Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2117

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
02-09-2020
Zaaknummer
201906770/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 juli 2019 heeft de raad van de gemeente Gooise Meren het bestemmingsplan "Stedelijk gebied – [locatie]" vastgesteld. Het plangebied is gelegen in de kern van Naarden. Op de gronden stond in het verleden het tuincentrum van [belanghebbende], dat inmiddels op een andere plek is gevestigd. De meeste opstallen zijn gesloopt en het terrein wordt al langere tijd niet meer gebruikt. Het terrein dreigt volgens de plantoelichting te verloederen en daarom is door de raad naar een nieuwe invulling gezocht. De raad wil in het plangebied geen bedrijfsfunctie meer mogelijk maken omdat het plangebied wordt omringd door woningen. Het gaat om het binnenterrein tussen de woningen Albert Grootlaan 8 t/m 22, Van Lijndenlaan 2 t/m 24, Thorbeckelaan 20 t/m 28 en Jacobus Verhoeflaan 9 t/m 17. Het plan voorziet in de bouw van twee vrijstaande woningen en bijgebouwen op de [locatie]. Woningbouw was op basis van het vorige plan niet mogelijk en daarom heeft de raad een nieuw plan vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201906770/1/R1.

Datum uitspraak: 2 september 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak, onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1] en anderen, wonend te Naarden,

2.    [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), wonend te Naarden,

en

de raad van de gemeente Gooise Meren,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "Stedelijk gebied – [locatie]" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[belanghebbende A] en [belanghebbende B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [belanghebbende]) hebben als belanghebbenden, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 juni 2020, waar [appellant sub 1], [appellant sub 1A], [appellant sub 1B], bijgestaan door mr. B.M. Brandenburg-Stroo, rechtsbijstandverlener te Leusden, en de raad, vertegenwoordigd door mr. W. Verbeek, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde A], vergezeld van [gemachtigde B], gehoord.

Overwegingen

    Het plan

1.    Het plangebied is gelegen in de kern van Naarden. Op de gronden stond in het verleden het tuincentrum van [belanghebbende], dat inmiddels op een andere plek is gevestigd. De meeste opstallen zijn gesloopt en het terrein wordt al langere tijd niet meer gebruikt. Het terrein dreigt volgens de plantoelichting te verloederen en daarom is door de raad naar een nieuwe invulling gezocht. De raad wil in het plangebied geen bedrijfsfunctie meer mogelijk maken omdat het plangebied wordt omringd door woningen. Het gaat om het binnenterrein tussen de woningen Albert Grootlaan 8 t/m 22, Van Lijndenlaan 2 t/m 24, Thorbeckelaan 20 t/m 28 en Jacobus Verhoeflaan 9 t/m 17. Het plan voorziet in de bouw van twee vrijstaande woningen en bijgebouwen op de [locatie]. Woningbouw was op basis van het vorige plan niet mogelijk en daarom heeft de raad een nieuw plan vastgesteld.

2.    [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] wonen in de directe omgeving van het plangebied. Zij vrezen vooral voor de nadelige gevolgen van de twee nieuwe woningen voor hun woon- en leefklimaat. Ook vinden zij de woningen te groot en te hoog en daardoor niet passend in de omgeving. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] vinden dat zij niet voldoende bij de totstandkoming van het plan zijn betrokken en de raad niet zorgvuldig naar alternatieve invullingen van het plangebied heeft gekeken.

Toetsingskader

3.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

4.    Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Besluitvormingsprocedure

5.    [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] voeren aan dat zij onvoldoende zijn betrokken bij de besluitvormingsprocedure en dat de informatievoorziening van de zijde van de initiatiefnemer en de gemeente tijdens de procedure onvoldoende is geweest. Volgens hen is de burgerparticipatie niet goed verlopen en heeft de gemeente zich onvoldoende ingespannen om de initiatiefnemer van het project ertoe te bewegen om in overleg te treden met omwonenden over de ontwikkeling van het plangebied. De raad was hiertoe volgens [appellant sub 1] en anderen wel verplicht volgens de gemeentelijke visie ‘Burgerparticipatie in de gemeente Gooise Meren’, waarin staat vermeld dat burgers zo vroeg mogelijk worden betrokken bij het opstellen van plannen. Verder is het gemeentebestuur in de voorbereidingsfase herhaaldelijk gemaakte afspraken niet nagekomen en werd op de twee door de initiatiefnemer georganiseerde informatieavonden slechts informatie verschaft over al vaststaande plannen zonder dat ruimte werd geboden voor overleg, aldus [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2].

