Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2047

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-08-2020
Datum publicatie
26-08-2020
Zaaknummer
201906404/1/A2 en 201906405/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam heeft de uitkering op grond van de Wet werk en bijstand aan [appellant sub 2] met ingang van 30 april 2012 ingetrokken, omdat zij sinds die datum een gezamenlijke huishouding voerde met [appellant sub 1] en dit niet bij het college had gemeld. De tegemoetkoming aan [appellant sub 2] in de kosten van kinderopvang is bij het besluit van 2 oktober 2012 met ingang van 30 april 2012 ingetrokken omdat [appellant sub 2] sindsdien niet meer tot de doelgroep van artikel 1.22 van de Wet kinderopvang behoorde en zij daarom op grond van artikel 2 van de Verordening Kinderopvang [appellant sub 1] geen aanspraak meer op die tegemoetkoming maakte. De rechtbank heeft in de uitspraak van 9 juli 2013 het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit over de intrekking van de bijstandsuitkering ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201906404/1/A2 en 201906405/1/A2.

Datum uitspraak: 26 augustus 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    [appellant sub 1], wonend te Amsterdam,

2.    [appellant sub 2], wonend te Amsterdam,

appellanten,

tegen de uitspraken van de rechtbank [appellant sub 1] van 9 juli 2013 in zaken nrs. 12/5416 en 12/6247 en 13/612, in de gedingen tussen:

[appellant sub 1] en [appellant sub 2]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 2 oktober 2012 heeft het college de vastgestelde tegemoetkoming aan [appellant sub 2] in de kosten van kinderopvang vanaf 30 april 2012 ingetrokken.

Bij besluit van 5 november 2012 heeft het college het door [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 9 oktober 2012 is [appellant sub 1] hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de hierdoor ontstane schuld aan het college en is een bedrag van € 1.179,07 aan teveel betaalde tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang van hem teruggevorderd.

Bij besluit van 23 januari 2013 is het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard.

Bij uitspraken van 9 juli 2013, voor zover hier van belang, heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] tegen het besluit van 5 november 2012 ingestelde beroep ongegrond verklaard en het door [appellant sub 1] tegen het besluit van 23 januari 2013 ingestelde beroep gegrond verklaard en de rechtsgevolgen van dit besluit in stand gelaten. Deze uitspraken zijn aangehecht.

Tegen deze uitspraken hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep (hierna: de CRvB).

Het college heeft schriftelijke uiteenzettingen gegeven.

De CRvB heeft zich bij uitspraak van 27 januari 2015, voor zover hier van belang, onbevoegd verklaard kennis te nemen van de hoger beroepen gericht tegen de aangevallen uitspraken voor zover deze betrekking hebben op de tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang.

De CRvB heeft de hoger beroepschriften ter verdere behandeling doorgezonden naar de Afdeling bij brieven van 23 augustus 2019.

[appellant sub 2] en [appellant sub 1] hebben op 4 juni 2020 een verzoek om schadevergoeding ingediend.

De Afdeling heeft de zaken ter zitting aan de orde gesteld op 12 juni 2020.

De Staat der Nederlanden heeft gereageerd op het verzoek om schadevergoeding.

Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    Het college heeft de uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (hierna: de bijstandsuitkering) aan [appellant sub 2] met ingang van 30 april 2012 ingetrokken, omdat zij sinds die datum een gezamenlijke huishouding voerde met [appellant sub 1] en dit niet bij het college had gemeld.

2.    De tegemoetkoming aan [appellant sub 2] in de kosten van kinderopvang is bij het besluit van 2 oktober 2012 met ingang van 30 april 2012 ingetrokken omdat [appellant sub 2] sindsdien niet meer tot de doelgroep van artikel 1.22 van de Wet kinderopvang (hierna: de Wko) behoorde en zij daarom op grond van artikel 2 van de Verordening Kinderopvang [appellant sub 1] geen aanspraak meer op die tegemoetkoming maakte.

[appellant sub 2] heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Het bezwaar is ongegrond verklaard bij het besluit van 5 november 2012.

