Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2094

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
02-09-2020
Zaaknummer
201909053/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juni 2018 heeft de minister van Justitie en Veiligheid een verzoek van [appellant] om verwijdering van hem betreffende justitiële gegevens afgewezen. Op 9 maart 2018 heeft [appellant] op grond van artikel 22, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens de minister verzocht om twee hem betreffende justitiële gegevens uit het Justitieel Documentatie Systeem te verwijderen. Het gaat om twee strafzaken die zijn afgedaan met een rechterlijk vonnis op onderscheidenlijk 10 november 1989 en 7 maart 1997. De minister heeft het verzoek afgewezen, omdat de verlengde bewaartermijn van deze justitiële gegevens krachtens artikel 4, tweede lid, van de Wjsg nog niet is verstreken. [appellant] betoogt dat artikel 4, tweede lid, van de Wjsg in zijn geval onjuist is toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201909053/1/A3.

Datum uitspraak: 2 september 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 november 2019 in zaak nr. 18/7932 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 1 juni 2018 heeft de minister een verzoek van [appellant] om verwijdering van hem betreffende justitiële gegevens afgewezen.

Bij besluit van 23 oktober 2018 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 november 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 juli 2020, waar [appellant], bijgestaan door mr. C.I. Zaad, advocaat te Den Haag, en de minister, vertegenwoordigd door M. Verhaaf en mr. M. Moddejonge, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

2.    Op 9 maart 2018 heeft [appellant] op grond van artikel 22, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: de Wjsg) de minister verzocht om twee hem betreffende justitiële gegevens uit het Justitieel Documentatie Systeem (hierna: het JDS) te verwijderen. Het gaat om twee strafzaken die zijn afgedaan met een rechterlijk vonnis op onderscheidenlijk 10 november 1989 en 7 maart 1997. De minister heeft het verzoek afgewezen, omdat de verlengde bewaartermijn van deze justitiële gegevens krachtens artikel 4, tweede lid, van de Wjsg nog niet is verstreken.

Hogerberoepsgronden

3.    [appellant] betoogt dat artikel 4, tweede lid, van de Wjsg in zijn geval onjuist is toegepast. Hij voert aan dat bij een juiste toepassing van dit artikellid de verlenging van de bewaartermijn van het justitieel gegeven uit 1989 is begonnen te lopen vanaf het vonnis van 7 maart 1997. Gelet op de termijn van twintig jaar die voor het justitiële gegeven uit 1989 gold, was de verlengde bewaartermijn dus in 2017 verstreken. Daarom moet de minister het justitiële gegeven uit 1989 uit het JDS verwijderen. Het is niet de bedoeling van de wetgever geweest dat de bewaartermijn bij een volgende veroordeling wederom wordt verlengd, aldus [appellant].

3.1.    Daarnaast betoogt [appellant] onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:993, dat zijn situatie zeer bijzonder is en dat daarom zijn belangen zwaarder moeten wegen dan het beginsel dat de justitiële documentatie een volledige registratie bevat. Hij stelt dat de registratie van de twee justitiële gegevens in het JDS hem ernstig belemmert in zijn pogingen om een baan te vinden. Dat oude feiten als deze nog steeds zichtbaar zijn voor derden vormt een buitenproportionele inbreuk op zijn privacy, aldus [appellant].

Beoordeling

4.    Artikel 2 van de Wjsg, gelezen in samenhang met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens dwingt tot de registratie van de justitiële gegevens uit 1989 en 1997 in het JDS. De registratie heeft, zo blijkt uit artikel 2 van de Wjsg, tot doel een goede strafrechtspleging te dienen door inzicht te verschaffen in het strafrechtelijk verleden van de betrokkene.

