Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2171

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-09-2020
Datum publicatie
09-09-2020
Zaaknummer
201905014/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 mei 2019 heeft de raad van de gemeente Schagen het bestemmingsplan "Bladstraat" vastgesteld. Het plangebied bestaat uit drie verspreid liggende locaties aan de Bogtmanweg en op de hoek van de Bogtmanweg en de Bladstraat te Tuitjenhorn. Het bestemmingsplan maakt de realisatie van maximaal acht woningen mogelijk. Op het perceel waar de woningen zijn voorzien stond een kleuterschool, die in 2012 is gesloopt. Op dit perceel rustte onder andere een maatschappelijke bestemming. [appellant] woont ten noordwesten van de woningbouwlocatie aan de [locatie], waar ook zijn zaadveredelingsbedrijf gevestigd is. Hij heeft beroep ingesteld, omdat hij het niet eens is met woningbouw op deze locatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201905014/1/R1.

Datum uitspraak: 9 september 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Tuitjenhorn, gemeente Schagen,

appellant,

en

de raad van de gemeente Schagen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 14 mei 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "Bladstraat" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 augustus 2020, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door J.W. de Lange, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het plangebied bestaat uit drie verspreid liggende locaties aan de Bogtmanweg en op de hoek van de Bogtmanweg en de Bladstraat te Tuitjenhorn. Het bestemmingsplan maakt de realisatie van maximaal acht woningen mogelijk. Op het perceel waar de woningen zijn voorzien stond een kleuterschool, die in 2012 is gesloopt. Op dit perceel rustte onder andere een maatschappelijke bestemming.

    [appellant] woont ten noordwesten van de woningbouwlocatie aan de [locatie], waar ook zijn zaadveredelingsbedrijf gevestigd is. Hij heeft beroep ingesteld, omdat hij het niet eens is met woningbouw op deze locatie. 

Parkeren

2.    [appellant] vreest dat de in het bestemmingsplan voorziene woningbouw de al bestaande parkeeroverlast zal vergroten. Het aanwezige parkeerterrein is volgens hem al onvoldoende voor het huidige aanbod van auto’s en er worden ook nu al auto’s op zijn terrein geparkeerd. Hij betoogt dat de raad hieraan ten onrechte voorbij is gegaan.

2.1.    In paragraaf 4.11.1 van de plantoelichting is een berekening opgenomen van het aantal parkeerplaatsen dat nodig is voor de acht te bouwen woningen. Uit die berekening volgt dat er 18 parkeerplaatsen moeten worden aangelegd. [appellant] betwist dit aantal niet. In de plantoelichting is verder beschreven dat in het plangebied ruimte is voor 22 parkeerplaatsen. Het plan voorziet onder meer in een aantal nieuwe parkeerplaatsen op het parkeerterrein van sporthal De Groet. De plantoelichting vermeldt verder dat een eventueel bestaand tekort aan parkeerplaatsen in dit gebied, waarvan tijdens piekuren sprake is, niet met dit plan hoeft te worden opgelost.

2.2.    De Afdeling overweegt dat [appellant] niet gemotiveerd heeft bestreden dat het bestemmingsplan in voldoende parkeergelegenheid voor de acht nieuw te bouwen woningen voorziet. Zoals in de plantoelichting is vermeld, is het niet nodig dat het plan de al bestaande parkeerproblemen geheel oplost. Het betoog van [appellant] over de bestaande parkeersituatie kan daarom niet tot het oordeel leiden dat het plan niet rechtmatig is.

2.3.    Het betoog faalt.  

Geluid

3.    [appellant] betoogt dat hij in zijn bedrijfsvoering zal worden belemmerd. Hij verwacht dat de bewoners van de te bouwen woningen geluidoverlast zullen ondervinden van draaiende ventilatoren in zijn  bedrijfsgebouwen.

3.1.    In paragraaf 4.10 van de plantoelichting is ingegaan op de mogelijke hinder van bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied. Voor de in verband met milieuhinder aan te houden afstand tussen de voorziene woningen en de bedrijfsactiviteiten in de omgeving, heeft de raad aansluiting gezocht bij de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering", editie 2009. Hij heeft het plangebied daarbij aangemerkt als een gemengd gebied. De afstand tussen het zaadveredelingsbedrijf van [appellant] en de voorziene woningen is volgens de plantoelichting groter dan de in de VNG-brochure opgenomen richtafstand van 10 m. Dit betekent volgens de plantoelichting dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor het plangebied niet in geding is.

3.2.    Niet in geschil is dat het bedrijf van [appellant] in de systematiek van de VNG-brochure onder milieucategorie 2 valt, waarvoor afstanden van 30 m tot een rustige woonwijk en 10 m tot een gemengd gebied worden geadviseerd. [appellant] bestrijdt niet dat aan de toepasselijke richtafstand wordt voldaan, maar hij vreest dat de bewoners niettemin overlast van de ventilatoren zullen ondervinden. De Afdeling overweegt dat de in de VNG-brochure aanbevolen richtafstanden een indicatie geven over de afstand die nodig is om geluidhinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken. In wat [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad niet van de VNG-brochure heeft mogen uitgaan. Daarbij is in aanmerking genomen dat het bedrijfsgebouw met de ventilatoren op een afstand van ongeveer 55 m van de voorziene woningen ligt.

3.3.    Het betoog faalt.

Procedure

4.    [appellant] betoogt dat de procedure niet zorgvuldig is geweest. Aanvankelijk waren er plannen voor de bouw van 3 huizen aan de Bladstraat, met mogelijkheid tot uitbreiding van de parkeergelegenheid. Daarna werd aan de klankbordgroep de keuze voorgelegd van huizen aan de Bladstraat of huizen aan de Bogtmanweg, waarna gekozen is voor een rij huizen aan de Bogtmanweg. Hij stelt dat hij niet welkom was in de klankbordgroep.

4.1.    Uit het raadsvoorstel blijkt dat een klankbordgroep is gevormd met het oog op maatschappelijk draagvlak voor de ruimtelijke ontwikkeling. In de klankbordgroep hebben buurtbewoners en geïnteresseerden plaatsgenomen en de klankbordgroep heeft gedurende het proces mee kunnen praten.

    In de Nota van zienswijzen en in het verweerschrift heeft de raad uiteengezet dat het bestemmingsplan een antwoord is op de enquête van de Dorpsraad uit februari 2018. Uit die enquête bleek dat er een grote behoefte is aan betaalbare woningbouw voor starters en senioren. In overleg met de Dorpsraad is de klankbordgroep opgericht. Tijdens bijeenkomsten van de klankbordgroep was volgens de raad een deel van de groep negatief over het plan voor rijwoningen op het perceel, maar was een ander deel hierover juist positief.     

4.2.    Het betoog van [appellant] leidt niet tot het oordeel dat het besluit van de raad niet zorgvuldig is voorbereid. De stelling dat aanvankelijk andere plannen voor het perceel bestonden, is daarvoor onvoldoende. Dat [appellant] niet gevraagd is deel uit te maken van de klankbordgroep, heeft ook geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het besluit. Het bieden van inspraak voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan maakt namelijk geen onderdeel uit van de in de Wet ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Overigens kon een zienswijze naar voren worden gebracht over het ontwerpplan en heeft [appellant] van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.

4.3.    Het betoog faalt.

Herhaling zienswijze

5.    [appellant] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot een herhaling van zijn over het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijze. In de Nota van zienswijzen is de raad ingegaan op deze zienswijze. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de zienswijze onjuist zou zijn. Ook in zoverre slaagt zijn betoog niet. 

Conclusie

6.    Het beroep is ongegrond.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2020

148.