23 oktober 2015 als omschrijving ‘rest betaling’ vermeld. Deze laatste twee overschrijvingen heeft de Belastingdienst/Toeslagen geaccepteerd als de betaling van kosten van in 2015 bij [kindercentrum C] afgenomen kinderopvang. Dat [appellante] bij enkele bankoverschrijvingen naar [kindercentrum C] geen omschrijving van het doel van de overschrijving heeft vermeld, is onvoldoende voor het oordeel dat [appellante] deze overschrijvingen niet heeft gedaan om kosten van in 2015 afgenomen kinderopvang te betalen.

    Tijdens het verhoor door de FIOD op 2 september 2019 heeft [houder kindercentrum C] weliswaar verklaard dat de overschrijving van € 700,00 geen betaling was voor afgenomen kinderopvang, maar deze enkele verklaring is onvoldoende voor het oordeel dat [appellante] met de overgelegde bankafschriften van ING bank niet heeft aangetoond dat zij het bedrag van € 700,00 naar [kindercentrum C] heeft overgeschreven ter betaling van in 2015 afgenomen kinderopvang.

    Ter zitting heeft [appellante] toegelicht dat zij een van de eersten was die voor haar kinderen kinderopvang heeft afgenomen bij het toentertijd nieuwe [kindercentrum C]. Het kindercentrum had spullen nodig en zij heeft toen aan [kindercentrum C] geld geleend. Na de overschrijvingen van [kindercentrum C] naar [appellante] van € 500,00 en € 900,00 heeft [houder kindercentrum C] haar desgevraagd verzekerd dat deze overschrijvingen aflossingen waren van de lening. [appellante] heeft de aflossing van de lening vermeld in de e-mail van 10 april 2017 aan [kindercentrum C]. In deze e-mail heeft [appellante] vermeld dat [kindercentrum C] € 500,00 en € 900,00 per bankoverschrijving en € 100,00 contant aan haar heeft betaald en dat daarmee de lening van € 1.500,00 geheel is afgelost. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan de juistheid van deze toelichting te twijfelen. De enkele verklaring van [houder kindercentrum C] tijdens het verhoor door de FIOD op 2 september 2019 dat de overschrijvingen van € 500,00 en € 900,00 naar [appellante] niets te maken hadden met de aflossing van een lening is daarvoor onvoldoende. Daarbij is mede van belang dat niet is gebleken dat [houder kindercentrum C] na ontvangst van de e-mail van 10 april 2017 aan [appellante] heeft meegedeeld dat de inhoud van die e-mail onjuist was, hetgeen wel in de rede had gelegen.

17.2.    De conclusie is dat de Belastingdienst/Toeslagen ervan moet uitgaan dat [appellante] de bedragen van € 700,00, € 500,00 en € 900,00 naar [kindercentrum C] heeft overgeschreven ter betaling van kosten van bij [kindercentrum C] afgenomen kinderopvang. Daarbij is van belang dat volgens handgeschreven aantekeningen op het bankafschrift van het bedrag van € 900,00 een bedrag van € 554,80 was bestemd voor de betaling van in 2016 afgenomen kinderopvang, zodat € 345,20 valt toe te rekenen aan 2015.

Slotsom

18.    Uit de overgelegde bankafschriften volgt dat [appellante] de op de herziene jaaropgaven vermelde kosten van € 7.877,00 voor de afgenomen kinderopvang bij [kindercentrum B] en € 14.452,62 voor de afgenomen kinderopvang bij [kindercentrum C] geheel heeft betaald. Uit de bankafschriften volgt dat zij voor de afgenomen kinderopvang bij [kindercentrum A] € 1.782,00 heeft betaald. De Belastingdienst/Toeslagen moet er bij de vaststelling van de hoogte van de kinderopvangtoeslag 2015 van [appellante] van uitgaan dat [appellante] de betaling van deze bedragen heeft aangetoond.

    Uit het voorgaande volgt dat de Belastingdienst/Toeslagen bij het vaststellingsbesluit van 3 juli 2020 ten onrechte als uitgangspunt heeft gehanteerd dat [appellante] voor de afgenomen kinderopvang in 2015 slechts aantoonbaar € 22.559,00 heeft betaald. De Belastingdienst/Toeslagen moet in een nieuw vaststellingsbesluit als uitgangpunt nemen dat [appellante] voor de in 2015 afgenomen kinderopvang aantoonbaar (€ 1.782,00 + € 7.877,00 + € 14.452,62 =) € 24.111,62 heeft betaald.

19.    De Belastingdienst/Toeslagen dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 21 augustus 2018 in zaak nr. 18/1309, voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde besluit van 21 februari 2018 geheel in stand blijven;

III.    vernietigt het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen van 17 oktober 2019, kenmerk 2068.62.052;

IV.    veroordeelt de Belastingdienst/Toeslagen tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.837,50 (zegge: achttienhonderdzevenendertig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V.    gelast dat Belastingdienst/Toeslagen aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 253,00 (zegge: tweehonderddrieënvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Oranje, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2020

507.