Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2151

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-09-2020
Datum publicatie
16-09-2020
Zaaknummer
201907645/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2019:10227, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 september 2018 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vastgesteld dat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan heeft gehad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2020/2244
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201907645/1/V2.

Datum uitspraak: 9 september 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 19 september 2019 in zaak nr. 19/3981 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 5 september 2018 heeft de staatssecretaris vastgesteld dat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan heeft gehad.

Bij besluit van 25 april 2019 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 september 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.J.J. Jansen, advocaat te Kapelle, hoger beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de vreemdeling zich nader uitgelaten en een nader stuk ingediend.

Overwegingen

1.    De uitspraak van de rechtbank is verzonden op 19 september 2019, zodat de termijn voor het instellen van hoger beroep op 17 oktober 2019 is geëindigd.

2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:3129), is een per fax ingediend hogerberoepschrift tijdig ingediend, indien de ontvangst ervan blijkens de ontvangstregistratie van het faxontvangstapparaat is begonnen vóór 24:00 uur op de laatste dag van de termijn.

2.1.    De vreemdeling heeft, onder verwijzing naar een afschrift van de detailfactuur van 5 november 2019 van Proximus, gesteld dat hij het hogerberoepschrift tijdig heeft ingediend nu hij dit op 17 oktober 2019 om 23:58 uur per fax heeft verzonden. Uit de ontvangstregistratie van de faxapparatuur van de Raad van State, die gelet op wat onder 2. is overwogen hier als uitgangspunt heeft te gelden, blijkt echter dat de ontvangst van het hogerberoepschrift op 18 oktober 2019 om 00:04:30 uur is begonnen. De vreemdeling heeft het hogerberoepschrift derhalve niet tijdig per fax ingediend.

3.    Het hogerberoepschrift van de vreemdeling is op 22 oktober 2019 - derhalve eveneens buiten de termijn - ook per brief bij de Raad van State ingekomen. De vreemdeling heeft het hogerberoepschrift niet tijdig per post ingediend, want het was niet voor het einde van de termijn ter post bezorgd. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld in verband waarmee redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de vreemdeling in verzuim is geweest.

4.    Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. van Wezep, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Van Wezep

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2020

844.