4.1.    Het oordeel van de rechtbank dat de minister terecht het verzoek van [appellant] om verwijdering van de justitiële gegevens uit 1989 en 1997 uit het JDS heeft afgewezen, is juist. [appellant] is binnen de bewaartermijn van twintig jaar, die krachtens artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wjsg aanvankelijk gold voor het justitieel gegeven uit 1989, op 7 maart 1997 veroordeeld voor een ander strafbaar feit. Voor het justitieel gegeven uit 1997 gold volgens dit artikellid, aanhef en onder a, een bewaartermijn van dertig jaar. Krachtens artikel 4, tweede lid, van de Wjsg is de bewaartermijn voor het justitieel gegeven uit 1989 na het vonnis van 7 maart 1997 verlengd met dertig jaar, omdat die bewaartermijn voor het justitieel gegeven uit 1997 geldt. Verder is [appellant] binnen die opvolgende bewaartermijn veroordeeld voor nog een derde misdrijf, zodat de bewaartermijn voor de justitiële gegevens uit 1989 en 1997 inmiddels wederom is verlengd. Voor het standpunt van [appellant] dat op grond van artikel 4, tweede lid, van de Wjsg slechts eenmaal de bewaartermijn kan worden verlengd, bestaan geen aanknopingspunten.  

    Het betoog slaagt niet.                  

4.2.    Ook het betoog van [appellant] dat de minister in de bijzondere omstandigheden van zijn geval aanleiding had moeten zien om de justitiële gegevens uit 1989 en 1997 te verwijderen en deze registratie een buitenproportionele inbreuk op zijn privacy vormt, slaagt niet. Artikel 4 van de Wjsg schrijft dwingend voor welke termijn geldt voor het bewaren van justitiële gegevens, zodat er geen ruimte is voor een belangenafweging (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 13 april 2016, r.o. 2.2.). Zoals ook uit die uitspraak volgt, vindt een belangenafweging alleen plaats in het kader van een verzoek op grond van artikel 26 van de Wjsg. [appellant] heeft een dergelijk verzoek uitdrukkelijk niet gedaan, zodat dit buiten de reikwijdte van deze procedure valt. Uit het verslag van de hoorzitting op 5 september 2018 naar aanleiding van het bezwaarschrift van [appellant] blijkt immers dat hij toen heeft verklaard dat zijn verzoek om de twee hem betreffende justitiële gegevens uit het JDS te verwijderen is gebaseerd op artikel 22 en uitdrukkelijk niet op artikel 26 van de Wjsg.                 

Slotsom

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. J. Gundelach, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Grimbergen, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2020

689.

 

BIJLAGE

 

Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens

Artikel 2

1. Onze Minister verwerkt in de justitiële documentatie justitiële gegevens ten behoeve van een goede strafrechtspleging.

Artikel 4

1 Justitiële gegevens van verdachten en veroordeelden wegens misdrijven worden vernietigd:

a. dertig jaar nadat een beslissing om niet te vervolgen is genomen, nadat een einduitspraak als bedoeld in de artikelen 351 en 352 van het Wetboek van Strafvordering is gedaan in verband met een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaar of meer is gesteld, en in het kader van het misdrijf de justitiële gegevens zijn verwerkt of nadat een strafbeschikking wegens het misdrijf volledig ten uitvoer is gelegd, dan wel twintig jaar na het overlijden van betrokkene,

b. twintig jaar nadat een beslissing om niet te vervolgen is genomen, nadat een einduitspraak als bedoeld in de artikelen 351 en 352 van het Wetboek van Strafvordering is gedaan in verband met een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van minder dan zes jaar is gesteld, en in het kader van het misdrijf de justitiële gegevens zijn verwerkt of nadat een strafbeschikking wegens het misdrijf volledig ten uitvoer is gelegd, dan wel twaalf jaar na het overlijden van betrokkene, of

[…]

2. De termijn van dertig en twintig jaar, genoemd in het eerste lid, wordt verlengd indien tegen de betrokkene een einduitspraak als bedoeld in de artikelen 351 en 352 van het Wetboek van Strafvordering in verband met een ander misdrijf is gedaan. In dat geval worden de justitiële gegevens vernietigd twintig dan wel dertig jaar nadat het vonnis is uitgesproken of de strafbeschikking volledig ten uitvoer is gelegd, al naar gelang op het misdrijf naar de wettelijke omschrijving minder dan zes jaar of zes jaar of meer gevangenisstraf is gesteld.

[…]

Artikel 22

1. Een ieder over wiens persoon justitiële gegevens worden verwerkt kan de verantwoordelijke schriftelijk verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen of af te schermen indien deze feitelijk onjuist, voor het doel van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn, dan wel in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.

