Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2131

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-09-2020
Datum publicatie
09-09-2020
Zaaknummer
202003452/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 april 20202 heeft de raad van de gemeente Lelystad het bestemmingsplan "Theaterkwartier" vastgesteld. Het bestemmingsplan voorziet onder meer in woningen (door middel van een woonbestemming), horeca, detailhandel en een bioscoop (door middel van de bestemming "Gemengd I"). Verzoekers hebben verzocht het besluit van 28 april 2020, vanwege de samenhang tussen de met het plan mogelijk gemaakte ontwikkelingen, in zijn geheel te schorsen. Zij vrezen dat het, gelet op het bestaande overaanbod aan horeca, waarschijnlijk is dat de verhuurbaarheid van hun panden nadelig wordt beïnvloed door omgevingsvergunningen voor horeca-inrichtingen die kunnen worden verleend op grond van het plan, dat de bestaande horecaondernemingen van verzoekers daardoor niet meer levensvatbaar zullen zijn en dat aldus nog meer leegstand in het centrum van Lelystad zal ontstaan dan thans al het geval is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202003452/2/R1.

Datum uitspraak: 4 september 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker A], [verzoekster B], [verzoeker C] en [verzoeker D], [verzoekster E], [verzoeker F] (tevens handelend onder de naam [bedrijf]), [verzoeker G] en [verzoeker H], [verzoeker I] en [verzoeker J],

en

de raad van de gemeente Lelystad,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 april 20202 heeft de raad van de gemeente Lelystad het bestemmingsplan "Theaterkwartier" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben verzoekers beroep ingesteld.

Bij deze brief hebben verzoekers de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 18 augustus 2020, waar verzoekers, vertegenwoordigd door mr. J.J.W. Lamme, advocaat te Weesp, en [verzoeker A], bijgestaan door mr. J.J.W. Lamme, de raad, vertegenwoordigd door mr. L.C.J. Dekkers, E.M. Roest en E. Munneke, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord Focus Urban  Development B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigden].

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.    De raad heeft uiteengezet dat het bestemmingsplan onderdeel uitmaakt van de in 2013 opgestelde versie 3.0 van het Masterplan voor een kwaliteitsimpuls voor het centrum van Lelystad (Stadshart). Het Masterplan is een strategische visie waarin de uitgangspunten voor de ontwikkeling van het Stadshart worden geschetst voor de korte en de lange termijn. Om het centrum meer levendigheid te geven is gekozen voor het toevoegen van (onder meer) een woningbouwprogramma, horeca en detailhandel en een bioscoop. Mede met het oog op de haalbaarheid van de ontwikkeling is gekozen voor een gefaseerde aanpak. Het plangebied dat in deze procedure aan de orde is, maakt deel uit van fase 2 van het Masterplan.

    Het bestemmingsplan voorziet onder meer in woningen (door middel van een woonbestemming), horeca, detailhandel en een bioscoop (door middel van de bestemming "Gemengd I").

3.    Verzoekers zijn zakelijk gerechtigden met betrekking tot onroerende zaken aan het zogenaamde "horecapleintje" of "’t Pleintje" (gelegen aan de De Stelling en De Schans) en aan de Agoraweg te Lelystad. Zij richten zich met hun horecapanden en horecaondernemingen categorie 2 en 3 op hetzelfde marktsegment en verzorgingsgebied, het centrum van Lelystad, als de in het bestemmingsplan Theaterkwartier voorziene horeca.

4.    Verzoekers hebben verzocht het besluit van 28 april 2020, vanwege de samenhang tussen de met het plan mogelijk gemaakte ontwikkelingen, in zijn geheel te schorsen. Zij vrezen dat het, gelet op het bestaande overaanbod aan horeca, waarschijnlijk is dat de verhuurbaarheid van hun panden nadelig wordt beïnvloed door omgevingsvergunningen voor horeca-inrichtingen die kunnen worden verleend op grond van het plan, dat de bestaande horecaondernemingen van verzoekers daardoor niet meer levensvatbaar zullen zijn en dat aldus nog meer leegstand in het centrum van Lelystad zal ontstaan dan thans al het geval is. Het verzoek van verzoekers om het treffen van een voorlopige voorziening is erop gericht dit te voorkomen.

