Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2072

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-08-2020
Datum publicatie
02-09-2020
Zaaknummer
201905316/2/R3
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 december 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van De Fryske Marren aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor "het bouwen van een bouwwerk" en "het wijzigen van een monument" op het perceel [locatie] in Langweer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201905316/2/R3.

Datum uitspraak: 31 augustus 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) hangende het hoger beroep van:

[verzoeker A] en [verzoeker B], beiden wonend te Langweer, gemeente De Fryske Marren (hierna: gezamenlijk en in enkelvoud: [verzoeker]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de rechtbank) van 5 juni 2019 in zaak nr. 18/2106 in het geding tussen:

[verzoeker]

en

het college van burgemeester en wethouders van De Fryske Marren.

Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2017 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor "het bouwen van een bouwwerk" en "het wijzigen van een monument" op het perceel [locatie] in Langweer.

Bij besluit van 4 juni 2018 heeft het college het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 13 december 2017 in stand gelaten.

Bij uitspraak van 5 juni 2019 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld. [verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college en [vergunninghouder] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij besluit van 23 juli 2020 heeft het college de omgevingsvergunning van 13 december 2017 gewijzigd.

[verzoeker], het college en [vergunninghouder] hebben nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 11 augustus 2020, waar [verzoeker] en het college, vertegenwoordigd door L. Hijlkema en S. van Hoving, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.    De omgevingsvergunning van 13 december 2017 voorziet in het isoleren van het dak van de woning [locatie] in Langweer en daarmee samenhangende andere werkzaamheden.

De omgevingsvergunning van 23 juli 2020 maakt het mogelijk dat de schoorstenen in het bouwplan niet met steenstrips maar met metselwerk worden uitgevoerd. Dit besluit is mede onderwerp van het onderhavige geding op grond van artikel 6:19, eerste lid, en artikel 6:24 van de Awb.

3.    [verzoeker] vreest voor overlast door de uitvoering van het bouwplan, onder meer omdat volgens hem de afwatering niet goed is gewaarborgd. Hij heeft verzocht om een voorlopige voorziening omdat de vergunninghouder volgens hem op korte termijn met de werkzaamheden zal beginnen. Het college heeft dit bevestigd. Daarom gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat het vereiste spoedeisende belang bij het verzoek aanwezig is.

Het besluit van 4 juni 2018

4.    [verzoeker] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college aannemelijk heeft mogen achten dat het bouwplan voldoet aan het Bouwbesluit 2012. Volgens hem is de rechtbank er hierbij namelijk van uitgegaan dat de positie van de steeggoot ongewijzigd blijft, terwijl uit de bouwtekening volgt dat deze wel wordt gewijzigd. Daardoor is volgens hem onduidelijk welke situatie door het college is getoetst.

4.1.    De voorzieningenrechter stelt vast dat op de bouwtekening de ingetekende goot in de nieuwe situatie wat betreft vorm en positie afwijkt van de ingetekende goot in de bestaande situatie. Dat in de aangevallen uitspraak is aangegeven dat tussen partijen niet in geschil is dat met het bouwplan de positie van de dakgoot niet wordt gewijzigd, geeft evenwel geen aanleiding voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de aangevallen uitspraak in zoverre in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, althans dat uiteindelijk zal blijken dat de omgevingsvergunning niet mocht worden verleend. Volgens de bouwtekening, die het college als onderdeel van het bouwplan heeft laten toetsen aan het Bouwbesluit 2012, reiken de dakpannen van het dak met de isolatieplaten niet tot over de goot. De vergunninghouder dient overeenkomstig deze bouwtekening te bouwen. De vrees van [verzoeker] - zoals hij ter zitting heeft toegelicht - dat de dakpannen als gevolg van het bouwplan de goot volledig bedekken waardoor het hemelwater niet meer met deze goot kan worden opgevangen en afgevoerd, is in zoverre ongegrond. Indien de vergunninghouder niet overeenkomstig de bouwtekening bouwt, betreft dit een kwestie van handhaving.

5.    [verzoeker] kan zich voorts niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan in overeenstemming is met redelijke eisen van welstand en dat het belang van de monumentzorg zich niet tegen vergunningverlening verzet. In dat verband betoogt [verzoeker] dat het college er ten onrechte van is uitgegaan dat de bouw van twee schoorstenen mocht worden vergund, aangezien in het advies van Hûs en Hiem welstandsadvisering en monumentenzorg (hierna: Hûs en Hiem) van 28 november 2017 is uitgegaan van één schoorsteen. Ook de rechtbank is volgens [verzoeker] uitgegaan van één schoorsteen. Daarnaast betoogt [verzoeker] dat de rechtbank heeft miskend dat hij ter zake zelf deskundig is.

5.1.    De voorzieningenrechter volgt [verzoeker] niet in deze stelling. De rechtbank heeft bij de beoordeling van het bestreden besluit terecht overwogen dat de monumentencommissie in de (voorlopige) adviezen van Hûs en Hiem van 31 oktober 2017 en 14 november 2017 het plan omschrijft als "het isoleren van het bestaande dak en het plaatsen van schoorstenen". Zoals de rechtbank verder terecht heeft overwogen, bevat de bouwtekening bij de aanvraag voorts een schets van zowel de linker- als de rechterzijgevel waarop elk twee schoorstenen zijn ingetekend.

Voor zover [verzoeker] stelt dat de rechtbank heeft miskend dat hij deskundig is, wijst de voorzieningenrechter erop dat de rechtbank zich in rechtsoverweging 4.6 respectievelijk 3.5 niet heeft beperkt tot de vaststelling dat [verzoeker] geen advies van een deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd. De rechtbank heeft immers tevens overwogen dat [verzoeker] onvoldoende heeft onderbouwd dat het advies van Hûs en Hiem gebrekkig is. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen [verzoeker] naar voren heeft gebracht geen reden om hierover anders te oordelen.

6.    Ook in wat [verzoeker] voor het overige heeft aangevoerd over de bouwtekening, de beoordeling daarvan door Hûs en Hiem en de toetsing daarvan aan het Bouwbesluit 2012, ziet de voorzieningenrechter op voorhand geen aanleiding voor het oordeel dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, althans dat uiteindelijk zal blijken dat de omgevingsvergunning niet mocht worden verleend.

Het besluit van 23 juli 2020

7.    [verzoeker] betoogt dat de gemetselde schoorstenen tot een onveilige situatie zullen leiden. In dat verband acht hij van belang dat volgens hem op de bouwtekening een ondersteuningsconstructie voor deze schoorstenen ontbreekt en er voorts geen onderzoek is verricht naar de toestand van onder meer de kap.

7.1.    De voorzieningenrechter ziet in wat [verzoeker] op dit punt naar voren heeft gebracht onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het college niet aannemelijk heeft mogen achten dat het bouwplan voldoet aan het Bouwbesluit 2012. [verzoeker] heeft weliswaar gesteld dat hij ter ondersteuning van zijn stelling een bouwkundig rapport laat opstellen en dit tijdig zal overleggen, maar zolang dat rapport er nog niet is kan hieraan geen betekenis toekomen. [verzoeker] kan zo nodig op het moment dat hij beschikt over een dergelijk rapport opnieuw een verzoek om voorlopige voorziening indienen.

Conclusie

8.    Gelet op wat hiervoor is overwogen, bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen. Daarbij wijst de voorzieningenrechter erop dat een houder van een verleende vergunning, zolang deze niet in rechte onaantastbaar is, op eigen risico daarvan gebruik maakt.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Jacobs, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen

voorzieningenrechter

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2020

717-896.