2. Onze Minister bericht de verzoeker binnen vier weken na ontvangst van het verzoek schriftelijk of, dan wel in hoeverre, hij daaraan voldoet. Het eerste lid van artikel 37 Wet bescherming persoonsgegevens is van overeenkomstige toepassing.

3. De verantwoordelijke draagt zorg dat een beslissing tot verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming zo spoedig mogelijk wordt uitgevoerd. Hij draagt zorg voor het kenmerken van een gegeven als de juistheid daarvan door de betrokkene wordt betwist en niet kan worden vastgesteld of het gegeven al dan niet juist is.

Artikel 26

1. Betrokkene kan bij Onze Minister verzet aantekenen wegens bijzondere persoonlijke omstandigheden.

[…]

Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens

Artikel 7

1. Voorzover van toepassing worden als justitiële gegevens als bedoeld in de artikelen 2, 3, 4 en 9 aangemerkt:

a. alle beslissingen die door het openbaar ministerie of de rechter zijn genomen, met uitzondering van:

1°. de beslissing tot niet vervolgen omdat de betrokken persoon ten onrechte als verdachte is aangemerkt;

2°. de beslissing tot niet vervolgen na vaststelling van een rechtmatige geweldsaanwending van een ambtenaar als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren;

b. het parketnummer;

c. de strafbepalingen van het strafbare feit;

d. de kwalificatie van het strafbare feit;

e. de maatschappelijke classificatie van het strafbare feit;

f. de datum waarop of periode waarin het strafbare feit zich heeft voorgedaan;

g. indien het feit is geseponeerd:

1º. de datum van de beslissing;

2º. de sepotcode en de bijkomende sepotgrond of sepotgronden;

3º. de bij de beslissing tot voorwaardelijk seponeren gestelde voorwaarden;

4º. de datum waarop aan alle gestelde voorwaarden is voldaan;

h. indien over het feit bij strafbeschikking is beslist:

1°. de datum waarop de strafbeschikking is uitgevaardigd;

2°. de opgelegde straffen, maatregelen en aanwijzingen;

3°. de datum waarop de strafbeschikking onherroepelijk is geworden;

4°. de datum waarop de strafbeschikking volledig ten uitvoer is gelegd;

5°. de aanduiding dat de strafbeschikking kan worden aangemerkt als een gegeven als bedoeld in de artikelen 10, 11 of 12 van de wet alsmede de datum waarop dat gegeven niet langer als zodanig kan worden aangemerkt;

i. indien een voorlopige maatregel op grond van de Wet op de economische delicten is opgelegd:

1º. de aanduiding van de voorlopige maatregel;

2º. de beëindiging, verlenging, wijziging, intrekking of opheffing;

j. indien over het feit bij rechterlijke uitspraak is beslist:

1º. het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan;

2º. de datum van de uitspraak;

3º. de inhoud van de uitspraak, waaronder de kwalificatie van het feit en de daarbij betrokken strafbepalingen;

4º. alle voorwaarden die bij een beslissing zijn opgelegd;

5º. de datum waarop de uitspraak onherroepelijk is geworden;

6º. de datum van het vermoedelijke einde van een proeftijd;

7º. de aanduiding of de uitspraak kan worden aangemerkt als een gegeven als bedoeld in de artikelen 10, 11 of 12 van de wet alsmede de datum waarop dat gegeven niet langer als zodanig kan worden aangemerkt;

k. indien de rechterlijke beslissing ten uitvoer is gelegd;

1º. de datum en de wijze waarop de tenuitvoerlegging is beëindigd;

2º. de datum en de wijze waarop de taakstraf of vrijheidsstraf is aangevangen en beëindigd;

3º. indien de volledige tenuitvoerlegging niet is gerealiseerd, de datum van tenuitvoerlegging van de vervangende straf;

l. de datum van invrijheidstelling.

2. Als justitiële gegevens als bedoeld in de artikelen 2 en 4, worden voorts aangemerkt:

a. het arrondissementsparket of ressortsparket dat de zaak in behandeling heeft genomen;

b. de datum van ontvangst van het proces-verbaal bij het arrondissementsparket of ressortsparket;

c. de datum waarop de procureur-generaal bij de Hoge Raad op grond van artikel 76 van de Wet op de rechterlijke organisatie de zaak in behandeling heeft genomen.