Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2162

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-09-2020
Datum publicatie
09-09-2020
Zaaknummer
201909175/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2019:11093, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 januari 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders van Schagen het verzoek van [appellante] om het adres van het verblijfsobject aan de [locatie 1] te Schagerbrug te wijzigen in [locatie 2] afgewezen. [appellante] woont op het adres [locatie 3] in Schagerbrug. Op het naastgelegen perceel staat een woning. Daarnaast staat, op een ander kadastraal perceel, een bedrijfsgebouw. De naast het perceel van [appellante] gelegen woning heeft bij besluit van 9 september 2008 het adres [locatie 1] gekregen. Het adres van het bedrijfsgebouw is [locatie 4]. [appellante] heeft het college bij brief van 30 december 2015 gevraagd het adres van de woning [locatie 1] te wijzigen in [locatie 2], omdat de huidige nummeraanduiding volgens haar verwarring geeft voor bezoekers en postbezorgers. Het college heeft dit verzoek in het besluit van 10 juli 2018 afgewezen. Daarbij heeft het college onder meer het standpunt ingenomen dat het adres [locatie 2] al bestaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201909175/1/A3.

Datum uitspraak: 9 september 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Schagerbrug, gemeente Schagen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 29 november 2019 in zaak nr. 19/387 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Schagen.

Procesverloop

Bij besluit van 12 januari 2016 heeft het college het verzoek van [appellante] om het adres van het verblijfsobject aan de [locatie 1] te Schagerbrug te wijzigen in [locatie 2] afgewezen.

Bij besluit van 23 februari 2016 heeft het college het besluit van 12 januari 2016 ingetrokken en zich op het standpunt gesteld dat [appellante] geen belanghebbende is bij het verzoek om wijziging van de nummeraanduiding.

Bij besluit van 10 juli 2018 heeft het college, opnieuw beslissend op het bezwaar van [appellante] tegen de besluiten van 12 januari 2016 en 23 februari 2016, deze besluiten herzien, [appellante] aangemerkt als belanghebbende bij haar verzoek om wijzing van de nummeraanduiding en dat verzoek afgewezen.

Bij besluit van 14 januari 2019 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 november 2019 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 augustus 2020, waar [appellante], bijgestaan door mr. V.E. Haas, advocaat te Schagen, en het college, vertegenwoordigd door I. Jelierse, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellante] woont op het adres [locatie 3] in Schagerbrug. Op het naastgelegen perceel staat een woning. Daarnaast staat, op een ander kadastraal perceel, een bedrijfsgebouw. De naast het perceel van [appellante] gelegen woning heeft bij besluit van 9 september 2008 het adres [locatie 1] gekregen. Het adres van het bedrijfsgebouw is [locatie 4]. [appellante] heeft het college bij brief van 30 december 2015 gevraagd het adres van de woning [locatie 1] te wijzigen in [locatie 2], omdat de huidige nummeraanduiding volgens haar verwarring geeft voor bezoekers en postbezorgers. Het college heeft dit verzoek in het besluit van 10 juli 2018 afgewezen. Daarbij heeft het college onder meer het standpunt ingenomen dat het adres [locatie 2] al bestaat en dat de gevraagde wijziging in strijd is met de "Uitvoeringsvoorschriften naamgeving en nummering (adressen) 2014 gemeente Schagen" (hierna: de Uitvoeringsvoorschriften).

    In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat een groot deel van de gronden van [appellante] is gericht tegen het besluit van 9 september 2008. Volgens de rechtbank heeft [appellante] tegen dit besluit niet tijdig bezwaar aangetekend en is het besluit onherroepelijk geworden. De tegen het besluit van 9 september 2008 gerichte beroepsgronden zijn door de rechtbank daarom buiten beschouwing gelaten. De rechtbank heeft verder overwogen dat het college kan worden gevolgd in zijn standpunt dat het verzoek van [appellante] in strijd is met de Uitvoeringsvoorschriften en dat het voldoende aannemelijk is dat de door [appellante] voorgestelde wijziging voor meer verwarring zal zorgen.