3.    Bij afzonderlijk besluit heeft het college de teveel aan [appellant sub 2] betaalde tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang ten bedrage van € 1.179,07 van haar teruggevorderd. [appellant sub 2] heeft geen rechtsmiddel hiertegen aangewend.

4.    Bij het besluit van 9 oktober 2012 heeft het college gesteld dat [appellant sub 1] in de periode van 30 april 2012 tot 31 augustus 2012 met [appellant sub 2] samenwoonde, dat [appellant sub 1] daarom hoofdelijk aansprakelijk is voor de vordering en voormeld bedrag daarom ook van hem wordt teruggevorderd totdat de hele vordering is voldaan. [appellant sub 1] heeft bezwaar hiertegen gemaakt. Het college heeft het bezwaar bij het besluit van 23 januari 2013 deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard.

Uitspraken van de rechtbank

5.    De rechtbank heeft in de uitspraak van 9 juli 2013 met zaaknrs. 12/5416 en AMS/6247 het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit over de intrekking van de bijstandsuitkering ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft het college terecht de bijstandsuitkering van [appellant sub 2] ingetrokken per 30 april 2012, omdat is voldaan aan de voorwaarden voor een gezamenlijke huishouding en [appellant sub 2] de inlichtingenplicht heeft geschonden door het college niet in te lichten over de gezamenlijke huishouding.

Ook het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van 5 november 2012 over de intrekking van de tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang is in deze uitspraak ongegrond verklaard. Omdat [appellant sub 2] vanaf 30 april 2012 niet meer tot de doelgroep van de Wet werk en bijstand behoorde en niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij behoorde tot een van de overige categorieën van artikel 1.22 van de Wko, heeft het college terecht het recht van [appellant sub 2] op een tegemoetkoming in de kosten voor kinderopvang vanaf die datum ingetrokken, aldus de rechtbank.

6.    De rechtbank heeft in de uitspraak met zaaknr. 13/612 het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit van 23 januari 2013 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd wegens een motiveringsgebrek. Zij heeft overwogen dat het college ten aanzien van [appellant sub 1] niet zonder meer kon aannemen dat vanaf 30 april 2012 sprake was van een gezamenlijke huishouding en dat het college het bezwaar van [appellant sub 1] hiertegen ten onrechte onbesproken heeft gelaten.

De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Volgens de rechtbank heeft het college het door [appellant sub 2] verschuldigde bedrag ook terecht van [appellant sub 1] gevorderd op grond van artikel 59, tweede lid, van de Wet werk en bijstand (hierna: de WWB). De bijstandsuitkering en tegemoetkoming kinderopvang zijn terecht ingetrokken per 30 april 2012 en [appellant sub 1] heeft in de periode vanaf die datum tot 31 augustus 2012 een gezamenlijke huishouding met [appellant sub 2] gevoerd, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

7.    [appellant sub 2] en [appellant sub 1] betogen in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zij in de desbetreffende periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

Beoordeling hoger beroep

7.1.    De CRvB heeft in de uitspraak van 27 januari 2015 geoordeeld dat het college terecht heeft geconcludeerd dat [appellant sub 2] en [appellant sub 1] in de te beoordelen periode, van 30 april 2012 tot en met 14 september 2012, een gezamenlijke huishouding met elkaar hebben gevoerd en dat [appellant sub 2] dit in strijd met de op haar rustende inlichtingenplicht niet aan het college heeft gemeld. De CRvB heeft de uitspraken van de rechtbank over de intrekking van de bijstandsuitkering, in de zaak van [appellant sub 1] voor zover hij de uitspraak van de rechtbank heeft aangevallen, daarom bevestigd. Hiermee staat het besluit tot intrekking van de bijstandsuitkering van [appellant sub 2] in rechte vast.

Intrekking tegemoetkoming

7.2.    Op grond van artikel 2 van de Verordening heeft een ouder die behoort tot één van de categorieën, vermeld in artikel 22 van de Wko aanspraak op een tegemoetkoming van het college in de kosten van kinderopvang.

