Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2173

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-09-2020
Datum publicatie
09-09-2020
Zaaknummer
201907079/1/R4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2019:3844, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 augustus 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lingewaard aan [appellant] een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een loods op het perceel [locatie A] in Gendt. Op 23 mei 2017 heeft [appellant] ter legalisatie van de feitelijk gerealiseerde loods een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht ingediend, strekkende tot wijziging van de aan hem op 29 april 1997 verleende bouwvergunning voor een schuur. Het college heeft in eerste instantie met toepassing van artikel 7, lid 17, van de planvoorschriften de gevraagde omgevingsvergunning verleend, maar heeft dat besluit bij het besluit op bezwaar van 10 juli 2018 herroepen en daarbij de omgevingsvergunning alsnog geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201907079/1/R4.

Datum uitspraak: 9 september 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Gendt, gemeente Lingewaard,

appellant,

tegen de tussenuitspraak van 8 april 2019 en de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 28 augustus 2019 in zaaknr. 18/4157, in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Lingewaard.

Procesverloop

Bij besluit van 28 augustus 2017 heeft het college aan [appellant] een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een loods op het perceel [locatie A] in Gendt (hierna: het perceel).

Bij besluit van 10 juli 2018 heeft het college het door [belanghebbende] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 28 augustus 2017 herroepen en de omgevingsvergunning alsnog geweigerd.

Bij tussenuitspraak van 8 april 2019 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om een door haar geconstateerd gebrek in het besluit van 10 juli 2018 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij brief van 14 mei 2019 heeft het college het besluit van 10 juli 2018 nader gemotiveerd.

Bij uitspraak van 28 augustus 2019 (hierna: de einduitspraak) heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 10 juli 2018 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[belanghebbende] heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft aanleiding gezien om [appellant] bij brief van 15 april 2020 om nadere inlichtingen te vragen. [appellant] heeft daarop een reactie toegezonden. [belanghebbende] heeft naar aanleiding daarvan een nader stuk ingediend.

Geen van de partijen heeft binnen de door de Afdeling gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.

Overwegingen

Uitzonderlijke situatie

1.    Gelet op de in Nederland ontstane uitzonderlijke situatie door het uitbreken van het coronavirus en de in verband daarmee door de Nederlandse regering getroffen maatregelen om verspreiding van dit virus te voorkomen, heeft de zitting van 22 april 2020 geen doorgang kunnen vinden. De Afdeling heeft vervolgens na raadpleging van partijen daarover besloten de zaak zonder zitting af te doen.

Inleiding

2.    [appellant] woont op het perceel. Op 29 april 1997 heeft het college aan [appellant] een vergunning verleend voor de bouw van een loods op het perceel. [appellant] heeft in of omstreeks 1997 een loods van ongeveer 300 m2 gerealiseerd. Vaststaat dat de gerealiseerde loods niet overeenstemt met de loods waarvoor op 29 april 1997 vergunning is verleend. Zo wijken de situering op minder dan 3 meter van de erfgrens, de hoogte, de gevelindeling en de dakhelling van de loods af van de loods waarvoor in 1997 vergunning is verleend. [belanghebbende] woont op de [locatie B] te Gendt. Dit perceel grenst aan dat van [appellant].

Op 23 mei 2017 heeft [appellant] ter legalisatie van de feitelijk gerealiseerde loods een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) ingediend, strekkende tot wijziging van de aan hem op 29 april 1997 verleende bouwvergunning voor een schuur.

Het perceel is in het bestemmingsplan "Buitengebied Gendt" bestemd tot "Agrarisch gebied". Een deel van het perceel heeft de nadere aanwijzing "Agrarisch (hg)". Ongeveer de helft van de loods staat op dat deel van het perceel. In artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften is bepaald dat gronden met de bestemming "Agrarisch gebied" zijn bestemd voor land- en tuinbouw. Daarop zijn alleen gebouwen toelaatbaar, die nodig zijn voor een agrarisch bedrijf. Op gronden met de nadere aanwijzing (hg) zijn op grond van artikel 7, tweede lid, uitsluitend agrarische hulpgebouwen zoals melkstallen, veldschuren en schuilgelegenheden toelaatbaar met een maximumoppervlakte van 50 m2. Vast staat dat de loods in strijd is met het bestemmingsplan, onder meer omdat de loods niet kan worden aangemerkt als een agrarisch hulpgebouw.

Het college heeft in eerste instantie met toepassing van artikel 7, lid 17, van de planvoorschriften de gevraagde omgevingsvergunning verleend, maar heeft dat besluit bij het besluit op bezwaar van 10 juli 2018 herroepen en daarbij de omgevingsvergunning alsnog geweigerd.

Uitspraken van de rechtbank

3.    De rechtbank heeft in de tussenuitspraak van 8 april 2019 overwogen dat het college het besluit op bezwaar ontoereikend heeft gemotiveerd. Het college heeft volgens de rechtbank onvoldoende de belangen van partijen afgewogen, onvoldoende het evenredigheidsbeginsel betrokken bij zijn toetsing en onvoldoende gemotiveerd waarom het de loods in strijd acht met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld het door haar geconstateerde gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in de tussenuitspraak.

Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft het college bij brief van 14 mei 2019 een aanvullende motivering gegeven.

In de einduitspraak heeft de rechtbank het besluit op bezwaar vernietigd vanwege het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek. Op grond van de gegeven aanvullende motivering heeft de rechtbank aanleiding gezien met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

Het hoger beroep van [appellant] komt erop neer dat volgens hem de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten.

Is een vergunning nodig?