Beoordeling van het hoger beroep

2.    [appellante] betoogt dat dat de rechtbank niet heeft onderkend dat in het besluit van 10 juli 2018, dat bij besluit van 14 januari 2019 in stand is gelaten, ten onrechte alleen is gewezen op artikel 9 van de Uitvoeringsvoorschriften. Volgens haar is in de Uitvoeringsvoorschriften onder meer ook opgenomen dat woningen met een bedrijf aan huis in principe een lettertoevoeging krijgen om de relatie met het hoofdgebouw aan te duiden. Verder is in de Uitvoeringsvoorschriften opgenomen dat per perceel één hoofdnummer wordt toegekend en daaruit volgt dat de woning en het bedrijfsgebouw geen afzonderlijke verblijfsobjecten zijn, aldus [appellante]. Volgens haar moeten de woning en het bedrijfsgebouw daarom hetzelfde huisnummer hebben, waarbij de woning of het bedrijfsgebouw een lettertoevoeging krijgt. [appellante] wijst er verder op dat zij ten onrechte niet is betrokken bij de nummeraanpassing in 2008 en daarmee niet akkoord is gegaan. De rechtbank heeft de beroepsgronden die zijn gericht tegen dat besluit ten onrechte niet besproken, aldus [appellante]. Zij voert verder aan dat zij veel overlast ondervindt van de huidige nummeraanduiding. Zo worden poststukken en pakketten die zijn geadresseerd op [locatie 1] bij [appellante] bezorgd en hebben hulpdiensten zich op het verkeerde adres gemeld.

2.1.    De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

2.2.    Het college heeft zich in het bij besluit van 14 januari 2019 in stand gelaten besluit van 10 juli 2018 op het standpunt gesteld dat de huidige situatie met betrekking tot de nummeraanduiding dateert uit 2008. Het stelt zich op het standpunt dat het wijzigen van huisnummer [locatie 1] naar [locatie 4]a niet mogelijk is, omdat dat laatste nummer al in gebruik is. Het wijzigen van huisnummer [locatie 1] naar [locatie 5] of [locatie 6] is volgens het college in strijd met artikel 9 van de Uitvoeringsvoorschriften, omdat het een doorbreking van de logische opeenvolging van huisnummers betekent en leidt tot een verslechtering van de vindbaarheid. Het college acht daarnaast van belang dat foutieve postbezorging doorgaans aan de accuraatheid van de postbezorger ligt en dat geen meldingen bekend zijn over de slechte vindbaarheid van de adressen [locatie 3], [locatie 1] of [locatie 4] voor hulpdiensten. Het acht verder van belang dat de percelen [locatie 1] en [locatie 4] kadastraal zijn gesplitst en dat de stelling van [appellante] dat per perceel één huisnummer moet worden toegekend, daarom in dit geval niet kan leiden tot de daarmee door haar beoogde huisnummeraanpassing. Ten slotte zou het hanteren van een logische volgorde ertoe leiden dat een deel van de Belkmerweg moet worden vernummerd. Het college acht dat onwenselijk vanwege de impact die dat heeft op de eigenaren en gebruikers van de andere percelen.

2.3.    Voor zover het beroep van [appellante] zicht richtte tegen het besluit van 9 september 2008 waarbij aan de woning huisnummer [locatie 1] en aan het bedrijfsgebouw nummer [locatie 4] is toegekend, heeft de rechtbank terecht vastgesteld dat dit besluit onherroepelijk is. De stelling van [appellante] dat dit besluit niet is gepubliceerd en dat zij geen gelegenheid heeft gehad om daartegen bezwaar te maken, maakt dat niet anders. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 8 oktober 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3244) dient in zaken waarbij een belanghebbende, niet zijnde de aanvrager, van het nemen van een besluit niet op de hoogte is gesteld, terwijl geen publicatie heeft plaatsgevonden, die belanghebbende binnen twee weken nadat hij van het bestaan op de hoogte is geraakt, zijn bezwaren kenbaar te maken. Ter zitting van de rechtbank heeft [appellante] verklaard dat zij in 2015 bekend is geworden met het besluit van 9 september 2008. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat zij vervolgens niet binnen twee weken alsnog haar bezwaren kenbaar heeft gemaakt, zodat het besluit van 9 september 2008 in rechte onaantastbaar is. De door [appellante] in beroep aangevoerde gronden die zijn gericht tegen het besluit van 9 september 2008 heeft de rechtbank dan ook terecht onbesproken gelaten.

2.4.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college bij de afweging van de belangen in redelijkheid het belang van [appellante] minder zwaar kon laten wegen dan het algemeen belang. Het college heeft in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat het adres [locatie 2] al bestaat en dat de logische opeenvolging van huisnummers wordt doorbroken als het verzoek van [appellante] wordt gehonoreerd. Dat is in strijd met artikel 9 van de Uitvoeringsvoorschriften. De verwijzing van [appellante] naar andere bepalingen uit de Uitvoeringsvoorschriften maakt dat niet anders, omdat de door haar genoemde bepalingen betrekking hebben op situaties waarin sprake is van een bedrijf aan huis of meerdere verblijfobjecten op één perceel. De woning op nummer [locatie 1] en het bedrijfsgebouw op nummer [locatie 4] zijn echter op verschillende kadastrale percelen gesitueerd, zodat de door [appellante] aangehaalde artikelen in deze zaak niet van toepassing zijn. Het college heeft verder de suggestie van [appellante] om het nummer [locatie 1] te wijzigen in nummer [locatie 5] of [locatie 6] kunnen afwijzen, omdat dit een verslechtering van de vindbaarheid zou opleveren. Ten slotte heeft het college in redelijkheid kunnen kiezen om de huidige situatie te handhaven en niet een deel van de Belkmerweg te vernummeren. Het heeft de nadelen daarvan voor andere eigenaren en gebruikers in redelijkheid zwaarder kunnen laten wegen dan de overlast die [appellante] ondervindt van de huidige situatie. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