5.1.    De Afdeling stelt vast dat het bestreden besluit met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb is voorbereid. In overeenstemming met deze procedure zijn de omwonenden in de gelegenheid gesteld om een zienswijze over het ontwerpplan naar voren te brengen. De raad heeft ter zitting van de Afdeling nog toegelicht dat aan de indieners van de zienswijzen aanvullend de mogelijkheid is geboden om tijdens een bijeenkomst met de wethouder, enkele raadsleden en de initiatiefnemer te spreken over het plan en de ingediende zienswijzen.

    Het bieden van inspraak voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan maakt geen onderdeel uit van de in de Wet ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Het niet bieden van mogelijkheden voor inspraak in deze fase heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan. Omdat het in dit geval gaat om een project dat wordt georganiseerd en uitgevoerd door een particuliere initiatiefnemer, bestaat evenmin grond voor het oordeel dat de raad in strijd met de gemeentelijke visie op burgerparticipatie heeft gehandeld.

    De betogen falen.

De keuze voor een woonbestemming

6.    [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] betogen dat de raad ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar de door hen aangedragen alternatieven. Zij voeren aan dat een andere invulling van het plangebied, zoals bijvoorbeeld de door hen voorgestelde herverkaveling ten behoeve van een uitbreiding van de bestaande tuinen of de inrichting van het gebied als volkstuin of park, beter in de omgeving past. Voor zover de keuze al mag vallen op woningbouw, moeten er volgens [appellant sub 2] volgens het gemeentelijk beleid woningen voor senioren komen in plaats van de voorziene villa’s, die duidelijk niet voor deze doelgroep zijn bedoeld.

6.1.    De raad dient bij de keuze van een bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen.

6.2.    Op grond van het voorheen ter plaatse geldende bestemmingsplan "Stedelijk Gebied" had het plangebied de bestemming "Detailhandel" met de aanduiding "tuincentrum". De raad heeft in de ‘Nota van zienswijzen Ontwerpbestemmingsplan Stedelijk Gebied-[locatie] Aanvulling’ en de plantoelichting uiteengezet dat het plangebied in de woonkern van Naarden na de verplaatsing van het voorheen daar gevestigde tuincentrum braak ligt en al enige jaren wacht op een herontwikkeling. Volgens de raad ligt het, gelet op de ligging en de omvang van het perceel, niet voor de hand dat er een tuincentrum zal terugkeren. De raad acht dit ook ongewenst vanwege de potentiële overlast voor de omgeving die van een tuincentrum uitgaat. Door het plangebied om te vormen naar wonen, wordt planologisch verzekerd dat een tuincentrum binnen het plangebied niet is toegestaan.

    Uit de Nota van zienswijzen blijkt verder dat de raad de voorgestelde alternatieve invullingen, om het plangebied om te vormen naar natuur of park, heeft bezien. De raad heeft uiteengezet dat het vanuit gemeentelijk ruimtelijk beleid niet wenselijk is om het ingesloten terrein om te vormen tot een park en dat het vanuit financieel oogpunt ook niet realistisch is om van dit voormalige bedrijfsterrein een park te maken. De raad heeft verder uiteengezet dat het terrein geen eigendom is van de gemeente en dat de grondeigenaar het verzoek heeft gedaan om aan de gronden van het plangebied een woonbestemming toe te kennen, waardoor primair dit verzoek ter beoordeling voorlag. Volgens de Nota van zienswijzen is in het verleden naar verschillende invullingen van het plangebied gekeken, maar is door de omringende woningen en de smalle toegangsweg slechts een beperkte invulling op het perceel haalbaar. Naar het oordeel van de raad wordt met dit plan rekening gehouden met de belangen van omwonenden en de initiatiefnemer. Ten opzichte van de bestaande planologische situatie, waarin een bedrijfs- en detailhandelsfunctie is toegestaan, ziet de raad de woonbestemming als een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van de directe omgeving. Gelet op de belangen van omwonenden is het plan nog in die zin aangepast dat de bouwvlakken op het perceel zijn verkleind en een bouwvlak iets is verschoven

    Gelet op het voorgaande en gegeven de aan de raad toekomende beleidsruimte, is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid een woonbestemming heeft kunnen toekennen aan het tussen woningen ingeklemde plangebied en hoefde de raad niet te kiezen voor een van de voorgestelde alternatieve bestemmingen. De betogen falen in zoverre.

