Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2092

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
02-09-2020
Zaaknummer
201909226/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2019:10561, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 februari 2018 heeft de burgemeester van Kerkrade een bij [appellant] in eigendom zijnde en door hem verhuurde woning voor de duur van twintig weken gesloten. Op 12 december 2017 heeft de politie in de woning van [appellant] aan de [locatie] in [plaats] tijdens een onderzoek 1036 gram hennep, vier gram witte substantie, een stroomstootwapen, een airsoftwapen en een 9 mm patroon aangetroffen. De burgemeester heeft in eerste instantie de woning voor twintig weken gesloten. Nadat na onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut de vier gram witte substantie geen harddrugs bleek te zijn, heeft de burgemeester zijn besluit herzien. De burgemeester heeft de woning voor twee maanden gesloten en heeft zich op het standpunt gesteld dat hij voldoende rekening heeft gehouden met de financiële belangen van [appellant], omdat hij een woning onder de gegeven omstandigheden op grond van zijn beleid in beginsel drie maanden sluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201909226/1/A3.

Datum uitspraak: 2 september 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 25 november 2019 in zaak nr. 18/1775 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Kerkrade.

Procesverloop

Bij besluit van 20 februari 2018 heeft de burgemeester een bij [appellant] in eigendom zijnde en door hem verhuurde woning voor de duur van twintig weken gesloten.

Bij besluit van 5 april 2018 heeft de burgemeester het besluit van 20 februari 2018 herzien en de sluitingsduur van de woning beperkt tot twee maanden.

Bij besluit van 27 juni 2018 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 november 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 augustus 2020, waar de burgemeester, vertegenwoordigd door S. Vullers en mr. K. Heijens, is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Op 12 december 2017 heeft de politie in de woning van [appellant] aan de [locatie] in [plaats] tijdens een onderzoek 1036 gram hennep, vier gram witte substantie, een stroomstootwapen, een airsoftwapen en een 9 mm patroon aangetroffen. De burgemeester heeft in eerste instantie de woning voor twintig weken gesloten. Nadat na onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut de vier gram witte substantie geen harddrugs bleek te zijn, heeft de burgemeester zijn besluit herzien. De burgemeester heeft de woning voor twee maanden gesloten en heeft zich op het standpunt gesteld dat hij voldoende rekening heeft gehouden met de financiële belangen van [appellant], omdat hij een woning onder de gegeven omstandigheden op grond van zijn beleid in beginsel drie maanden sluit.

Hoger beroep

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester hem als overtreder heeft kunnen aanmerken. Hij controleerde zijn woning regelmatig en had redelijkerwijs niet kunnen weten dat er een aanmerkelijke hoeveelheid softdrugs aanwezig was. Als de burgemeester hem wel als overtreder kan aanmerken, dan had de burgemeester op grond van het beleid moeten volstaan met een waarschuwing, omdat er geen indicatoren aanwezig waren op grond waarvan de burgmeester tot sluiting kon overgaan. De nadelige gevolgen van het besluit zijn voor hem daarnaast onevenredig in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen, aldus [appellant].

Wettelijk kader

3.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage en maakt deel uit van deze uitspraak.

Beoordeling hoger beroep

4.      Appellant heeft het betoog dat hij ten onrechte als overtreder is aangemerkt omdat hij de woning regelmatig controleerde en hij daarmee aannemelijk heeft gemaakt dat hij als eigenaar en verhuurder niet wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat in de woning een aanmerkelijke hoeveelheid hennep aanwezig was in beroep niet naar voren gebracht. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom [appellant] dit betoog niet reeds voor de rechtbank had kunnen aanvoeren en [appellant] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen en omwille van de rechtszekerheid van de andere partijen omtrent hetgeen in geschil is, had behoren te doen, dient dit betoog buiten beschouwing te blijven.

5.    De burgemeester maakt bij toepassing van zijn bevoegdheid op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet gebruik van beleidsregels die hij heeft neergelegd in het Damoclesbeleid Gemeente Kerkrade (hierna: de Beleidsregel). Volgens artikel 1, derde lid, en bijlage I van de Beleidsregel geeft de burgemeester een schriftelijke waarschuwing bij een eerste overtreding van de Opiumwet ten aanzien van softdrugs, tenzij er op grond van artikel 4, tweede en derde lid, van de Beleidsregel sprake is van een situatie waarin redelijkerwijs verondersteld mag worden dat de openbare orde en veiligheid of het geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van de woning in kwestie ernstig in geding is. In dat geval volstaat de burgemeester niet met een schriftelijke waarschuwing, maar met een sluiting van de woning voor de duur van drie maanden.

