Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2039

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-08-2020
Datum publicatie
26-08-2020
Zaaknummer
201906354/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 november 2017 heeft de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport het verzoek van [appellant] om verwijdering dan wel afscherming van zijn persoonsgegevens op grond van artikel 36 van de Wet bescherming persoonsgegevens afgewezen. [appellant] is tandarts. Hij heeft de Inspectie voor de Gezondheidszorg, inmiddels de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, dat ressorteert onder het ministerie, in 2016 verzocht hem schriftelijk mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De minister heeft dat verzoek bij besluit van 25 mei 2016 ingewilligd en [appellant] een overzicht verstrekt van de hem betreffende persoonsgegevens, van de herkomst van die gegevens en van de ontvangers van die gegevens. Op 14 juli 2017 heeft [appellant] de minister verzocht om het bij besluit van 25 mei 2016 verstrekte overzicht te actualiseren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBP 2020/98
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201906354/1/A3.

Datum uitspraak: 26 augustus 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 11 juli 2019 in zaak nr. 18/1190 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Procesverloop

Bij besluit van 9 november 2017 heeft de minister het verzoek van [appellant] om verwijdering dan wel afscherming van zijn persoonsgegevens op grond van artikel 36 van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) afgewezen.

Bij besluit van 14 maart 2018 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 juli 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 augustus 2020, waar de minister, vertegenwoordigd door L. Schleeper, is verschenen.

Overwegingen

1.    Het relevante juridische kader is opgenomen in een bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

2.    [appellant] is tandarts. Hij heeft de Inspectie voor de Gezondheidszorg, inmiddels de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: de Inspectie), dat ressorteert onder het ministerie, in 2016 verzocht hem schriftelijk mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De minister heeft dat verzoek bij besluit van 25 mei 2016 ingewilligd en [appellant] een overzicht verstrekt van de hem betreffende persoonsgegevens, van de herkomst van die gegevens en van de ontvangers van die gegevens.

2.1.    Op 14 juli 2017 heeft [appellant] de minister verzocht om het bij besluit van 25 mei 2016 verstrekte overzicht te actualiseren. Dat verzoek heeft de minister bij besluit van 22 augustus 2017 ingewilligd en hij heeft [appellant] een geactualiseerd overzicht verstrekt. In datzelfde verzoek van 14 juli 2017 heeft [appellant] de minister ook verzocht om verwijdering of afscherming van al zijn persoonsgegevens uit de diverse documenten die de Inspectie van tuchtcolleges heeft ontvangen over zaken waarin hij als klager optrad en over zaken waarin hij beklaagde was. Daarnaast heeft hij verzocht om verwijdering van zijn gegevens uit alle meldingen die hij heeft gedaan en alle vragen die hij heeft gesteld. Het verzoek gaat ook over de verwijdering van zijn persoonsgegevens uit documenten en rapporten, bijvoorbeeld uit inspectierapporten. Volgens [appellant] zijn de door de Inspectie verwerkte persoonsgegevens feitelijk onjuist, voor het doel of de doeleinden van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend dan wel worden deze gegevens anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift verwerkt.

2.2.    De minister heeft dit verzoek van [appellant] bij besluit van 22 augustus 2017 afgewezen. Volgens de minister zijn de bij de Inspectie geregistreerde persoonsgegevens niet feitelijk onjuist, zodat geen correctie kan worden aangebracht en de gegevens niet kunnen worden verwijderd. Verder is verwerking van deze gegevens volgens de minister noodzakelijk vanwege de uitvoering van de wettelijke taken van de Inspectie, te weten het houden van toezicht en het zo nodig handhaven van de wetten waarop de Inspectie toeziet. Daarmee vindt de verwerking volgens de minister plaats op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Wbp. Ten slotte is deze verwerking niet in strijd met een wettelijk voorschrift, aldus de minister.

2.3.    [appellant] heeft tegen het besluit van 22 augustus 2017 over het verzoek om verwijdering van zijn persoonsgegevens bezwaar gemaakt. Omdat het bezwaarschrift volgens de minister te laat is ingediend, heeft de minister dat bezwaar bij besluit van 2 november 2017 niet-ontvankelijk verklaard. [appellant] heeft bij brief van 5 oktober 2017 opnieuw verzocht om verwijdering dan wel afscherming van zijn persoonsgegevens.

De bestreden besluitvorming

3.    De minister heeft dit tweede verzoek van 5 oktober 2017 bij zijn besluit van 9 november 2017 onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) afgewezen. Hij heeft vastgesteld dat het tweede verzoek van [appellant] vrijwel gelijkluidend is aan het eerste verzoek van 14 juli 2017 en dat [appellant] zich niet met een redelijke tussenpoos opnieuw tot de minister heeft gewend met zijn tweede verzoek.

