Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2097

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
02-09-2020
Zaaknummer
201905941/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 juni 2019 heeft de raad van de gemeente Gilze en Rijen het bestemmingsplan "[locaties], Hulten" vastgesteld. Het plan voorziet voor de gronden aan de [locaties] in de sanering van een varkenshouderij en vier bedrijfswoningen en de realisatie van drie burgerwoningen en een akkerbouwbedrijf met bedrijfswoning. [appellant] kan zich niet verenigen met het plan, omdat daarmee in zijn ogen een duurzame agrarische locatie voor het buitengebied verloren gaat. In het verleden heeft hij daar samen met [belanghebbende] in een maatschap een agrarisch bedrijf uitgeoefend, dat na een arbitraal vonnis van 15 juni 2007 aan [belanghebbende] is toegewezen. Naar zijn stellen kan hij nog steeds rechten aan dat arbitraal vonnis ontlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2020/8405
NJB 2020/2180
ABkort 2020/427
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201905941/1/R2.

Datum uitspraak: 2 september 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Gilze en Rijen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 juni 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "[locaties], Hulten" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [belanghebbende] en Everhage B.V. een nadere uiteenzetting gegeven.

[appellant] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 augustus 2020, waar [appellant], en de raad, vertegenwoordigd door ing. T.A.B.N. de Kousemaeker, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting [belanghebbende] en Everhage B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. J. van den Akker, advocaat te Eindhoven, als partij gehoord.

Overwegingen

    Inleiding

1.    Het plan voorziet voor de gronden aan de [locaties] in de sanering van een varkenshouderij en vier bedrijfswoningen en de realisatie van drie burgerwoningen en een akkerbouwbedrijf met bedrijfswoning.

    [appellant] kan zich niet verenigen met het plan, omdat daarmee in zijn ogen een duurzame agrarische locatie voor het buitengebied verloren gaat. In het verleden heeft hij daar samen met [belanghebbende] in een maatschap een agrarisch bedrijf uitgeoefend, dat na een arbitraal vonnis van 15 juni 2007 aan [belanghebbende] is toegewezen. Naar zijn stellen kan hij nog steeds rechten aan dat arbitraal vonnis ontlenen.

Ontvankelijkheid

2.    In artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In artikel 8:1 van de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

2.1.    Vast staat dat [appellant] op 3,5 km van het plangebied woont en niet de eigenaar is van de gronden in of nabij het plangebied. [appellant] stelt dat hij desondanks een rechtstreeks belang heeft bij het bestreden besluit door een voorkeursrecht dat is vastgelegd in het tussen hem en [belanghebbende] gewezen arbitraal vonnis. Dit voorkeursrecht houdt, kort gezegd, in dat bij een voornemen van gehele of gedeeltelijke verkoop van het agrarisch bedrijf dat werd geëxploiteerd ter plaatse, het (gedeelte van het) bedrijf te koop moet worden aangeboden aan [appellant]. Volgens [appellant] is in strijd met het arbitrale vonnis gehandeld en is het agrarisch bedrijf, zonder dat het door hem aangegeven gedeelte daarvan aan hem is aangeboden, verkocht aan Everhage B.V. Inmiddels heeft weer een gedeeltelijke teruglevering aan [belanghebbende] plaatsgevonden. Dat deel van de gronden had volgens [appellant] aan hem moeten worden aangeboden. Nu hier sprake is van kwade trouw is er naar zijn mening sprake van een vernietigbare rechtshandeling. Het voorliggende plan wijzigt een deel van de gronden met de bestemming "Agrarisch" naar "Wonen" en maakt daarmee de realisatie van burgerwoningen mogelijk. Een agrarisch bedrijf op die gronden wordt onmogelijk en bemoeilijkt de agrarische exploitatie van de omliggende gronden.

2.2.    Gelet op wat hiervoor onder 2.1 is overwogen kan [appellant] zijn belang niet ontlenen aan een eigendomsrecht of ander zakelijk recht op de in geschil zijnde gronden of gronden in de directe omgeving daarvan. Ook kan hij geen belang ontlenen aan de afstand van het plangebied tot zijn woning. Weliswaar kan ook een voorkeursrecht in combinatie met voldoende bijkomende omstandigheden grond opleveren voor een concreet en economisch belang bij het bestreden besluit en daarmee van het zijn van belanghebbende, maar van dergelijke bijkomende omstandigheden is in dit geval geen sprake. Het door [appellant] ingeroepen voorkeursrecht is in het arbitraal vonnis gekoppeld aan een aanbiedingsplicht. Vast is komen te staan dat het agrarisch bedrijf in zijn geheel ten minste vijf maal, in vijf verschillende jaren vanaf 2013, is aangeboden aan [appellant], dat hij elk aanbod heeft afgewezen en dat het bedrijf vervolgens in zijn geheel is verkocht aan Everhage B.V. Hoewel [appellant] heeft gesteld dat de manier van aanbieden niet strookt met het arbitraal vonnis en dit vonnis door [belanghebbende] te kwader trouw is uitgelegd, heeft hij sinds 2013 geen stappen ondernomen om de juistheid van de manier van aanbieden, waar de Afdeling overigens niet in kan treden, aan te vechten.

    Het vorenstaande brengt met zich dat [appellant] geen rechtstreeks bij het besluit betrokken belang heeft. Voor zover hij in dit verband nog stelt dat inmiddels een deel van de gronden weer is teruggeleverd aan [belanghebbende] moet de Afdeling daaraan voorbij gaan, nu deze omstandigheid dateert van na het bestreden besluit.

[appellant] kan dus niet worden aangemerkt als belanghebbende bij het besluit.

Conclusie

3.    Het beroep is niet-ontvankelijk.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2020

45-932.