6.3.    De Afdeling ziet evenmin grond voor het oordeel dat de bouw van de twee vrijstaande woningen niet aansluit bij de gemeentelijke beleidsdoelstellingen en dat de raad om die reden had moeten kiezen voor bijvoorbeeld vier leeftijdsbestendige woningen. De raad heeft toegelicht dat er behoefte is aan de voorziene woningen. Er zijn al kopers. Volgens de raad doet de incidentele bouw van twee vrijstaande woningen op een transformatielocatie binnen de kom van Naarden geen afbreuk aan het algemene woningbouwbeleid van de gemeente Gooise Meren. De raad heeft toegelicht dat het plan niet in strijd is met het in de gemeentelijke structuurvisie (Structuurvisie Naarden-Bussum 2040, 2014) opgenomen beleidsuitgangspunt om starters, jonge gezinnen en senioren te faciliteren, omdat de twee woningen in beginsel geschikt zijn voor jonge gezinnen en senioren, evenals de vrijkomende woningen van de kopers. Ook kan het plan naar het oordeel van de raad bijdragen aan de in de Woonvisie Gooise Meren (Wonen in Gooise Meren 2017-2025 Divers, Dynamisch en Duurzaam) neergelegde doelen zoals voldoende woningaanbod, een gedifferentieerd aanbod en het stimuleren van doorstroming. Wat betreft de laatste prioriteit wijst de raad erop dat die doorstroming zich ook in de praktijk zal voordoen, omdat beide beoogde kopers van de woningen momenteel al in Naarden wonen en dus ook woningen achterlaten.

    Het betoog faalt ook in zoverre.

Passendheid in de omgeving

7.    [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] voeren aan dat de twee voorziene woningen niet passend zijn in de omgeving. Het plan maakt volgens hen de bouw van twee te ruime woningen mogelijk. De raad hecht volgens hen ten onrechte alleen waarde aan de grootte van de percelen waarop de woningen komen, maar heeft er geen rekening mee gehouden dat die ingeklemd liggen tussen 15 andere veel kleinere woningen.

    Ook de maximaal toegestane bouwhoogte is volgens [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] niet passend in de omgeving. Volgens de verbeelding is een maximale bouwhoogte van 9 m toegestaan en volgens de toelichting en het raadsvoorstel een van 10 m. Het is volgens hen onduidelijk wat er nu mag, maar een maximale bouwhoogte van 6,5 m zou volgens hen hoe dan ook meer passend zijn.

    Verder had de minimale afstand tussen de perceelgrens van de Jacobus Verhoeflaan 9 tot de bouwvlakken van de voorziene woningen volgens hen hetzelfde moeten zijn als die tot de andere omliggende woningen. Die afstand is nu echter maar 2,5 m. Dat de woning aan de Jacobus Verhoeflaan 9 groter is dan de andere omliggende woningen rechtvaardigt dit verschil niet, volgens [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2]. Die omstandigheid zou volgens hen eerder een grotere afstand tot het perceel rechtvaardigen. Het was volgens hen beter geweest de afstand tussen de twee nieuwe woningen te verkleinen zodat daarmee wel een afstand van 6 m tussen enerzijds die woningen en anderzijds de Jacobus Verhoeflaan 9 zou zijn ontstaan.

7.1.    De woningen komen te staan op een binnenterrein van 3.000 m2 groot. In het plan zijn twee bouwvlakken opgenomen: een bouwvlak van 12,5 m bij 13,75 m en een tweede bouwvlak van 11,5 m bij 15 m. Maximaal 70 % van een bouwvlak mag worden bebouwd. De maximaal toegestane bouwhoogte in het plan is 9 m. De raad heeft toegelicht dat hij bij amendement heeft besloten de maximale bouwhoogte terug te brengen van 10 m, zoals nog voorzien in het ontwerpplan, naar 9 m. Daarbij is rekening gehouden met de omstandigheid dat de bouwhoogte van de woningen met gebruik van de in het plan opgenomen afwijkingsbevoegdheid eventueel nog met 10% kan worden verhoogd naar 9,9 m. Indien initiatiefnemers daarvan gebruik willen maken moeten zij een omgevingsvergunning aanvragen. In het kader van die procedurestaat voor de omwonenden rechtsbescherming open.