7.3.    Gelet op hetgeen onder 7.1 is overwogen, staat vast dat [appellant sub 2] vanaf 30 april 2012 tot en met 14 september 2012 niet meer behoorde tot de categorie van bijstandsgerechtigden. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant sub 2] verder niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij behoorde tot een van de overige categorieën van artikel 1.22 van de Wko. Omdat [appellant sub 2] met ingang van 30 april 2012 niet meer behoorde tot één van de categorieën van artikel 1.22 van de Wko, heeft het college terecht op grond van artikel 7 van de Verordening de tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang met ingang van die datum ingetrokken.

(Terug)vordering

7.4.    Ingevolge artikel 59, tweede lid, van de WWB, kunnen de kosten van de ten onrechte verleende bijstand mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden, indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar dit achterwege is gebleven omdat de belanghebbende de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17 van de WWB niet of niet behoorlijk is nagekomen.

Ingevolge het derde lid van dat artikel, zijn de in het eerste en tweede lid bedoelde personen hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van kosten van bijstand die worden teruggevorderd.

Deze bepaling is ingevolge artikel 1.38, tweede lid, van de Wko van overeenkomstige toepassing verklaard.

Ingevolge artikel 11 van de Verordening vordert het college het teveel uitbetaalde bedrag terug, indien na onderzoek blijkt dat een te hoog bedrag aan tegemoetkoming is uitbetaald.

7.5.    Het college heeft bij besluit een bedrag van € 1.179,07 aan teveel betaalde tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang teruggevorderd van [appellant sub 2]. [appellant sub 2] heeft geen rechtsmiddel tegen dat besluit aangewend.

7.6.    [appellant sub 1] heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 9 oktober 2012 dat strekt tot zijn hoofdelijke aansprakelijkstelling en vordering van dit bedrag van hem. De rechtbank heeft het bezwaar tegen dit besluit gegrond verklaard en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 23 januari 2013, en daarmee deze vordering, in stand gelaten. Aan de voorwaarden van artikel 59, tweede lid, van de WWB is voldaan. Deze bepaling is ingevolge artikel 1.38, tweede lid, van de Wko van overeenkomstige toepassing verklaard op de terugvordering van een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het college de teveel betaalde tegemoetkoming van € 1.179,07 ook van [appellant sub 1] heeft kunnen vorderen.

Het betoog faalt.

Overschrijding redelijke termijn

8.    [appellant sub 2] en [appellant sub 1] hebben op 4 juni 2020 een verzoek ingediend om schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).

9.    In reactie hierop heeft de Staat (de Raad voor de rechtspraak namens de minister van Justitie en Veiligheid) bij brief van 7 juli 2020 aangevoerd dat hij bereid is de schade wegens overschrijding van de redelijke termijn te betalen voor zover de CRvB kan worden verweten dat de hogerberoepschriften op 23 augustus 2019 zijn doorgezonden naar de Afdeling. De Staat heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de Afdeling over het verzoek om schadevergoeding.

9.1.    Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten, voor zover betrekking hebbend op schadevergoeding, in werking getreden. Ingevolge artikel IV, eerste lid, van deze wet, blijft het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing op schade, veroorzaakt door een besluit dat werd bekendgemaakt of een handeling die werd verricht voor het tijdstip waarop deze wet voor dat besluit of die handeling in werking is getreden.

Omdat het verzoek van [appellant sub 2] en [appellant sub 1] om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in dit geval betrekking heeft op procedures ten aanzien van besluiten die vóór 1 juli 2013 zijn bekendgemaakt, is hierop het recht van toepassing zoals dat gold tot die datum. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2815), kan artikel 8:73, eerste lid, van de Awb bij het ontbreken van een wettelijke regeling voor verzoeken om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, naar analogie worden toegepast.

9.2.    De vraag of de redelijke termijn is overschreden wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene.

9.3.    Op deze zaak is niet de gewijzigde rechtspraak, zoals die is neergelegd in de uitspraak van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, van toepassing, omdat de primaire besluiten vóór 1 februari 2014 bekend zijn gemaakt. Op deze zaak worden de termijnen toegepast die de Afdeling vóór die uitspraak hanteerde. Voor zaken die uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties bestaan is in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vijf jaar redelijk, waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste één jaar mag duren, de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar mag duren en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren.