    Het betoog faalt.

Conclusie

3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2020

290-724.

 

BIJLAGE

 

Uitvoeringsvoorschriften naamgeving en nummering (adressen) 2014 gemeente Schagen

Artikel 9 Volgorde van nummering

"De nummeraanduiding bestaat uit: een (huis)nummer, (huis)letter (optioneel), (huis)nummertoevoeging (optioneel) en een postcode. Een nummeraanduiding moet voldoen aan de volgende kenmerken:

-    logische nummeropeenvolging met eventueel toevoeging van een letter (met uitzondering van een I of O);

-    verdere subnummering alleen als dit niet anders kan;

-    nummering vanuit het centrum oplopend, oneven nummers links, even nummers rechts. Dit geldt ook als de weg slechts aan één zijde bebouwd wordt en voor gebouwen die niet direct aan de weg gelegen zijn.

Wanneer nummers worden toegevoegd wordt de volgende volgorde van voorkeur gehanteerd:

1.     Het doorzetten van bestaande nummering en het invoegen van nog niet gebruikte nummers. Dit is de meest gewenste methode. Gebruikmakend van de standaardsystematiek wordt doorgenummerd of tussengevoegd vanuit de bestaande nummers.

2. Het toevoegen van letters aan bestaande nummers. Bij het  tussenvoegen van nummers tussen opeenvolgende bestaande nummers wordt aan het laagste van die nummers een letter toegevoegd. De geletterde objecten liggen altijd na het nummer waaraan het nummer wordt toegevoegd (2, 2A, 2B). Als er vóór een laagste nummer (1 of 2) een object toegevoegd wordt, moet dat laagste nummer vernummerd worden, zodat de nummering bij het nieuwe object weer begint met de laagste nummering. Per perceel wordt één hoofdnummer toegekend. Latere splitsingen en toevoegingen krijgen een letteraanduiding, waarbij het hoofdnummer mede blijft bestaan (bijv. bij splitsing van een verblijfsobject met het nummer 2 in drie verblijfsobjecten, wordt de nummering 2, 2A en 2B).

3.     Als toevoeging van letters geen uitkomst biedt omdat te veel objecten worden tussengevoegd of er bestaat al een subnummering, dan wordt onderzocht of voor het te nummeren project een nieuwe naamgeving kan worden vastgesteld. Dat gebeurt alleen als uit de feitelijke inrichting van de ruimte zo’n nieuwe naam logisch is. Bijvoorbeeld als er sprake is van een hofje of plein.

4.     Vernummering van één of meer van de naastgelegen nummers. Er worden niet meer objecten vernummerd dan strikt noodzakelijk is. Dat wil zeggen: zoveel dat een nummering met hooguit een enkelvoudige lettertoevoeging van de nieuw te nummeren objecten mogelijk is. Vernummering is de minst gewenste vorm bij het toevoegen van nummers.

5.     Voor ruimte tussen gebouwen die in de toekomst mogelijk bebouwd wordt, moet getracht worden het maximaal aantal te verwachten nummers te reserveren.

6.     De nummering wordt toegekend in een logische oplopende volgorde, gebaseerd op de feitelijke locatie van de hoofdingang van het (deel van het) object of de locatie van de toegangsdeur tot de gemeenschappelijke verkeersruimte. De nummering vindt plaats in de nummerreeks van de straat waaraan de hoofdingang van het (deel van het) object is gelegen.

7.     Bijzondere gebruiksobjecten kunnen als zodanig herkenbaar genummerd zijn door bijvoorbeeld een specifieke lettertoevoeging in de aanduiding. Bijvoorbeeld de letter "t" voor betreedbare trafo’s. Hierbij wordt de lettertoevoeging in een kleine letter uitgevoerd. Dit onderscheid wordt gemaakt om aan te geven dat het een speciaal object is en geen reguliere lettertoevoeging, welke volgens deze uitvoeringsvoorschriften moet worden uitgevoerd met een hoofdletter.