7.2.    De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de twee woningen ook met de gekozen maatvoeringen passend zijn in de omgeving. De raad heeft de grootte van de woningen in redelijkheid passend kunnen achten bij de grootte van de woonpercelen. Het gaat om zeer ruime percelen die vijf tot zeven keer groter zijn dan de omliggende percelen. De raad erkent dat de footprint van de mogelijke woningen groter is dan die van de omliggende woningen, maar het ruimtebeslag daarvan is aanvaardbaar gelet op de omvang van het perceel. De maatvoering komt verder overeen met het eveneens enigszins terug gelegen perceel van de Jacobus Verhoeflaan 9. Er is voor de voorziene woningen verder niet zonder meer aangesloten bij de direct omliggende woningen, maar wel bij de gemiddelde grootte van de villa’s in de verdere omgeving. De raad heeft hier naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid voor kunnen kiezen.

    Wat betreft de maximaal toegestane bouwhoogte in het plan heeft de raad toegelicht dat vrijwel alle woningen rondom het plangebied zich kenmerken door een gerealiseerde goothoogte van ongeveer 6 m en een bouwhoogte van 10 m. Er bestaat gelet hierop geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid voor de maximale bouwhoogte van 9 m heeft kunnen kiezen.

    De woningen komen op een ruime afstand van 7 tot 30 m van de omliggende woningen te liggen. Alleen de afstand tot de woning aan de Jacobus Verhoeflaan 9 is maar 2,5 m. Ook dit is volgens de raad echter aanvaardbaar. Daartoe acht hij van belang dat de woning aan de Jacobus Verhoeflaan 9 eveneens een wat meer naar achter gelegen woning op een vergelijkbaar perceel betreft, met een vergelijkbare maatvoering. De Afdeling is van oordeel dat de afstand van 2,5 m in deze woonomgeving niet dusdanig klein is dat de raad het plan niet in redelijkheid op deze wijze heeft kunnen vaststellen.

    De betogen falen.

De voorwaardelijke verplichting

8.    [appellant sub 1] en anderen betogen dat de in artikel 4.3.2 van de planregels opgenomen voorwaardelijke verplichting niet toereikend is om de instandhouding van de bestaande heggen en hagen in het plangebied te garanderen. Zij voeren hierover aan dat niet duidelijk is welke heggen en hagen worden bedoeld met de omschrijving ‘bestaande heggen en hagen’ en dat de voorwaardelijke verplichting ook opgenomen had moeten worden in de bestemming "Tuin". Verder is volgens [appellant sub 1] en anderen binnen de bestemmingen "Tuin" en "Wonen" een bebouwingsvrije afstand van minimaal 2,5 m tot de perceelsgrens noodzakelijk, omdat heggen en hagen waarschijnlijk zullen afsterven als daar een bouwwerk direct naast wordt geplaatst.

8.1.    Artikel 4.3.2 ‘Voorwaardelijke verplichting’ luidt:

"Het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken binnen deze bestemming is slechts toegestaan indien de bestaande heggen en hagen in stand worden en blijven worden gehouden; ter plaatse van de aanwezige heggen en hagen mogen geen bouwwerken worden opgericht."

8.2.    In de ‘Quick scan natuur [locatie]’ van 17 mei 2018 is vermeld dat tijdens het veldbezoek huismussen zijn waargenomen in de zich aan de randen van het plangebied bevindende hagen en struiken en dat daarom niet op voorhand kan worden uitgesloten dat het plangebied onderdeel uitmaakt van de functionele leefomgeving van de huismus. Daarnaast kunnen de hagen en struiken aan de randen van het plangebied volgens de Quick scan worden gebruikt als schuilgelegenheid of als winterverblijfplaats. Omdat de hagen mogelijk een essentiële functie vervullen voor de huismus, wordt in de Quick scan geconcludeerd dat de hagen aan de noordzijde van het plangebied gespaard moeten blijven. De raad heeft met de in artikel 4.3.2 van de planregels neergelegde voorwaardelijke verplichting beoogd te borgen dat binnen de bestemming "Wonen" de heggen en hagen aan de randen van het plangebied in stand worden gelaten.

