Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2104

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
02-09-2020
Zaaknummer
202002560/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 januari 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Deventer zijn beslissing om op 27 december 2019 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2009 van de gemeente Deventer aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een doos met papierafval die op 27 december 2019 is aangetroffen nabij de ondergrondse verzamelcontainer ter hoogte van de [locatie] in Deventer op een dag waarop geen oud papier zou worden opgehaald. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] de doos verkeerd heeft aangeboden, omdat daarin een tot hem herleidbaar poststuk is aangetroffen. Het poststuk is een aan hem geadresseerde brief. [appellant] betwist dat de aangetroffen doos van hem afkomstig is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202002560/1/R4.

Datum uitspraak: 2 september 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Deventer,

en

het college van burgemeester en wethouders van Deventer,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2020 heeft het college zijn beslissing om op 27 december 2019 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2009 van de gemeente Deventer aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 91,00, voor rekening van [appellant] komen.

Bij besluit van 9 maart 2020 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 augustus 2020, waar [appellant], bijgestaan door G.J.M. van Bussel, is verschenen.

Overwegingen

1.    De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een doos met papierafval die op 27 december 2019 is aangetroffen nabij de ondergrondse verzamelcontainer ter hoogte van de [locatie] in Deventer op een dag waarop geen oud papier zou worden opgehaald. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] de doos verkeerd heeft aangeboden, omdat daarin een tot hem herleidbaar poststuk is aangetroffen. Het poststuk is een aan hem geadresseerde brief.

2.    [appellant] betwist dat de aangetroffen doos van hem afkomstig is. Hij stelt dat hij al een aantal jaren niets heeft besteld bij het bedrijf dat die blauw/witte doos heeft verstuurd en dat hij zijn oud papier altijd aanbiedt in bruine dozen van de supermarkt. Hij stelt dat hij op 11 december 2019, de ophaaldag voor oud papier, een bruine doos heeft aangeboden en hij vermoedt dat de aangetroffen brief met zijn naam en adres erop, uit die doos is gevallen bij het ophalen, door één van de buren is opgeraapt en meegenomen en op die manier bij zijn of haar papierafval in de blauw/witte doos terecht is gekomen. Volgens hem wordt er door de ophaaldienst zodanig omgegaan met het aangeboden afval dat de brief uit de doos kan zijn gevallen, ondanks dat hij de doos op juiste wijze zodanig had aangeboden dat het papier en karton daarin niet kon verwaaien. Hij wijst erop dat zijn berging, waar hij dagelijks zijn fiets uit pakt, zich direct achter de ondergrondse container bevindt en dat hij heeft gezien dat de bruine doos die hij op 11 december 2019 had aangeboden, was opgehaald. Hij wijst er verder op dat hij een 1-persoons huishouden heeft en dat hij op zijn brievenbus een Nee/Nee-sticker heeft, waardoor hij slechts eens in de drie maanden een doos papierafval ter inzameling aanbiedt. Ook wijst hij erop dat het voor hem moeilijk is om aan te tonen dat hij geen overtreding heeft gepleegd.

     [appellant] stelt daarnaast dat de foto's bij het besluit van 10 januari 2020 niet met elkaar overeen komen, omdat de doos op de overzichtsfoto tegen de muur naast de ondergrondse container staat, terwijl de doos op de foto van de open doos met de brief erin, op de lichtgekleurde klinkers direct rondom die container staat.

    Tot slot voert hij aan dat hij een bijstandsuitkering heeft en dat € 91,00 voor hem een heel hoog bedrag is. Hij stelt dat hij daarom niet het risico zou willen lopen dat bedrag te moeten betalen door het laten staan van niet opgehaald afval. Hij wijst erop dat het voor hem een kleine moeite is om niet opgehaald afval in zijn berging te bewaren tot de volgende ophaaldag voor oud papier.

2.1.    Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling mag ervan worden uitgegaan dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is, tenzij de betrokkene het tegendeel aannemelijk maakt. Daarbij is onderkend dat het voor de betrokkene lastig of zelfs onmogelijk kan zijn om het bewijsvermoeden te weerleggen. Zie voor een uiteenzetting van deze rechtspraak de uitspraak van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2432.

2.2.    Door de daarin aangetroffen brief is de doos tot [appellant] te herleiden. Dit betekent dat het college mag aannemen dat hij de overtreder is, tenzij hij aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die de doos verkeerd heeft aangeboden. Met zijn enkele stellingen dat hij al een aantal jaren niets heeft besteld bij het bedrijf dat die blauw/witte doos heeft verstuurd, dat hij zijn oud papier altijd aanbiedt in bruine dozen, dat hij op 11 december 2019 al oud papier heeft aangeboden en dat hij slechts eens in de drie maanden een doos papierafval ter inzameling aanbiedt, dat hij niet het risico zou willen lopen om € 91,00 te moeten betalen en dat het voor hem een kleine moeite is om niet opgehaald afval in zijn berging te bewaren tot de volgende ophaaldag, heeft hij dat niet aannemelijk gemaakt. Deze niet met bewijsstukken onderbouwde verklaringen zijn daarvoor onvoldoende objectief.

    Het vermoeden van [appellant] dat de aangetroffen brief uit een op 11 december 2019 op juiste wijze aangeboden doos is gevallen bij het ophalen, is ook onvoldoende om aannemelijk te maken dat hij niet degene is geweest die de blauw/witte doos verkeerd heeft aangeboden. Los van de vraag of de volgens hem op 11 december 2019 aangeboden doos zodanig was aangeboden dat het papier en karton daarin niet kon verwaaien of dat de ophaaldienst zodanig omgaat met het aangeboden afval dat de brief uit de doos kan zijn gevallen, heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat hij de aangetroffen brief toen al in die doos ter inzameling heeft aangeboden.

    Het college heeft toegelicht dat de doos, op de foto bij het besluit van 10 januari 2020 van de open doos met de brief erin, inderdaad is verplaatst naar een beter te fotograferen plek. Volgens het college is op de overzichtsfoto te zien waar de doos is aangetroffen. De omstandigheid dat de doos voor het maken van één van de foto's is verplaatst, maakt het besluit niet onrechtmatig. Het is bij de handhaving van verkeerd aangeboden huisvuil gebruikelijk dat de toezichthouder het aangetroffen huisvuil verplaatst of meeneemt om het te onderzoeken en dat de foto van de in het huisvuil aangetroffen naam- en adresgegevens vervolgens op een andere plek wordt genomen dan waar het huisvuil is aangetroffen.

    Aangezien [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet degene is geweest die de doos verkeerd heeft aangeboden, heeft het college hem terecht als overtreder aangemerkt.

    Het betoog faalt.

3.    Het beroep is ongegrond.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.S. Kors, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2020

687.