Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2082

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
09-09-2020
Zaaknummer
202003442/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 mei 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk H.O.G., voor zover hier van belang, gelast om met betrekking tot het depot geel zand van circa 80-100 m3 en de drie depots van in totaal circa 500 m3 zwarte bovengrond op het perceel Barrier 5 te Bergeijk een melding te doen conform artikel 42 van het Besluit bodemkwaliteit, onder oplegging van een dwangsom van € 1.000,00 per week met een maximum van € 6.000,00. H.O.G. betoogt dat de last onder III ten onrechte is opgelegd. Volgens H.O.G. was het depot geel zand bedoeld ten behoeve van de bouw van loods 2. Nu de omgevingsvergunning voor de bouw van deze loods bij besluit van 11 oktober 2018 is ingetrokken, dit besluit bij besluit op bezwaar van 21 mei 2019 is gehandhaafd en het beroep daartegen bij uitspraak van 23 januari 2020 door de rechtbank Oost-Brabant ongegrond is verklaard, is een last op basis van artikel 42 Besluit Bodemkwaliteit niet meer aan de orde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2020/8345
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202003442/2/R1.

Datum uitspraak: 2 september 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

H.O.G. B.V. en [verzoeker], gevestigd te Bergeijk onderscheidenlijk wonend te [woonplaats] (België),

verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 mei 2019 heeft het college H.O.G., voor zover hier van belang, gelast om met betrekking tot het depot geel zand van circa 80-100 m3 en de drie depots van in totaal circa 500 m3 zwarte bovengrond op het perceel Barrier 5 te Bergeijk een melding te doen conform artikel 42 van het Besluit bodemkwaliteit, onder oplegging van een dwangsom van € 1.000,00 per week met een maximum van € 6.000,00 (hierna: de last onder III).

Bij besluit van 13 januari 2020 heeft het college het tegen het besluit van

20 mei 2019 door H.O.G. gemaakte bezwaar gegrond verklaard en, voor zover hier van belang, de last onder III gewijzigd in die zin dat deze last alleen geldt voor het depot met circa 80-100 m3 geel zand afkomstig uit België.

H.O.G. heeft hiertegen beroep ingesteld en de Afdeling verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij besluit van 13 mei 2020 heeft het college, naar aanleiding van een verzoek van H.O.G., geweigerd de last onder III op te heffen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 18 augustus 2020, waar H.O.G., vertegenwoordigd door mr. T.I.P. Jeltema, advocaat te Veldhoven, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.F.H.M. van der Velden, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.    Artikel 42, eerste lid, van het Besluit bodemkwaliteit luidt:

"Degene die voornemens is grond of baggerspecie toe te passen als bedoeld in artikel 35, onderdeel a tot en met i, met uitzondering van onderdeel f, meldt dat voornemen ten minste vijf werkdagen van tevoren aan Onze Minister."

    Artikel 35 luidt:

"Dit hoofdstuk is van toepassing op de volgende handelingen:

a. toepassing van grond of baggerspecie in bouw- en wegconstructies, waaronder mede worden begrepen wegen, spoorwegen en geluidswallen;

b. toepassing van grond of baggerspecie op of in de bodem, met uitzondering van de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam, in ophogingen van industrieterreinen, woningbouwlocaties en landbouw- en natuurgronden, met het oog op het verbeteren van de bodemgesteldheid;

c. toepassing van grond of baggerspecie voor het afdekken van een locatie die wordt gesaneerd als bedoeld in hoofdstuk IV, paragraaf 3 van de Wet bodembescherming, als afdeklaag voor een stortplaats als bedoeld in artikel 8:47, eerste lid respectievelijk derde lid, van de Wet milieubeheer, of als afdeklaag voor een voormalige stortplaats met het oog op het voorkomen van nadelige gevolgen voor de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft als gevolg van contact met het onderliggende materiaal;

d. toepassing van grond of baggerspecie in ophogingen in waterbouwkundige constructies en voor het verondiepen en dempen van een oppervlaktewaterlichaam met het oog op de hoogwaterbescherming, de doelstellingen van artikel 4 van de Kaderrichtlijn water, de bevordering van de natuurwaarden en de vlotte en veilige afwikkeling van de scheepvaart;

e. toepassing van grond of baggerspecie in aanvullingen, waaronder mede wordt verstaan de herinrichting en stabilisering van voormalige winplaatsen voor delfstoffen, of met het oog op onderhoud en herstel van de toepassingen, bedoeld in onderdeel a tot en met d;

f. verspreiding van baggerspecie uit een watergang over de aan de watergang grenzende percelen, met het oog op het herstellen of verbeteren van de aan de watergang grenzende percelen;

g. verspreiding van baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam, met het oog op de duurzame vervulling van de ecologische en morfologische functies van het sediment, behoudens op of in uiterwaarden, gorzen, slikken, stranden en platen, met uitzondering van de daarbinnen gelegen aangrenzende percelen van watergangen met het oog op het herstellen of verbeteren van die percelen;

h. tijdelijke opslag van grond of baggerspecie, bestemd voor de toepassingen, bedoeld in onderdeel a tot en met e gedurende maximaal drie jaar op of in de bodem, met uitzondering van de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam, of gedurende maximaal tien jaar in een oppervlaktewaterlichaam;

i. tijdelijke opslag van baggerspecie, bestemd voor één van de toepassingen, bedoeld in onderdeel a tot en met f, gedurende maximaal drie jaar op percelen gelegen naast de watergang waaruit de baggerspecie afkomstig is."