9.4.    Vanaf de ontvangst door het college op 9 oktober 2012 van het bezwaarschrift van [appellant sub 2] tegen het besluit van 2 oktober 2012 en op 17 oktober 2012 van het bezwaarschrift van [appellant sub 1] tegen het besluit van 9 oktober 2012 tot de datum van deze uitspraak zijn zeven jaren en ruim tien maanden verstreken. Dit betekent dat de redelijke termijn is overschreden met twee jaar en tien maanden. Nu de als redelijk aan te merken termijn voor de behandeling van het bezwaar en het beroep van één en twee jaar niet zijn overschreden, is de overschrijding geheel toe te rekenen aan de behandeling in hoger beroep. De overschrijding is met name  veroorzaakt door de omstandigheid dat de stukken per abuis niet kort na de uitspraak van de CRvB van 27 januari 2015 maar eerst op 23 augustus 2019 naar de Afdeling zijn doorgezonden. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding kunnen rechtvaardigen.

9.5.    Uitgaande van een forfaitair tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt het aan [appellant sub 2] en [appellant sub 1] elk toe te kennen bedrag € 3.000,00.

De omstandigheid dat een aantal belanghebbenden samen een procedure voert of zaken van verschillende belanghebbenden gezamenlijk zijn behandeld kan een zodanig matigende invloed hebben op de spanning, het ongemak en de onzekerheid die worden ondervonden door een te lang durende procedure, dat dit een reden kan vormen om de wegens schending van de redelijke termijn toe te kennen schadevergoeding te matigen. Bij dit laatste blijft voorop staan dat iedere belanghebbende een zelfstandig recht op schadevergoeding heeft (arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252).

In dit geval zijn de hogerberoepschriften van [appellant sub 2] en [appellant sub 1], die over hetzelfde onderwerp gaan, gelijktijdig ingediend door hun gemachtigde en gezamenlijk behandeld. Dit heeft naar het oordeel van de Afdeling een matigende invloed gehad op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die zij hebben ondervonden vanwege de te lang durende procedure. Door de gezamenlijke behandeling hebben zij de voor- en nadelen ervan kunnen delen. De Afdeling zal daarom de schadevergoeding matigen in die zin dat aan ieder een bedrag van € 1.500,00 wordt toegekend, zodat de schadevergoeding in totaal € 3.000,00 bedraagt.

9.6.    De Afdeling zal met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73, eerste lid, van de Awb de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie) veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.500,00 aan zowel [appellant sub 2] als [appellant sub 1] als vergoeding van de door hen geleden immateriële schade als gevolg van de schending van de redelijke termijn.

Conclusie

10.    De hoger beroepen zijn ongegrond. De uitspraken van de rechtbank, voor zover deze betrekking hebben op de tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang, en ten aanzien van de uitspraak in zaak nr. 13/612 voor zover deze door [appellant sub 1] is aangevallen, dienen te worden bevestigd.

11.    Het verzoek van [appellant sub 2] en [appellant sub 1] om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen.

12.    De Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie) dient op na te melden wijze te worden veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die [appellant sub 2] en [appellant sub 1] hebben gemaakt in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding. Deze kosten bestaan uit het indienen van het verzoekschrift. De Afdeling zal bij de berekening de wegingsfactor 0,5 (licht) hanteren.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de uitspraken van de rechtbank, voor zover deze betrekking hebben op de tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang en, ten aanzien van de uitspraak in zaak nr. 13/612, voor zover aangevallen;

II.    veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) om aan [appellant sub 1] te betalen een vergoeding van € 1.500,00 (zegge: vijftienhonderd euro);

III.    veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) om aan S.D. [appellant sub 2] te betalen een vergoeding van € 1.500,00 (zegge: vijftienhonderd euro);

IV.    veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van bij [appellant sub 1] en [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 262,50 (zegge: tweehonderdtweeënzestig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A. de Vlieger-Mandour, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2020

615.

