Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2142

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-09-2020
Datum publicatie
16-09-2020
Zaaknummer
202002459/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 februari 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer het wijzigingsplan "Vlaamse Gaai" vastgesteld. Het wijzigingsplan maakt de bouw van 16 vrijstaande en/of half vrijstaande woningen aan de Vlaamse Gaai in Boxmeer mogelijk. Met het wijzigingsplan heeft het college toepassing gegeven aan een wijzigingsbevoegdheid die was opgenomen in het bestemmingsplan "Boxmeer Zuidwest" uit 2014. [verzoeker] en anderen wonen aan het Bladkoninkje en de Tapuit. Hun percelen grenzen aan het plangebied of liggen op korte afstand daarvan. Nebuvast is als ontwikkelaar betrokken bij de uitvoering van het plan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202002459/2/R2.

Datum uitspraak: 9 september 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)) in het geding tussen:

[verzoeker] en anderen, allen wonend te Boxmeer,

verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2020 heeft het college het wijzigingsplan "Vlaamse Gaai" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [verzoeker] en anderen beroep ingesteld.

[verzoeker] en anderen hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij besluit van 25 augustus 2020 heeft het college het wijzigingsplan opnieuw, met een aantal wijzigingen, vastgesteld.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 28 augustus 2020, waar [verzoeker] en anderen, bijgestaan door mr. J.E. van Gilst, advocaat te Wageningen, en het college, vertegenwoordigd door J.W.P. Lubberding, bijgestaan door mr. T.E.P.A. Lam, advocaat te Nijmegen, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Nebuvast II B.V. (hierna: Nebuvast), vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. A.C.P.M. van Dun, advocaat te Tilburg, als partij gehoord.

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

Inleiding

2.    Het wijzigingsplan maakt de bouw van 16 vrijstaande en/of half vrijstaande woningen aan de Vlaamse Gaai in Boxmeer mogelijk. Met het wijzigingsplan heeft het college toepassing gegeven aan een wijzigingsbevoegdheid die was opgenomen in het bestemmingsplan "Boxmeer Zuidwest" uit 2014 (hierna: het bestemmingsplan). [verzoeker] en anderen wonen aan het Bladkoninkje en de Tapuit. Hun percelen grenzen aan het plangebied of liggen op korte afstand daarvan. Nebuvast is als ontwikkelaar betrokken bij de uitvoering van het plan.

Wijzigingsregels bestemmingsplan

3.    In artikel 17, lid 17.5, van de planregels van het bestemmingsplan zijn wijzigingsregels opgenomen voor de gronden met de bestemming "Wonen" en de aanduiding "wetgevingszone - wijzigingsgebied 5". Deze regels luiden als volgt:

"Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening de bestemming van de gronden ter plaatse van de aanduiding "wetgevingszone - wijzigingsgebied 5" zodanig te wijzigen dat de aanleg van een weg en de bouw van maximaal 16 (half)vrijstaande woningen mogelijk wordt, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden:

a. de woningen passen binnen het gemeentelijk volkshuisvestigingsbeleid;

b. er voldoende parkeermogelijkheden op eigen grond gerealiseerd worden;

c. er onderzoek verricht is naar de planologisch relevante aspecten, zoals bodem, water, flora en fauna, luchtkwaliteit en archeologie."

Het besluit van 25 augustus 2020

4.    Bij het besluit van 25 augustus 2020 heeft het college het wijzigingsplan opnieuw vastgesteld met een aantal wijzigingen.

    Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

    Het besluit van 25 augustus 2020 moet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb, omdat dit besluit niet geheel tegemoet komt aan het beroep van [verzoeker] en anderen tegen het oorspronkelijke besluit van 18 februari 2020. Gelet hierop worden het beroep en het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening geacht ook te zijn gericht tegen het besluit van 25 augustus 2020.

    Het besluit van 25 augustus 2020 vervangt het oorspronkelijke wijzigingsplan. De voorzieningenrechter zal daarom allereerst beoordelen of er aanleiding is om met betrekking tot het besluit van 25 augustus 2020 een voorlopige voorziening te treffen.

5.    [verzoeker] en anderen hebben voor de onderbouwing van hun verzoek verwezen naar de beroepsgronden die zij in hun beroepschrift naar voren hebben gebracht. Zoals ter zitting is besproken, is een aantal van die beroepsgronden op dit moment niet meer aan de orde, mede door de wijzigingen die met het besluit van 25 augustus 2020 in het plan zijn aangebracht. De voorzieningenrechter zal zich hierna beperken tot een beoordeling van de beroepsgronden over de behoefte aan de woningen, parkeren, bodem, water, beschermde soorten, luchtkwaliteit en de gevolgen voor waardevolle bomen.