3.    H.O.G. heeft de voorzieningenrechter verzocht de besluiten van 20 mei 2019 en 13 januari 2020 te schorsen, voor zover het de last onder III betreft.

4.    H.O.G. betoogt dat de last onder III ten onrechte is opgelegd. Volgens H.O.G. was het depot geel zand bedoeld ten behoeve van de bouw van loods 2. Nu de omgevingsvergunning voor de bouw van deze loods bij besluit van 11 oktober 2018 is ingetrokken, dit besluit bij besluit op bezwaar van 21 mei 2019 is gehandhaafd en het beroep daartegen bij uitspraak van 23 januari 2020 door de rechtbank Oost-Brabant ongegrond is verklaard, is een last op basis van artikel 42 Besluit Bodemkwaliteit niet meer aan de orde. Omdat toepassing van de grond niet meer mogelijk is, kan geen toepassing worden gegeven aan artikel 35 onder a of b van het Besluit bodemkwaliteit. Er is geen sprake van gebruik van het zand in de zin van deze bepalingen, aldus H.O.G.  Omdat de situatie van artikel 42 in samenhang gelezen met artikel 35 van het Besluit Bodemkwaliteit niet meer aan de orde is, behoeft geen melding in de zin van artikel 42 Besluit Bodemkwaliteit meer te worden gedaan. H.O.G. voert aan dat het de grond wenst af te laten voeren door een erkend verwerker, maar dat het college, zonder opgaaf van redenen, heeft aangegeven de last niet te willen wijzigen.

5.    Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de controle op 3 maart 2020 blijkt dat het depot geel zand voor het overgrote gedeelte is toegepast op het terrein. Van de oorspronkelijke 80-100 m3 geel zand bleek nog slechts circa 25 m3 in opslag te zijn, de rest was toegepast op het terrein in de vorm van terreinophoging dan wel vermenging met de reeds op het terrein aanwezige grond. Er heeft dan ook daadwerkelijk toepassing plaatsgevonden op het terrein zonder dat daaraan een melding op grond van artikel 42 van het Besluit bodemkwaliteit heeft plaatsgevonden, aldus het college. Het college heeft verder toegelicht dat in de intrekking van de omgevingsvergunning, anders dan H.O.G. meent, geen grond is gelegen voor het intrekken dan wel opheffen van de last III.

6.    De voorzieningenrechter stelt voorop dat in de bodemprocedure rechtsvragen aan de orde zijn die zich minder goed lenen voor beantwoording in de onderhavige procedure en zal zich dus beperken tot een oordeel over het verzoek om voorlopige voorziening.

    Vast staat dat, zoals ter zitting ook is bevestigd door partijen, een groot deel van het gele zand tijdens de, verlengde, begunstigingstermijn is verplaatst en op het terrein is gebruikt. Het college heeft ter zitting toegelicht dat de last onder III op het volledige depot geel zand ziet, en dus ook op het reeds gebruikte zand. Voor zover het college zich op het standpunt stelt dat met het gebruiken van het gele zand op het perceel het zand is toegepast, als bedoeld in artikel 42, eerste lid, van het Besluit bodemkwaliteit, is het vervolgens de vraag of H.O.G. gelast kan worden om achteraf een melding van het voornemen van deze toepassing, die tijdens de begunstigingstermijn heeft plaatsgevonden, te doen. Deze vragen zullen in de bodemprocedure beantwoord moeten worden.

    Voorts is niet gebleken van onomkeerbare gevolgen door de gebruikmaking van het zand. Het college heeft bovendien ter zitting ook niet aannemelijk gemaakt dat er dringende belangen zijn aan zijn zijde die zich verzetten tegen toewijzing van het verzoek om voorlopige voorziening. Hoewel de voorzieningenrechter oog heeft voor het milieubelang dat het college met het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom beoogt te dienen, ziet de voorzieningenrechter, gelet op het voorgaande, onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de uitvoering van de last zodanig spoedeisend is, dat de uitspraak in de bodemprocedure niet kan worden afgewacht.

7.    Gelet op het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

8.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk van 20 mei 2019, kenmerk BER-2019-0774/19UT007148, en 13 januari 2020, voor zover het de last onder III betreft;

II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk tot vergoeding van bij H.O.G. B.V. en [verzoeker] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.050,00 (zegge: duizendvijftig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

III.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk aan H.O.G. B.V. en [verzoeker] het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 354,00 (zegge: driehonderdvierenvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, griffier.

w.g. Helder

voorzieningenrechter

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2020

580.