 

BIJLAGE

 

Wet werk en bijstand

Artikel 5

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. bijstand: algemene en bijzondere bijstand;

b. algemene bijstand: de bijstand ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan;

c. bijstandsnorm: de op grond van paragraaf 3.2, op de belanghebbende van toepassing zijnde norm, vermeerderd of verminderd met de op grond van paragraaf 3.3, door het college vastgestelde verhoging of verlaging;

d. bijzondere bijstand: de bijstand, bedoeld in artikel 35, en de langdurigheidstoeslag, bedoeld in artikel 36;

e. voorliggende voorziening: elke voorziening buiten deze wet waarop de belanghebbende of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen, ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven.

Artikel 35

1. Onverminderd paragraaf 2.2, heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.

Artikel 59

1. Onverminderd artikel 58 kunnen kosten van bijstand, indien de bijstand aan een gezin wordt verleend, van alle gezinsleden worden teruggevorderd.

2. Indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in artikel 17, of artikelen [lees: artikel] 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet of niet behoorlijk is nagekomen, kunnen de kosten van bijstand mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in paragraaf 3.4, bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.

3. De in het eerste en tweede lid bedoelde personen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van kosten van bijstand die worden teruggevorderd.

Wet kinderopvang

Artikel 1.6

1. Een ouder heeft voor een berekeningsjaar aanspraak op een kinderopvangtoeslag, indien de ouder in dat jaar:

a. tegenwoordige arbeid verricht waaruit inkomen uit werk en woning in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt genoten,

b. zonder enige vergoeding arbeid verricht in de onderneming van de partner in de zin van artikel 3.78 van de Wet inkomstenbelasting 2001,

c. algemene bijstand of een uitkering ontvangt op grond van de Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of de Algemene nabestaandenwet, en gebruik maakt van een voorziening, gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de Wet werk en bijstand, artikel 34, eerste lid, onder a, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 34, eerste lid, onder a, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, die de noodzaak tot kinderopvang met zich brengt,

d. (…),

e. de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, scholing of een opleiding volgt en met toepassing van artikel 16 of artikel 18, eerste en vierde lid, van de Wet werk en bijstand algemene bijstand ontvangt of kan ontvangen,

f. als niet-uitkeringsgerechtigde werkzoekende is geregistreerd bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, en gebruik maakt van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de Wet werk en bijstand,

g. een inburgeringsvoorziening volgt als bedoeld in artikel 19 van de Wet inburgering, met uitzondering van de ouder die op grond van de onderdelen c of h van dit artikellid een tegemoetkoming ontvangt,

h. recht heeft op of een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk II van de Werkloosheidswet, en blijkens de bijlage of het plan, bedoeld in artikel 29, tweede lid, van die wet, deelneemt aan een traject gericht op het vergroten van de mogelijkheden tot inschakeling in het arbeidsproces of onbeloonde werkzaamheden op een proefplaats als bedoeld in artikel 76a van die wet bij een werkgever verricht,

i. recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, arbeidsondersteuning op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten of een uitkering op grond van hoofdstuk 7 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of recht heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet:

(…)

j. is ingeschreven bij een school of instelling als bedoeld in paragraaf 2.2 of 2.4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdragen en schoolkosten dan wel als bedoeld in de artikelen 2.8 tot en met 2.11 van de Wet studiefinanciering 2000.

(…)

Artikel 1.22

1. Een ouder heeft in een berekeningsjaar aanspraak op een tegemoetkoming van de gemeente:

a. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is die een uitkering ontvangt en gebruik maakt van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onder c of e, of als niet-uitkeringsgerechtigde gebruik maakt van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onder f, voor wie het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, of derde lid, tweede zin, van de Wet werk en bijstand, artikel 34, eerste lid, onder a, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, artikel 34, eerste lid, onder a, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, of artikel 30a, derde lid, onder a, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, verantwoordelijk is voor het ondersteunen bij arbeidsinschakeling;

b. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onder g, j, k of l;

c. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld onder a of b, en zijn partner in dat jaar een persoon die in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland woont en een uitkering ontvangt als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onder c of e, en gebruik maakt van een in één van die onderdelen bedoelde voorziening gericht op arbeidsinschakeling, voor wie het college van burgemeester en wethouders op grond van de wetten, genoemd onder a, verantwoordelijk is voor het ondersteunen bij arbeidsinschakeling, of een daarmee vergelijkbare uitkering respectievelijk voorziening, vastgesteld krachtens de wetgeving van een andere lidstaat of Zwitserland, of voor zover de partner in dat jaar een persoon is als bedoeld onder b;

d. voor zover de ouder in dat jaar een persoon als bedoeld onder a of b, en zijn partner in dat jaar een persoon die in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland woont en een uitkering ontvangt als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onder h of i, en gebruik maakt van een in één van die onderdelen bedoelde voorziening gericht op arbeidsinschakeling, voor wie het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verantwoordelijk is voor het ondersteunen bij arbeidsinschakeling of een daarmee vergelijkbare uitkering respectievelijk voorziening, vastgesteld krachtens de wetgeving van een andere lidstaat of Zwitserland;

e. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld in artikel 1.29, eerste lid, onder a, en zijn partner in dat jaar een persoon als bedoeld onder c;

f. voor zover de ouder in dat jaar een persoon als bedoeld onder a of b, en zijn partner in dat jaar een persoon die in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland woont en in Nederland of op het continentaal plat, in een andere lidstaat of in Zwitserland arbeid verricht;

g. voor zover de ouder in dat jaar een persoon is als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onder a, en zijn partner in dat jaar een persoon als bedoeld onder c.

2. Aanspraak op een tegemoetkoming van de gemeente heeft eveneens een ouder, voor zover de ouder in een berekeningsjaar een persoon is als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onder a, en algemene bijstand ontvangt op grond van de Wet werk en bijstand en, indien hij een partner heeft, voor zover zijn partner een persoon is die in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland woont en in Nederland of op het continentaal plat, in een andere lidstaat of in Zwitserland arbeid verricht en algemene bijstand ontvangt op grond van de Wet werk en bijstand of een daarmee vergelijkbare uitkering, vastgesteld krachtens de wetgeving van een andere lidstaat of Zwitserland.

(…)

4. Een persoon als bedoeld in het eerste lid, onder a of b, heeft slechts aanspraak op een tegemoetkoming, indien hij geen partner heeft.

Artikel 1.38

1. Bedragen door een ouder of diens partner in het kader van deze wet verschuldigd aan de gemeente worden ingevorderd door het college van burgemeester en wethouders. Een bedrag is invorderbaar vanaf een maand na de dag van dagtekening van de beschikking waarbij de vordering is ontstaan.

2. De artikelen 58 tot en met 60 van de Wet werk en bijstand zijn van overeenkomstige toepassing.

Wijziging van de Wko

Bij de wet van 7 juli 2010 tot wijziging van de Wko, de Wet op het onderwijstoezicht, de Wet op het primair onderwijs en enkele andere wetten in verband met wijzigingen in het onderwijsachterstandenbeleid (Stb. 2010, 296) zijn de artikelen 1 tot en met 89 van de Wko vernummerd tot 1.1 tot en met 1.89.

Verordening Kinderopvang [appellant sub 1]

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

a. het college: het College van Burgemeester en Wethouders;

b. de wet: de Wet kinderopvang;

(…)

Artikel 2 Wie er een tegemoetkoming kan aanvragen.

Een ouder die behoort tot één van de categorieën, vermeld in artikel 22 van de wet, heeft aanspraak op een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang, voor zover deze plaatsvindt in een kindercentrum of met inschakeling van een gastouderbureau, onder de in deze verordening vermelde voorwaarden.

Artikel 7 Intrekking van de vaststelling

Vaststelling van de tegemoetkoming wordt ingetrokken, zodra de ouder niet meer behoort tot een van de categorieën, vermeld in artikel 22 van de wet, of als de opvang niet meer plaatsvindt in een geregistreerd kindercentrum of met behulp van een geregistreerd gastouderbureau.

Artikel 11 Terugvordering van de tegemoetkoming

Indien na onderzoek blijkt dat een te hoog bedrag aan tegemoetkoming is uitbetaald, herziet het college het besluit tot vaststelling en vordert het teveel uitbetaalde bedrag terug.