Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2103

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
02-09-2020
Zaaknummer
202002640/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 maart 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag zijn beslissing om op 18 februari 2020 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een doos die op 18 februari 2020 is aangetroffen naast een ondergrondse papiercontainer ter hoogte van de Doorniksestraat 59 in Den Haag. Het college is ervan uitgegaan dat [appellante] de doos verkeerd heeft aangeboden, omdat haar naam en adres op het adreslabel op de doos staan. [appellante] betwist niet dat de doos van haar afkomstig is, maar stelt dat zij niet degene is geweest die hem naast de papiercontainer heeft gezet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202002640/1/R4.

Datum uitspraak: 2 september 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Den Haag,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2020 heeft het college zijn beslissing om op 18 februari 2020 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 126,00, voor rekening van [appellante] komt.

Bij besluit van 16 april 2020 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 augustus 2020, waar het college, vertegenwoordigd door M. Eser, is verschenen.

Overwegingen

1.    De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een doos die op 18 februari 2020 is aangetroffen naast een ondergrondse papiercontainer ter hoogte van de Doorniksestraat 59 in Den Haag. Het college is ervan uitgegaan dat [appellante] de doos verkeerd heeft aangeboden, omdat haar naam en adres op het adreslabel op de doos staan.

2.    [appellante] betwist niet dat de doos van haar afkomstig is, maar stelt dat zij niet degene is geweest die hem naast de papiercontainer heeft gezet. Zij stelt dat haar echtgenoot de doos daar heeft neergezet, omdat de papiercontainer vol was en de doos er niet meer in kon. Ter onderbouwing hiervan voert zij aan dat zij in Nederland nooit auto rijdt en dat de doos, gelet op de grootte van de doos en de afstand van haar woning tot de papiercontainer, met de auto daarheen moet zijn gebracht.

2.1.    Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling mag ervan worden uitgegaan dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is, tenzij de betrokkene het tegendeel aannemelijk maakt. Zie voor een uiteenzetting van deze rechtspraak de uitspraak van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2432.

    De overtreder is in de eerste plaats degene die de verboden handeling fysiek verricht. Daarnaast kan in bepaalde gevallen degene die de overtreding niet zelf feitelijk begaat, maar aan wie de handeling is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk worden gehouden en daarom als overtreder worden aangemerkt.

2.2.    Door het adreslabel is de doos tot [appellante] te herleiden. Dit betekent dat het college mag aannemen dat zij de overtreder is, tenzij zij aannemelijk maakt dat zij niet degene is geweest die de doos verkeerd heeft aangeboden. Ook in het geval dat haar echtgenoot de doos verkeerd zou hebben aangeboden, kan [appellante] als overtreder worden aangemerkt. In dat geval moet ervan worden uitgegaan dat hij de doos in opdracht van [appellante] ter inzameling heeft aangeboden, zodat die handeling aan haar is toe te rekenen en zij verantwoordelijk kan worden gehouden voor het verkeerd aanbieden van de doos door hem (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1488). Ongeacht of zij zelf of haar echtgenoot de doos verkeerd heeft aangeboden, heeft het college [appellante] terecht als overtreder aangemerkt.

    De omstandigheid dat de container vol zat, betekent niet dat de doos in strijd met de daarvoor geldende regels ter inzameling mocht worden aangeboden. Ook als een inzamelvoorziening vol zit, bestaat de verantwoordelijkheid om huisvuil op juiste wijze aan te bieden, bijvoorbeeld op een ander moment of bij een andere inzamelvoorziening.

    Het betoog faalt.

3.    Het beroep is ongegrond.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.S. Kors, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2020

687.