Behoefte aan de woningen

6.    [verzoeker] en anderen betogen dat de behoefte aan de 16 woningen in het plangebied niet is aangetoond. Dit is volgens hen in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening, artikel 3.42 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en het gemeentelijke beleid.

7.    Uit artikel 17, lid 17.5, onder a, van de planregels van het bestemmingsplan volgt dat de woningen moeten passen binnen het gemeentelijk volkshuisvestigingsbeleid. Als het betoog over het ontbreken van behoefte aan de woningen slaagt, betekent dat in dit geval ook dat het wijzigingsplan in strijd is met deze voorwaarde uit de wijzigingsregels.

8.    [verzoeker] en anderen voeren aan dat er tot 2030 kwantitatief en kwalitatief geen behoefte is aan de woningen die het plan mogelijk maakt. Zij verwijzen daarbij naar een in hun opdracht opgesteld onderzoek van Bureau Stedelijke Planning van 10 april 2020.

8.1.    In de plantoelichting is de behoefte aan de woningen onderbouwd. Daarbij is uitgegaan van bevolkings- en woningbehoeftenprognoses van de provincie Noord-Brabant uit 2017 en is rekening gehouden met in aanbouw zijnde woningen en bestaande bouwmogelijkheden in bestemmingsplannen. Volgens de plantoelichting bestaat er in de kern Boxmeer nog een tekort van zeker 22 woningen. Daarnaast stelt het college dat uit de Regionale Woningmarktstrategie volgt dat er een kwalitatieve behoefte bestaat aan de levensloopbestendige woningen die het plan mogelijk maakt.

8.2.    De vraag die partijen verdeeld houdt, is of bij de bepaling van de behoefte aan nieuwe woningen mocht worden uitgegaan van het "scenario hoog" voor de prognose van de huishoudensgroei in Boxmeer. Volgens [verzoeker] en anderen had het college van het "scenario laag" moeten uitgaan.

    Het college heeft zijn keuze voor het "scenario hoog" onderbouwd, onder meer door te verwijzen naar de economische omstandigheden. Wat [verzoeker] en anderen hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet van dit scenario had mogen uitgaan, maar zich op "scenario laag" had moeten baseren.

    Gelet hierop heeft het college de behoefte aan de nieuwe woningen voldoende onderbouwd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het wijzigingsplan op dit punt niet in strijd met de wijzigingsregels uit het bestemmingsplan.

Parkeren

9.    [verzoeker] en anderen betogen dat niet zeker is dat in voldoende parkeerplaatsen op eigen grond wordt voorzien. Zij betogen hiermee dat het wijzigingsplan in strijd is met onderdeel b van artikel 17, lid 17.5, van de planregels van het bestemmingsplan.

10.    Met het besluit van 25 augustus 2020 heeft het college de planregels over parkeren gewijzigd. Artikel 11, lid 11.1, onder a, van de planregels luidt als volgt:

"a. De gronden en gebouwen waarop dit bestemmingsplan betrekking heeft, mogen slechts worden bebouwd indien op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd en in stand gehouden. Om te bepalen of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid zal het bevoegd gezag bij de verlening van een omgevingsvergunning toetsen aan de in de meest recente Nota Parkeernormen Boxmeer opgenomen normen."

De afwijkingsbevoegdheid in lid 11.2 is met het besluit van 25 augustus 2020 uit de planregels verwijderd.

11.    Tussen partijen is niet in geschil dat op grond van de gemeentelijke parkeernormen voor de 16 nieuwe woningen in het plangebied 36 parkeerplaatsen nodig zijn. [verzoeker] en anderen betwijfelen met name of in het plangebied voldoende ruimte is voor 36 parkeerplaatsen op eigen terrein. De voorzieningenrechter ziet gelet op de omvang van de plandelen met de bestemming "Wonen" in verhouding tot het maximaal aantal woningen vooralsnog geen grond voor de verwachting dat het niet mogelijk zal zijn om 36 parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren. Er is op dit punt dan ook geen reden om aan de uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan te twijfelen. De planregels waarborgen bovendien dat geen omgevingsvergunning voor bouwen kan worden verleend als niet voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein wordt gerealiseerd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het wijzigingsplan ook op dit punt niet in strijd met de wijzigingsregels uit het bestemmingsplan.