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat er geen omgevingsvergunning nodig is voor de gerealiseerde loods. Volgens [appellant] heeft het college al in 1998 vergunning verleend voor een loods met dezelfde afmetingen en op dezelfde plaats door toen gewijzigde bouwtekeningen voor de loods goed te keuren, deze te waarmerken en opnieuw een verklaring van geen bezwaar te vragen, die ook is verstrekt.

4.1.    De Afdeling overweegt dat als voor de gerealiseerde loods al een vergunning zou zijn verleend, de rechtbank en het college ten onrechte ervan zijn uitgegaan dat dat niet het geval is en een vergunning is vereist. Anders dan [belanghebbende] heeft betoogd, is het daarom ook bij een besluit tot weigering van een vergunning van belang om te beoordelen of een vergunning is vereist.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat het college vergunning heeft verleend voor de gewijzigde uitvoering van de loods ten opzichte van de op 29 april 1997 verleende bouwvergunning.

[appellant] heeft gewezen op een tekening, genaamd ‘inrichtingsplan t.b.v. aanleg en oprichting van een bedrijf voor tuingrond en tuinartikelen aan de langstraat te gendt’. In het dossier bevindt zich een door het college gewaarmerkt exemplaar van die tekening. Ook heeft [appellant] gewezen op een gewaarmerkte tekening "project . terreininrichtingsplan . bestemming . tuinbedrijf". Met de rechtbank oordeelt de Afdeling echter dat [appellant] met deze tekeningen niet aannemelijk heeft gemaakt dat het college vergunning heeft verleend voor de gerealiseerde loods. De tekening van het (terrein)inrichtingsplan betreft immers slechts de inrichting met beplanting en verharding van het terrein. Het ziet niet op de realisering, invulling of maatvoering van gebouwen, zodat het college met een eventuele instemming met die tekening niet ook heeft ingestemd met de gerealiseerde bebouwing.

Voor zover [appellant] heeft gewezen op een bestektekening van 2 maart 1998, heeft de Afdeling al geoordeeld (uitspraak van 20 april 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ1872) dat uit die tekening niet blijkt van instemming van het college met de gerealiseerde loods, alleen al omdat de tekening niet is gewaarmerkt door het college. Voor zover [appellant] betoogt dat het college heeft ingestemd met de loods nadat deze gereed was, overweegt de Afdeling dat de instemming met een gereedmelding geen legaliserende werking heeft ten aanzien van afwijkingen van de ter zake verleende omgevingsvergunning (zie de uitspraak van 5 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2911).

Nu  het college het besluit van 28 augustus 2017 heeft herroepen en de vergunning alsnog heeft geweigerd, beschikte [appellant]  niet langer over een vergunning voor de gerealiseerde loods, terwijl deze wel was vereist. De rechtbank is daarom terecht tot het oordeel gekomen dat voor de gerealiseerde loods een omgevingsvergunning nodig is.

Het betoog faalt.

Toepassing artikel 7, zeventiende lid, van de planvoorschriften

5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij het besluit op bezwaar ten onrechte, in afwijking van het besluit van 28 augustus 2017, het standpunt heeft ingenomen dat geen toepassing kan worden gegeven aan de afwijkingsbevoegdheid van artikel 7, zeventiende lid, van de planvoorschriften.

5.1.    Artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), luidt:

"Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats." Het tweede lid luidt:

"Voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit."

5.2.    De Afdeling overweegt dat de omstandigheid dat het college het bouwplan in het besluit van 28 augustus 2017 niet in strijd achtte met artikel 7, zeventiende lid, van de planvoorschriften, niet betekent dat het college daarover, na heroverweging op grondslag van de naar voren gebrachte bezwaren, niet een ander standpunt mocht innemen in het besluit van 10 juli 2018. Het na heroverweging in bezwaar herroepen van het besluit tot vergunningverlening en het alsnog weigeren van de vergunning, betekent niet dat buiten de grenzen wordt getreden die artikel 7:11, eerste lid, van de Awb stelt aan de heroverweging in bezwaar.

Het betoog faalt.

Redelijkheid weigering omgevingsvergunning

6.    [appellant] wijst er in het stuk dat de gronden van zijn hoger beroep bevat, op dat [belanghebbende] geen relevante ruimtelijke bezwaren tegen de loods naar voren heeft gebracht en dat de waterloopbeheerder tegen de loods geen bezwaren heeft. De Afdeling begrijpt dit betoog aldus dat de rechtbank naar het oordeel van [appellant] heeft miskend dat het college ook met de bij brief van 14 mei 2019 gegeven motivering niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de gevraagde vergunning in redelijkheid kon worden geweigerd, zodat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit niet in stand heeft mogen laten.

De rechtbank heeft overwogen dat het college met genoemde brief kenbaar de belangen van [appellant] en [belanghebbende] tegen elkaar heeft  afgewogen en in het kader van die belangenafweging aan het goede woon- en leefklimaat van de laatste een groter belang heeft toegekend dan aan het belang van [appellant] bij legalisering van de gerealiseerde loods met een hoogte van 6,60 meter op minder dan 3 meter van de perceelsgrens. Wat [appellant] in hoger beroep naar voren heeft gebracht, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank niet terecht tot het oordeel is gekomen dat het college op grond van de alsnog gegeven motivering in redelijkheid, gelet op de betrokken belangen, de gevraagde omgevingsvergunning kon weigeren. De rechtbank heeft dan ook op goede gronden de rechtsgevolgen in stand gelaten.

Het betoog faalt.

Slotoverwegingen

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. P.H.A. Knol en mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2020

163-930.