3.1.    Bij besluit van 14 maart 2018 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Volgens de minister heeft [appellant] met de enkele stelling dat hem betreffende persoonsgegevens zijn achtergehouden en dat hij via klokkenluiders een aantal documenten alsnog in bezit zou hebben gekregen, geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden gemeld. Daarbij komt dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze feiten of veranderde omstandigheden niet konden worden aangevoerd vóór het eerdere besluit van 22 augustus 2017.

Aangevallen uitspraak

4.    De rechtbank heeft het beroep van [appellant] tegen het besluit van 14 maart 2018 ongegrond verklaard. Zij heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de mededeling van de minister dat hij de door [appellant] genoemde documenten niet in het datasysteem van de Inspectie heeft aangetroffen. [appellant] heeft gelet hierop geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden gemeld, als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de afwijzing van het verzoek van [appellant] tot verwijdering dan wel afscherming van zijn persoonsgegevens niet evident onredelijk is. Zij heeft de minister gevolgd in zijn standpunt dat verwerking van de in uitspraken van de tuchtcolleges vermelde persoonsgegevens noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de wettelijke taken van de Inspectie. De minister heeft bovendien niet in strijd gehandeld met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), omdat dit artikel niet van toepassing is, aldus de rechtbank.

Het geschil in hoger beroep

5.    [appellant] is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank. In zijn hogerberoepschrift betoogt hij dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft gemeld, dat de verwerking van de gegevens noodzakelijk is voor de uitvoering van de wettelijke taak van de Inspectie en dat artikel 6 van het EVRM niet van toepassing is. Voor de beoordeling van deze hogerberoepsgronden is het volgende kader van belang.

i.    Beoordelingskader

5.1.    Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is de Algemene verordening gegevensbescherming op 25 mei 2018 van toepassing geworden en de Wbp ingetrokken. Omdat de besluiten in deze zaak vóór deze dag zijn genomen, blijft de Wbp in deze zaak van toepassing.

5.2.    Verder heeft de rechtbank terecht onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Afdeling overwogen dat het bestuursorgaan er voor kan kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, de herhaalde aanvraag af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit. Als het bestuursorgaan toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, dan toetst de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid, of het bestuursorgaan zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als de bestuursrechter tot dat oordeel komt, dan kan dat een afwijzing van de aanvraag in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag evident onredelijk is (zie de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3131).

5.3.    De Afdeling zal, gelet op dit kader aan de hand van de hogerberoepsgronden beoordelen of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat [appellant] geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft gemeld en, indien dat oordeel terecht is, of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de afwijzing van het verzoek van [appellant] niet evident onredelijk is.

ii.    Nieuwe feiten of veranderde omstandigheden?

6.    [appellant] stelt zich in zijn hogerberoepschrift op het standpunt dat hij nieuwe feiten en veranderde omstandigheden heeft gemeld en dat daaruit duidelijk blijkt dat een inspecteur van de Inspectie zich veel te diep heeft ingelaten met belangenbehartigers door deel te nemen aan geheime vergaderingen over zijn persoon. Was dat niet het geval, dan zou de minister volgens [appellant] zonder problemen de notulen van de vergaderingen van het College van Adviserend Tandartsen (hierna: CAT) over zijn persoon moeten kunnen overleggen. De minister heeft deze notulen over een periode van 2014 - 2016 volgens [appellant] in zijn bezit, omdat de desbetreffende inspecteur aan de vergaderingen heeft deelgenomen. [appellant] heeft ter ondersteuning van dit standpunt in hoger beroep een e-mail overgelegd die betrekking heeft op een te houden vergadering van het CAT.

6.1.    Vast staat dat [appellant] met het verzoek van 5 oktober 2017, dat nagenoeg gelijkluidend is aan het verzoek van 14 juli 2017, een herhaalde aanvraag heeft gedaan en dat hij daarom op grond van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Volgens [appellant] bestaan, anders dan de minister stelt, meer documenten waarin zijn persoonsgegevens worden verwerkt, dan in het overzicht bij het eerdere besluit van 22 augustus 2017 zijn vermeld. De minister heeft zich hierover herhaaldelijk op het standpunt gesteld dat hij de door [appellant] genoemde documenten niet heeft aangetroffen in het datasysteem (WPM) van de Inspectie. De Afdeling ziet, evenals de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan deze verklaring van de minister. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen dient degene die stelt dat er meer persoonsgegevens moeten zijn, nadat het bestuursorgaan onderzoek naar die persoonsgegevens heeft gedaan en niet ongeloofwaardig heeft medegedeeld dat er niet meer persoonsgegevens zijn, aannemelijk te maken dat er wel meer persoonsgegevens dienen te zijn (zie bijvoorbeeld overweging 5.1 van de uitspraak van 5 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:352). Naar het oordeel van de Afdeling is [appellant] daar niet in geslaagd. In de e-mail, die [appellant] overigens pas in hoger beroep heeft overgelegd, staat weliswaar dat een brief van [appellant] voor een vergadering van het CAT zou worden geagendeerd, maar daarmee is nog niet gezegd dat de minister de notulen van die vergadering van het CAT in zijn bezit heeft. Uit de door [appellant] overgelegde e-mail volgt evenmin dat de Inspectie de desbetreffende vergadering heeft bijgewoond.

iii.    Evident onredelijke afwijzing?