Overige aspecten uit de wijzigingsregels

12.    Uit onderdeel c van artikel 17, lid 17.5, van de planregels van het bestemmingsplan volgt dat alleen een wijzigingsplan kan worden vastgesteld als er onderzoek verricht is naar de planologisch relevante aspecten, zoals bodem, water, flora en fauna, luchtkwaliteit en archeologie. De voorzieningenrechter begrijpt de beroepsgronden over bodem, water, beschermde soorten en luchtkwaliteit zo, dat [verzoeker] en anderen betogen dat het wijzigingsplan in strijd is met deze voorwaarde.

13.    Volgens [verzoeker] en anderen zijn de voorzieningen voor de waterafvoer die volgens het college noodzakelijk zijn ten onrechte niet met een voorwaardelijke verplichting in het plan vastgelegd. Zij vrezen dat er in het plangebied te weinig ruimte is voor deze voorzieningen. Daarnaast betogen zij dat het waterhuishoudkundig plan nog onvoldoende is uitgewerkt.

13.1.    Het college stelt dat voldoende onderzoek is verricht en dat aanleg van de waterberging voldoende geborgd is in artikel 12 van de planregels. Volgens het college is er genoeg ruimte voor de aanleg van wadi’s. Daarnaast stelt het college dat het treffen van maatregelen via de keur van het waterschap publiekrechtelijk voldoende is verzekerd. Verder is overeengekomen dat de gemeente na realisering van het plan eigenaar wordt van de groenstroken in het plangebied, zodat zij de instandhouding van de wadi’s in eigen hand heeft.

13.2.    In artikel 12 van de planregels, zoals dat met het besluit van 25 augustus 2020 is gewijzigd, is het volgende bepaald:

"De gronden waarop dit bestemmingsplan betrekking heeft, mogen slechts worden bebouwd indien binnen het plangebied waterberging is gerealiseerd en in stand wordt gehouden met een capaciteit van 60 mm/m2 verhard oppervlak."

13.3.    De voorzieningenrechter is van oordeel dat artikel 12 van de planregels voldoende waarborgen biedt voor de aanleg van toereikende waterhuishoudkundige voorzieningen. Niet bestreden is dat de capaciteit van 60 mm/m2 verhard oppervlak toereikend is. [verzoeker] en anderen hebben geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de voorzieningenrechter aanleiding ziet te twijfelen aan de juistheid van de stelling van het college dat hiervoor genoeg ruimte is in het plangebied. Gelet hierop hoefde het waterhuishoudkundig plan op het moment dat het plan werd vastgesteld niet verder te zijn uitgewerkt.

14.    [verzoeker] en anderen voeren aan dat bodemverontreiniging in het plangebied niet gesaneerd wordt en zich via het water kan verspreiden.

14.1.    Bij de voorbereiding van het plan is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hierover staat in de plantoelichting dat de onderzoeksresultaten geen beperkingen opleveren ten aanzien van de voorgenomen bestemmingswijziging en ontwikkeling van de onderzochte locatie.

    In hetgeen [verzoeker] en anderen hierover hebben gesteld ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat het college bij de voorbereiding van het plan nader onderzoek had moeten verrichten. Ook ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat het college op voorhand in redelijkheid moeten inzien dat het plan vanwege bodemverontreiniging niet uitvoerbaar is.

15.    Bij de voorbereiding van het plan is een quickscan naar beschermde soorten uitgevoerd. De conclusie daarvan is dat er in het plangebied geen beschermde soorten zijn aangetroffen.

    [verzoeker] en anderen zijn het niet eens met deze conclusie. Zij stellen dat ze wel beschermde soorten in het plangebied hebben waargenomen. Bovendien is het onderzoek volgens hen ten onrechte in de winter uitgevoerd.

15.1.    De niet nader gemotiveerde stellingen van [verzoeker] en anderen dat zij exemplaren van beschermde soorten hebben waargenomen en dat het onderzoek naar beschermde soorten niet in de winter zou kunnen worden uitgevoerd, geven vooralsnog geen aanleiding om aan de uitkomsten van de quickscan te twijfelen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kon daarom van nader onderzoek naar beschermde soorten worden afgezien.

    Daarnaast ziet de voorzieningenrechter in wat [verzoeker] en anderen naar voren hebben gebracht geen grond voor het oordeel dat het college er op voorhand van had moeten uitgaan dat het soortenbeschermingsregime uit de Wet natuurbescherming aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. [verzoeker] en anderen hebben namelijk niet geconcretiseerd waarom een eventuele ontheffing op grond van die wet, voor zover die bij de uitvoering van het plan nodig is, niet zou kunnen worden verleend.

16.    Volgens [verzoeker] en anderen is onvoldoende onderzoek naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit gedaan, met name omdat de verkeerseffecten van het plan niet genoeg zijn onderzocht.