5.1.    De burgemeester heeft vastgesteld dat het in dit geval om een eerste overtreding van de Opiumwet ten aanzien van softdrugs gaat en op grond van een drietal indicatoren uit artikel 4, derde lid, van de Beleidsregel vastgesteld dat de openbare orde en veiligheid in het geding is. Hij voert daartoe aan dat de politie in de woning een handelshoeveelheid hennep heeft aangetroffen en dat de huurder van de woning op 11 december 2017 door de politie is aangehouden met een bedrag van € 35.465,- aan contant geld en een hoeveelheid hennep in zijn auto, hetgeen erop duidt dat de woning betrokken is bij drugshandel. Verder zijn in de nabije omgeving van de woning in het recente verleden reeds meerdere malen middelen als bedoeld in lijst I en lijst II van de Opiumwet in woningen en lokalen aangetroffen door de politie. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien voor de burgemeester redelijkerwijs aanleiding hebben kunnen zijn om ernstige verstoring van de openbare orde en veiligheid aan te nemen en tot sluiting van de woning over te gaan. Dat er geen (brand)gevaarlijke situatie bestond en dat er geen (drugs)overlastmeldingen en geen toeloop in de omgeving van de woning waren, doet niet af aan de andere indicatoren die de burgemeester aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd. Op basis van artikel 4, derde lid, van de Beleidsregel is het niet noodzakelijk dat alle indicatoren aanwezig zijn. De burgemeester heeft in zijn besluitvorming daarom geen doorslaggevend gewicht hoeven toekennen aan het feit dat er door de verkoop van de woning geen sprake meer zou zijn van ernstig gevaar voor de omgeving of kans op recidive. Het sluiten van de woning heeft tot doel de bekendheid van de woning als drugspand in het criminele circuit teniet te doen en herhaling te voorkomen. Het verkopen van de woning en het tijdsverloop tussen de constatering van de overtreding en de last tot sluiting sloten herhaling van een met de Opiumwet strijdige situatie niet zonder meer uit, zeker gezien het gegeven dat in de nabije omgeving van de woning in het recente verleden reeds meerdere malen middelen als bedoeld in lijst I en lijst II van de Opiumwet in woningen en lokalen aangetroffen zijn door de politie. Het betoog faalt.

6.    De burgemeester handelt op grond van artikel 4:84 van de Awb overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. De burgemeester dient alle omstandigheden van het geval te betrekken in zijn beoordeling en te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb die maken dat het handelen overeenkomstig het beleid gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen.

6.1.    [appellant] heeft zijn woning op 7 december 2017 verkocht en op 8 december 2017 met wederzijds goedvinden de huurovereenkomst opgezegd. Op 12 december 2017 heeft de politie tijdens een onderzoek de hennep in de woning aangetroffen, waarop de burgemeester de woning per 1 maart 2018 heeft gesloten. De koper heeft [appellant] op 3 maart 2018 in gebreke gesteld omdat hij de woning op het afgesproken tijdstip niet vrij van aanspraken heeft kunnen leveren vanwege de woningsluiting. [appellant] heeft de burgemeester geen inzicht gegeven in de financiële gevolgen die de woningsluiting voor hem heeft gehad, terwijl het aannemelijk is dat hij daar ten tijde van het besluit op bezwaar van 27 juni 2018 wel inzicht in had kunnen geven aangezien de ingebrekestelling van de koper van 3 maart 2018 dateert. Ter zitting bij de Afdeling is overigens gebleken dat de woning op 18 mei 2018 alsnog is verkocht, zodat aannemelijk is dat, voor zover al schade is geleden, deze van beperkte omvang is. Hoewel ten tijde van het besluit op bezwaar de financiële gevolgen van de woningsluiting voor [appellant] niet duidelijk waren, heeft de burgemeester daar wel rekening mee gehouden en heeft hij de woning daarom voor twee in plaats van drie maanden gesloten. De burgemeester heeft daarbij gesteld dat de doelen die het besluit beoogt te dienen - het algemeen belang, alsmede de belangen van omwonenden, het wegnemen van de bekendheid van het pand als drugspand bij de omgeving, het waarborgen van de openbare orde en veiligheid en het geordend woon- en leefklimaat - niet gediend kunnen worden zonder een tijdelijke sluiting van de woning.

     De rechtbank heeft gelet op het voorgaande terecht geoordeeld dat de burgemeester gezien de met het besluit te dienen doelen en alle omstandigheden van het geval, waaronder in het bijzonder de te verwachten financiële gevolgen voor [appellant], in redelijkheid tot een sluiting van de woning voor de duur van twee maanden heeft kunnen overgaan. Het betoog faalt.

Slotsom

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, mr. C.M. Wissels en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

w.g. Klein

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2020

176-960.

 

BIJLAGE | WETTELIJK KADER

 

Artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet

De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

Artikel 1, derde lid, van het Damoclesbeleid Gemeente Kerkrade

Toepassing van de in lid 1 genoemde bevoegdheid vindt, afhankelijk van de vragen of het hard- dan wel sofdrugs en of het een lokaal dan wel woning betreft, plaats conform de in Bijlage I opgenomen Handhavingsmatrix A (harddrugs in/bij lokalen en woningen), B (softdrugs in/bij lokalen) of C (softdrugs in/bij woningen).

Artikel 4, tweede en derde lid, van het Damoclesbeleid Gemeente Kerkrade

2.    Indien, in geval van een eerste overtreding, het aantreffen van middel als bedoeld in Lijst II van de Opiumwet in een woning naar het oordeel van de burgemeester leidt tot een situatie waarin redelijkerwijs verondersteld mag worden dat de openbare orde en veiligheid c.q. het geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van de woning in kwestie, ernstig in het geding is, dan volgt geen schriftelijke waarschuwing, maar een sluiting voor de duur van drie maanden.

3.    Indicatoren die kunnen leiden tot het in lid 2 genoemde oordeel zijn o.a., doch niet uitsluitend:

    een grote hoeveelheid van de aangetroffen middelen als bedoeld in Lijst II van de Opiumwet;

    bij de gemeente Kerkrade dan wel politie binnengekomen (drugs)overlastmeldingen met betrekking tot het adres in kwestie;

    het bestaan van toeloop richting het adres in kwestie;

    het bestaan van een (brand)gevaarlijke situatie (bijv. bij een hennepplantage);

    het feit dat in de nabije omgeving van het pand in kwestie in het recente verleden reeds middelen als bedoeld in Lijst I of Lijst II in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven zijn aangetroffen;

    overige feiten of omstandigheden op basis waarvan de burgemeester redelijkerwijs mag aannemen dat de openbare orde en veiligheid c.q. een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van de woning in kwestie in het geding is.

Bijlage 1 bij het Damoclesbeleid Gemeente Kerkrade