7.    [appellant] voert verder aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de verwerking van persoonsgegevens noodzakelijk is. Volgens [appellant] valt niet in te zien dat het voor de Inspectie noodzakelijk is om persoonsgegevens te verwerken uit een uitspraak van een tuchtcollege, waarin de beklaagde niets valt te verwijten. Dat de Inspectie op de hoogte is van de meest actuele rechtspraak van de tuchtcolleges is begrijpelijk, maar volgens [appellant] is daarvoor niet noodzakelijk om privacygevoelige gegevens van een zorgverlener te verwerken. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, kent het tuchtrecht bestraffende sancties en is artikel 6 van het EVRM van toepassing. Dat hij nog niet te maken heeft gekregen met een bestraffende sanctie, sluit de mogelijkheid niet uit dat misbruik wordt gemaakt van privacygevoelige informatie en dit alsnog kan leiden tot het onterecht opleggen van een bestraffende sanctie, aldus [appellant].

7.1.    Net als de rechtbank, is de Afdeling van oordeel dat de afwijzing van het tweede verzoek van [appellant] van 5 oktober 2017 niet evident onredelijk is. Van de eindbeslissingen van het regionaal tuchtcollege en van de eindbeslissingen van het centraal tuchtcollege wordt op grond van artikel 72, eerste lid, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 74, tweede lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: Wet BIG) binnen een week na de uitspraak daarvan een afschrift gezonden aan de inspecteur. Reden daarvoor is, zo volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van die bepalingen (Kamerstukken II 1985/86, 19 522, nr. 3, p. 133), dat op grond van artikel 73, eerste lid, van de Wet BIG niet alleen de klager en degene over wie is geklaagd hoger beroep kunnen instellen, maar ook de inspecteur. Anders dan [appellant] stelt, heeft de rechtbank daarom terecht geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat verwerking van de in de eindbeslissingen van de tuchtcolleges vermelde persoonsgegevens noodzakelijk is in verband met de toezichthoudende taak van de inspectie, als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder e, van de Wbp. De rechtbank heeft eveneens terecht geoordeeld dat artikel 6, tweede lid, van het EVRM toepassing mist. De minister heeft daarbij gewezen op vaste rechtspraak van het centraal tuchtcollege, waaruit volgt dat het in de Wet BIG geregelde tuchtrecht tot het disciplinaire recht wordt gerekend en de op grond van de Wet BIG op te leggen maatregelen niet aangemerkt kunnen worden als strafrechtelijk van karakter.

Slotsom

8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Grimbergen, griffier.

w.g. Borman    w.g. Grimbergen

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2020

581.

 

BIJLAGE

 

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

Artikel 6

[…].

2. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.

[…].

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 4:6

1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

Wet bescherming persoonsgegevens

Artikel 8

Persoonsgegevens mogen slechts worden verwerkt indien:

[…].

e. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak door het desbetreffende bestuursorgaan dan wel het bestuursorgaan waaraan de gegevens worden verstrekt,

[…].

Artikel 35

1. De betrokkene heeft het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De verantwoordelijke deelt de betrokkene schriftelijk binnen vier weken mee of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.

2. Indien zodanige gegevens worden verwerkt, bevat de mededeling een volledig overzicht daarvan in begrijpelijke vorm, een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens.

[…].

4. Desgevraagd doet de verantwoordelijke mededelingen omtrent de logica die ten grondslag ligt aan de geautomatiseerde verwerking van hem betreffende gegevens.

Artikel 36

1. Degene aan wie overeenkomstig artikel 35 kennis is gegeven van hem betreffende persoonsgegevens, kan de verantwoordelijke verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen, of af te schermen indien deze feitelijk onjuist zijn, voor het doel of de doeleinden van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan wel anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.

2. De verantwoordelijke bericht de verzoeker binnen vier weken na ontvangst van het verzoek schriftelijk of dan wel in hoeverre hij daaraan voldoet. Een weigering is met redenen omkleed.

[…].

Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg

Artikel 72

1. Van de eindbeslissing van het regionale tuchtcollege wordt, binnen een week na de uitspraak daarvan, een afschrift gezonden aan:

[…];

c. de inspecteur;

[…].

Artikel 74

[…].

2. Op de behandeling in beroep zijn de artikelen […] tot en met 72 van overeenkomstige toepassing.

[…].