16.1.    Volgens de plantoelichting is neemt het verkeer toe met 133 tot 147 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Het plan draagt volgens het college niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging, zodat nader luchtkwaliteitsonderzoek niet nodig is. Het college wijst erop dat de grens voor "niet in betekenende mate" ligt bij 1.500 woningen in geval van één ontsluitingsweg of bij 3.000 woningen in geval van twee ontsluitingswegen, zoals hier aan de orde is.

16.2.    Onder deze omstandigheden hoefde naar het oordeel van de voorzieningenrechter voor het wijzigingsplan, dat in maximaal 16 nieuwe woningen voorziet, geen nader luchtkwaliteitsonderzoek te worden uitgevoerd.

17.    Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat het wijzigingsplan in strijd is met artikel 17, lid 17.5, onder c, van de planregels van het bestemmingsplan.

Waardevolle bomen

18.    [verzoeker] en anderen betogen verder dat de bouw van de woningen en andere ontwikkelingen in het plangebied kunnen leiden tot aantasting van twee bomen die in de Algemene Plaatselijke Verordening Boxmeer 2019 (hierna: de APV) zijn aangewezen als waardevolle bomen. Het gaat om een walnootboom in het plangebied en een zomereik in de tuin van één van hen net buiten het plangebied. Uit een in opdracht van [verzoeker] en anderen opgesteld rapport van Terra Nostra van 9 april 2020 komt naar voren dat de bomen niet behouden kunnen blijven als de woningen binnen 18 m van de bomen worden gebouwd. Volgens [verzoeker] en anderen is het plan vanwege de aanwezigheid van de bomen niet uitvoerbaar, onder meer omdat niet wordt voldaan aan de eisen voor de verlening van een kapvergunning.

18.1.    Het college stelt dat de bestemming "Wonen" voldoende ruimte biedt om de woningen zo te situeren dat voldoende afstand tot de walnootboom en de zomereik wordt bewaard. Dat geldt volgens het college zelfs wanneer van een afstand van 18 m zou moeten worden uitgegaan.

18.2.    Nebuvast heeft een Boomeffectanalyse van Boomadvies Nederland van 21 augustus 2020 overgelegd. In dat rapport wordt op basis van veldonderzoek ter plaatse geconcludeerd dat de werkzaamheden voor het grootste deel uitgevoerd kunnen worden zonder dat dit een negatief effect op het duurzaam behoud van de bomen heeft. Op enkele punten zijn maatregelen nodig.

18.3.    De voorzieningenrechter ziet in wat [verzoeker] en anderen hebben aangevoerd onvoldoende reden om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de Boomeffectanalyse van Boomadvies Nederland.

    De voorzieningenrechter stelt vast dat de APV waarborg biedt dat de bomen niet worden aangetast, omdat op grond de APV niet alleen een vergunningplicht geldt voor het kappen van waardevolle bomen, maar ook voor handelingen die kunnen leiden tot de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van de bomen. Een invulling van het plan waarbij te dicht op de bomen wordt gebouwd, is daarom niet zonder meer mogelijk. Gelet op de omvang van het bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen", de bouwvlakken binnen die bestemming en het maximumaantal woningen kan gezien ook de conclusies van de Boomeffectanalyse van Boomadvies Nederland ervan worden uitgegaan dat de bestemming "Wonen" ook uitvoerbaar is wanneer een bepaalde afstand tot de bomen moet worden gehouden. Er is daarom geen grond voor het oordeel dat het college er op voorhand van had moeten uitgaan dat het plan vanwege de aanwezigheid van de twee waardevolle bomen niet uitvoerbaar is.

Conclusie

19.    Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter met betrekking tot het besluit van 25 augustus 2020 geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

20.    Het besluit van 25 augustus 2020 treedt pas na afloop van de wettelijke beroepstermijn in werking. Om te voorkomen dat het besluit van 18 februari 2020 in de tussentijd in werking treedt, zal de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening treffen dat dat besluit wordt geschorst. De voorzieningenrechter legt daaraan ten grondslag dat het besluit van 18 februari 2020 naar verwachting in de hoofdzaak niet in stand zal blijven, omdat uit de later aangebrachte wijzigingen blijkt dat het college zich inmiddels in een aantal opzichten op een ander standpunt stelt dan ten tijde van het nemen van het besluit. Het besluit van 18 februari 2020 is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Proceskosten

21.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer van 18 februari 2020;

II.    wijst het verzoek voor het overige af;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer tot vergoeding van bij [verzoeker] en anderen in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.050,00 (zegge: duizendvijftig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

IV.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer aan [verzoeker] en anderen het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 178,00 (zegge: honderdachtenzeventig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Scheele, griffier.

De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2020

483.