5.    Verzoekers betogen dat de raad onvoldoende heeft onderbouwd dat het plan voorziet in een behoefte en daardoor is vastgesteld in strijd met als artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro).  Volgens verzoekers heeft de raad onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat het plan voorziet in een behoefte aan een bioscoop en horeca. Verzoekers vrezen een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau. Het plan is voorts volgens verzoekers financieel-economisch niet uitvoerbaar. Het plan is voorts in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel  en het evenredigheidsbeginsel

6.    Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening luidt:

"1. Een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor gaan vergezeld van een toelichting, waarin zijn neergelegd:

[..]

f. de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan.

2 De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

[..]"

7.    De raad heeft de behoefte aan een bioscoop en horeca, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, door middel van onderscheidenlijk het  rapport van Van Wijnen ("Bioscooponderzoek", 2016) en het rapport "Marktruimte horeca Stadshart Lelystad van ZKA leisure consultants van 19 maart 2019, in kaart gebracht. Beide rapporten zijn als bijlagen bij de plantoelichting gevoegd. In de plantoelichting is het standpunt verwoord dat het plan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt en daarom de behoefte aan de ontwikkeling moet worden aangetoond. De behoefte aan de bioscoop en aan de horeca die het plan mogelijk maakt is afzonderlijk onderzocht en van een motivering voorzien. De conclusie voor de bioscoop is dat er behoefte bestaat aan een bioscoop in het centrum, mede in aanmerking genomen dat Lelystad op dit moment geen volwaardige bioscoop kent. Ter zitting is voorts door Urban Development B.V. toegelicht dat intussen een exploitant is gevonden voor de te ontwikkelen bioscoop. Voor de horeca is de conclusie in de plantoelichting dat weliswaar niet zonder meer behoefte bestaat aan uitbreiding van de horecasector, maar dat door - samengevat weergegeven - de impuls voor het Stadshart door het plan als geheel de potentie voor en behoefte aan uitbreiding van de horecasector aanwezig is. De raad heeft zich in aanvulling hierop op het standpunt gesteld dat ook in een worst case scenario, dat wil zeggen bij een maximale invulling van de horeca die het plan mogelijk maakt, het aantal meters in de horeca in planologische zin niet toeneemt. Wat verzoekers naar voren hebben gebracht biedt op voorhand geen aanknopingspunten voor de conclusie dat het plan in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, is vastgesteld. Evenmin bestaat op voorhand aanleiding voor het oordeel dat ook los daarvan de behoefte aan de door plan mogelijk gemaakte ontwikkelingen in de vorm van een bioscoop en horeca onvoldoende is gemotiveerd en het plan daardoor niet in stand zou blijven.

    Op voorhand bestaan voorts geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad in strijd met het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld. Vooralsnog is niet gebleken van aan de raad toe te rekenen toezeggingen over de inhoud van het plan. Voor zover al toezeggingen zijn gedaan namens de raad zien deze op het betrekken van de bestaande ondernemers bij de totstandkoming van het plan. Uit de stukken blijkt dat er overleg heeft plaatsgevonden tussen deze ondernemers en de gemeente. Dat het plan niet de door hen gewenste uitkomst behelst maakt niet dat de raad in deze het vertrouwensbeginsel heeft geschaad of dat de belangen van de ondernemers niet bij de totstandkoming van het plan zijn betrokken. Daarbij wordt ook in aanmerking genomen dat ter zitting door de raad is bevestigd dat het plan niet in de weg staat aan de eventuele verplaatsing van de bestaande ondernemers, indien zij dat wensen, naar de nieuwe horecalocaties.

    Voor zover verzoekers hebben betwist dat het plan financieel-economisch uitvoerbaar is overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

    In het kader van een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog over de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder de financieel-economische uitvoerbaarheid, alleen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan om financieel-economische of andere redenen niet uitvoerbaar is. Er is een ontwikkelaar betrokken bij het deel van het project waartoe de bioscoop en de horeca behoort, Focus Urban Development, waar de gemeente een anterieure overeenkomst mee gesloten heeft, er is voorts een concrete kandidaat voor de bioscoop en verzoekers hebben niet concreet onderbouwd waarom volgens hen de horecabestemming niet verwezenlijkt zal worden. Op voorhand zijn er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat er geen redenen zijn waarom het plan niet uitvoerbaar is.

    In hetgeen verzoekers met betrekking tot de door hen aangevoerde beroepsgronden naar voren hebben gebracht is, mede gelet op het voorgaande, geen aanleiding te vinden voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat het bestreden besluit niet in stand zal blijven. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, griffier.

w.g. Helder

voorzieningenrechter

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2020

580.