    Gelet op de hiervoor weergegeven beschrijving en de daarbij behorende foto’s in de Quick scan is naar het oordeel van de Afdeling duidelijk dat de voorwaardelijke verplichting alleen is opgenomen voor de aan de randen van het plangebied aanwezige heggen en hagen. Dat betekent dat de voorwaardelijke verplichting betrekking heeft op de bestaande heggen en hagen aan de randen van het gedeelte van het plangebied waarop de bestemming "Wonen" rust. Dat deze heggen en hagen door de voorgenomen verkoop van een strook grond eigendom zullen worden van omwonenden, zoals [appellant sub 1] en anderen ter zitting naar voren hebben gebracht, doet niet af aan de gelding van deze voorwaardelijke verplichting.

    De Afdeling ziet verder geen grond voor het oordeel dat de voorwaardelijke verplichting tevens binnen de bestemming "Tuin" had moeten worden opgenomen. De bestemming "Wonen" beslaat het noordelijke gedeelte van het plangebied. Uit de Quick scan volgt dat het behoud van de heggen en hagen aan de noordzijde van het plangebied volstaat om de leefomgeving van de huismus te beschermen. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding hieraan te twijfelen.

    Voor het oordeel dat de raad een bebouwingsvrije afstand ten opzichte van de perceelsgrens had moeten opnemen in het plan bestaat evenmin grond. Met de toevoeging in de planregel dat ter plaatse van de aanwezige heggen en hagen geen bouwwerken mogen worden opgericht, is voldoende geborgd dat geen bouwwerk direct tegen of op de plaats van een heg of haag wordt geplaatst, zoals [appellant sub 1] en anderen vrezen.

    Het betoog faalt.

Vrij uitzicht

9.    [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] voeren aan dat de bouw van de twee woningen zal leiden tot een ernstige aantasting van hun vrije uitzicht.

9.1.    De Afdeling is van oordeel dat het plan niet leidt tot een dusdanige aantasting van het uitzicht van omwonenden dat de raad dit niet in redelijkheid op deze wijze had kunnen vaststellen. Er bestaat geen recht op blijvend vrij uitzicht. Er is volgens de raad geen sprake van een open gebied. Er zijn geen vrije uitzichtlijnen en het plan verstoort deze dus ook niet. Voor zover het omwonenden gaat om het uitzicht op het binnenterrein heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het niet gaat om een groene binnentuin zoals omwonenden stellen, maar om een voormalige bedrijfslocatie die wacht op herontwikkeling. De raad erkent dat het plangebied op dit moment onbebouwd is, maar op grond van het vorige plan mocht zich een tuincentrum vestigen in het plangebied met de daarbij behorende bebouwing. Volgens de raad is verder op dit moment al geen sprake van vrij uitzicht vanaf maaiveldniveau omdat bijna alle omliggende woningen erfafscheidingen hebben en groen. De voorziene woningen komen op zeer ruime percelen te liggen en het grootste deel van het perceel blijft onbebouwd. Gelet op het bovenstaande heeft de raad voldoende gemotiveerd dat er geen sprake is van een ernstige aantasting van het  uitzicht van omwonenden.

    De betogen falen.

Privacy

10.    [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] voeren aan dat de bouw van de twee woningen zal leiden tot een ernstige aantasting van hun privacy. De maximaal toegestane bouwhoogte in combinatie met de afstand tussen de percelen zal volgens hen leiden tot inkijk in hun woningen.

10.1.    Gelet op de maximaal toegestane bouwhoogte van de woningen zal mogelijk sprake kunnen zijn van enige inkijk in de omliggende woningen. De Afdeling is echter van oordeel dat dit niet een dusdanige aantasting van de privacy van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] oplevert dat de raad het plan niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Daarbij is van belang dat het plangebied grenst aan de achterzijden van de tuinen van de omliggende woningen, die zijn afgeschermd met een erfafscheiding. Van inkijk op de benedenverdieping zal dus geen sprake zijn. De inkijk vanuit de verdiepingen van de voorziene woningen heeft de raad acceptabel kunnen achten.

    De betogen falen.

Gebiedsbescherming (stikstofuitstoot)

11.    [appellant sub 2] betoogt dat het plan in strijd met de Wet natuurbescherming (hierna: de Wnb) is vastgesteld. Hij voert aan dat het plan en de daarmee gepaard gaande bouwwerkzaamheden zullen leiden tot een toename van stikstofuitstoot. Gelet op de nadelige gevolgen daarvan voor de nabijgelegen Natura 2000-gebieden is realisering van het plan niet wenselijk, aldus [appellant sub 2].

11.1.    Artikel 8:69a van de Awb luidt:

"De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."

    Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

11.2.    De bepalingen in de Wnb over de beoordeling van plannen die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied strekken ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden. Uit de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR1412, volgt dat de individuele belangen van burgers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen.

    Bij de beantwoording van de vraag of een dergelijke verwevenheid kan worden aangenomen, wordt onder meer rekening gehouden met de situering van de woning van de betrokkenen, al dan niet tussen overige bebouwing, met de afstand tussen de woning van betrokkene en het natuurgebied, met hetgeen aanwezig is in het gebied tussen de woning en het Natura 2000-gebied en met het al dan niet bestaande, gehele of gedeeltelijke directe zicht vanuit de woning op het gebied (zie de uitspraak van de Afdeling van 19 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1947). Indien het Natura 2000-gebied deel uitmaakt van de directe woonomgeving van betrokkene, is in beginsel sprake van verwevenheid als hiervoor bedoeld.

    In de omgeving van het plangebied bevinden zich verschillende Natura 2000-gebieden. Dit zijn het Naardermeer, Eemmeer & Gooimeer Zuidoever, Oostelijke vechtplassen en Markermeer & IJmeer. Deze gebieden liggen volgens de toelichting bij het plan op onderscheidenlijk 425 meter, 2,3 kilometer, 2,6 kilometer en 5 kilometer afstand van het plangebied. [appellant sub 2] woont op een afstand van ongeveer 400 meter van het voor hem dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied Naardermeer. Gelet op deze afstand, het feit dat de woning van [appellant sub 2] zich midden tussen woonbebouwing bevindt en hij geen zicht heeft op het Natura 2000-gebied Naardermeer, maakt dit Natura 2000-gebied naar het oordeel van de Afdeling geen deel uit van zijn directe leefomgeving. Dit geldt ook voor de andere hiervoor genoemde Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat er geen duidelijke verwevenheid bestaat tussen de individuele belangen van [appellant sub 2] bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn directe leefomgeving en het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen. Dit betekent dat hij zich, gelet op artikel 8:69a van de Awb, niet op die norm kan beroepen. Nu het relativiteitsvereiste in de weg staat aan een vernietiging van het bestreden besluit vanwege deze beroepsgrond, ziet de Afdeling af van een inhoudelijke bespreking daarvan.

Waterhuishouding

12.    [appellant sub 1] en anderen voeren aan dat het onderzoek naar de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding in het plangebied niet zorgvuldig is gebeurd. De raad heeft in een gesprek met de omwonenden erkend dat de gevolgen van de bouw op het grondwater nader moeten worden onderzocht, maar hierover is in de nota van zienswijzen niets opgenomen. Volgens [appellant sub 1] en anderen onderneemt de raad geen adequate actie en zijn hun belangen onvoldoende meegenomen. Verder voeren zij aan dat geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat het plangebied ligt in het stroomgebied tussen de Eem en het Naardermeer wat op verschillende plekken al heeft geleid tot hoge kosten en aanpassingen van de bouwplannen. Bebouwing met onderkeldering kan volgens hen leiden tot een hoger waterpeil bij de omliggende woningen.

12.1.    De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat grondwateroverlast niet wordt verwacht en maatregelen of nader onderzoek dus niet nodig zijn. Er is geen sprake van een lagere ligging van het plangebied, zodat geen sprake is van wateroverlast bij hevige regenbuien. De gemiddelde grondwaterstand wordt gemonitord en bedraagt ongeveer 2m-maaiveld (0,28 m NAP). Het plan maakt een kelder bij de woningen wel mogelijk. Indien de bouwers een kelder willen bouwen moet volgens de raad op dat moment worden bekeken wat de gevolgen voor het grondwater zijn en of er eventueel maatregelen moeten worden genomen om overlast te voorkomen. Dit kan dan bij de verlening van een omgevingsvergunning aan de orde komen en er bestaat dan ook geen reden in dit plan al maatregelen op te nemen. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad het plan niet in deze vorm had mogen vaststellen.

    Het betoog faalt.

Schaduwhinder

13.    [appellant sub 1] en anderen voeren aan dat de raad zich ten onrechte op de schaduwstudie beroept, nu deze slechts een zeer selectieve weergave van de werkelijkheid presenteert. Met name de gekozen middagtijd voor de zomer is volgens hen niet representatief. Volgens hen had bijvoorbeeld moeten worden gekeken naar de schaduw om 20.00 uur, omdat de bewoners dan aanwezig zijn. De tuin van de Jacobus Verhoeflaan 9 ligt dan voor het grootste deel in de schaduw.

13.1.    Om de schaduwwerking van de nieuwe woningen op de omgeving in beeld te brengen is er een schaduwstudie verricht. Hieruit volgt dat er nauwelijks sprake is van enige schaduwwerking op de omliggende percelen als gevolg van de nieuwe woningen. De Afdeling is van oordeel dat de raad de schaduwstudie aan het plan ten grondslag heeft mogen leggen. In de studie zijn representatieve tijdstippen gehanteerd en is ook schaduwval van alle bestaande bebouwing betrokken. Volgens de raad geven de 3D-modellen die door omwonenden zijn ingebracht, waarop de schaduw aan het begin en aan het einde van de dag in beeld is gebracht, geen realistisch inzicht in de schaduwwerking. Volgens de raad is op die tijdstippen namelijk al sprake van grote schaduwcontouren, gelet op de lage stand van de zon. In de 3D-modellen wordt ook ten onrechte uitgegaan van een situatie waarin de locatie nog onbebouwd is. De Afdeling is gelet hierop van oordeel dat de raad in de door omwonenden ingebrachte modellen geen aanleiding heeft hoeven zien om het plan niet vast te stellen.

    Het betoog faalt.

Toegangswegen

14.    [appellant sub 1] en anderen voeren aan dat de ontsluiting van de woningen niet zorgvuldig is geregeld. De bestemming "Tuin" in het plan staat geen toegangswegen toe zodat de voorziene woningen en parkeerplaatsen niet vanaf de openbare weg te bereiken zullen zijn. Zij hebben toegelicht dat dit voor hen van belang is omdat de nieuwe bewoners indien zij hun eigen parkeerplekken niet kunnen bereiken de parkeerplekken in de omliggende straten zullen gaan gebruiken.

14.1.    Artikel 3, lid 3.1, van de planregels luidt:

"De voor "Tuin" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.    tuinen bij de op de gronden gelegen hoofdgebouwen;

b.    het parkeren, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van tuin - parkeren in tuin" en uitsluitend ten behoeve van de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen."

14.2.    [appellant sub 1] en anderen voeren terecht aan dat binnen de bestemming "Tuin" geen toegangswegen zijn toegestaan. Het plan voorziet er dus voor het perceel van de woningen niet in dat verkeer van en naar de openbare weg mogelijk is. De Afdeling acht het besluit op dit punt onzorgvuldig voorbereid. Daarbij acht zij ook van belang dat de raad ter zitting heeft toegelicht dat het wel de bedoeling was een inrit en/of toegangsweg toe te staan binnen de bestemming "Tuin". De raad dient dit alsnog in het plan mogelijk te maken.

    Het betoog slaagt.

Conclusie

15.    Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van dit beroep bestaat geen aanleiding.

16.    Ten aanzien van het beroep van [appellant sub 1] en anderen ziet de Afdeling in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding met toepassing van artikel 8:51d van de Awb de raad op te dragen het hiervoor onder 14.2 geconstateerde gebrek in het bestreden besluit binnen de in de beslissing van deze uitspraak genoemde termijn te herstellen. De raad dient daartoe de planregels aan te passen en binnen de bestemming "Tuin" alsnog toegangswegen toe te staan.

17.    In de einduitspraak zal ten aanzien van [appellant sub 1] en anderen worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] ongegrond;

II.    draagt de raad van de gemeente Gooise Meren op om binnen 16 weken na de verzending van deze uitspraak:

- met inachtneming van hetgeen in rechtsoverweging 14.2. en 16 is overwogen, het gebrek in het besluit van 3 juli 2019 te herstellen, en

- de Afdeling en de betrokken partijen de uitkomst mede te delen en een nieuw of gewijzigd besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzitter, en mr. F.D. van Heijningen en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2020

604-603.