Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2022

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-08-2020
Datum publicatie
26-08-2020
Zaaknummer
201906522/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 april 2019 heeft de raad van de gemeente Leiderdorp het bestemmingsplan "Hoofdstraat Does" gewijzigd vastgesteld. Het plan voorziet in de realisatie van een twee-onder-één-kapwoning, een vrijstaande woning, een brugwachtersonderkomen, zes parkeerplaatsen en een haventje voor twee boten aan de Hoofdstraat, naast de Doesbrug, te Leiderdorp. De twee-onder-één-kapwoning komt aan de Hoofdstraat te staan. De vrijstaande woning komt daarachter. Op het terrein tussen deze woningen worden vier parkeerplaatsen voor de woningen aangelegd. Twee van de drie woningen hebben daarnaast een parkeerplaats op het eigen perceel in de vorm van een carport. Het terrein is te bereiken via een toerit, gelegen tussen de twee-onder-één-kapwoning en de bestaande woning op het perceel [locatie 1]. [appellant] en anderen verzetten zich tegen dit plan, onder meer omdat er onvoldoende rekening is gehouden met de verhoging van de parkeerdruk en de gevolgen voor de verkeersveiligheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201906522/1/R3.

Datum uitspraak: 26 augustus 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, wonend te Leiderdorp,

en

de raad van de gemeente Leiderdorp,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 1 april 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "Hoofdstraat Does" gewijzigd vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 augustus 2020, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant A] en [appellant B], en de raad, vertegenwoordigd door D.B. van der Pol, zijn verschenen. Ter zitting is ook verschenen [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde].

Overwegingen

Inleiding

1.    Het plan voorziet in de realisatie van een twee-onder-één-kapwoning, een vrijstaande woning, een brugwachtersonderkomen, zes parkeerplaatsen en een haventje voor twee boten aan de Hoofdstraat, naast de Doesbrug, te Leiderdorp.

    De twee-onder-één-kapwoning komt aan de Hoofdstraat te staan. De vrijstaande woning komt daarachter. Op het terrein tussen deze woningen worden vier parkeerplaatsen voor de woningen aangelegd. Twee van de drie woningen hebben daarnaast een parkeerplaats op het eigen perceel in de vorm van een carport. Het terrein is te bereiken via een toerit, gelegen tussen de twee-onder-één-kapwoning en de bestaande woning op het perceel [locatie 1].

2.    [appellant] en anderen verzetten zich tegen dit plan, onder meer omdat er onvoldoende rekening is gehouden met de verhoging van de parkeerdruk en de gevolgen voor de verkeersveiligheid.

Toetsingskader

3.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Ontvankelijkheid

4.    [appellant], [appellant B], [appellant C], [appellant D] en [appellant A] hebben, bij de Afdeling ingekomen op 28 augustus 2018, een beroepschrift ingediend. In dat beroepschrift is vermeld dat het wordt ingediend mede namens alle bewoners die zijn vermeld op de handtekeningenlijst die bij de zienswijze is gevoegd en door de bewoners van [locatie 2].

4.1.    In artikel 6:4, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is bepaald dat het instellen van beroep bij een bestuursrechter geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij die rechter. Ingevolge artikel 8:24, eerste lid, van de Awb kunnen partijen zich door een gemachtigde laten vertegenwoordigen. Indien een beroep is ingesteld bij de Afdeling kan zij krachtens artikel 8:24, tweede lid, van de gemachtigde, niet zijnde een advocaat, een schriftelijke machtiging verlangen. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef, en onder d, van de Awb wordt een beroepschrift ondertekend en bevat het de gronden van het beroep. Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb of enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, kan het beroep ingevolge artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

4.2.    Omdat het beroepschrift niet was ondertekend, heeft de Afdeling [appellant] en anderen bij brief van 29 augustus 2019 in de gelegenheid gesteld het beroepschrift te ondertekenen en aan de Afdeling retour te zenden. De Afdeling heeft [appellant] en anderen ook in de gelegenheid gesteld om een ondertekende verklaring van degenen die worden vertegenwoordigd toe te zenden. In de brief is vermeld dat, indien niet van deze gelegenheid gebruik wordt gemaakt, er rekening mee moet worden gehouden dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.

4.3.    Het beroepschrift is vervolgens ondertekend door [appellant A] en aan de Afdeling retour gezonden. Daarbij is gevoegd een verklaring van [appellant], [appellant B] en [appellant D] dat zij [appellant A] machtigen om als hun vertegenwoordiger op te treden in deze beroepsprocedure.

    Er zijn geen machtigingen of andere stukken overgelegd waaruit blijkt dat [appellant A] door [appellant C], de bewoners van [locatie 2] en de personen die op de bij de zienswijze behorende handtekeningenlijst staan, anders dan [appellant], [appellant B] en [appellant D], is gemachtigd om het beroep in te stellen. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de vertegenwoordiger in verzuim is geweest.

    Dit betekent dat het beroep, voor zover ingesteld door [appellant C], de bewoners van [locatie 2] en de personen die op de bij de zienswijze behorende handtekeningenlijst staan, anders dan [appellant A], [appellant], [appellant B] en [appellant D], daarom niet-ontvankelijk is.

5.    [appellant], [appellant B], [appellant D] en [appellant A] zullen hierna tezamen worden aangeduid als [appellant] en anderen.

Beoordeling van het beroep

6.    [appellant] en anderen betogen dat de raad zich niet heeft ingeleefd in de bezwaren die bij buurtbewoners tegen het plan bestonden en dat er geen constructief overleg heeft plaatsgevonden. De communicatie en de participatie is onzorgvuldig verlopen, aldus [appellant] en anderen.

6.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat een door [appellant] en anderen bedoeld overleg geen onderdeel uitmaakt van de procedure als bedoeld in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro). Volgens de raad is er veel energie gestoken in het verkrijgen van draakvlak en is er op diverse momenten op uiteenlopende manieren overleg geweest. De raad wijst er in dit verband nog op dat het plan naar aanleiding van bezwaren op verschillende punten is aangepast.

6.2.    Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 17 januari 2019 tot en met 27 februari 2019 ter inzage gelegen. [appellant] en anderen wijzen op de pogingen die zij in 2017 en 2018 hebben ondernomen om overleg te voeren over de plannen met betrekking tot de nieuwbouw aan de Hoofdstraat bij de Doesbrug. Het bieden van inspraak voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan maakt echter geen onderdeel uit van de in de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Het niet bieden van inspraak in deze fase heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd, wat daar ook van zij, geen grond voor het oordeel dat het plan tot stand is gekomen in strijd met procedurele regels voor het vaststellen van het voorliggende plan.

    Het betoog faalt.

7.    [appellant] en anderen betogen dat het plan tot verkeersonveilige situaties zal leiden. Zij voeren hiertoe aan dat het plan extra verkeersbewegingen met zich meebrengt. Zij voeren verder aan dat de toekomstige bewoners van de nieuwe woningen geen zicht hebben op het verkeer en voetgangers op de Hoofdstraat, als zij met hun auto de Hoofdstraat willen oprijden. De twee-onder-één-kapwoning staat zo dicht op de weg, dat deze het zicht op die weg blokkeert. Door de ligging van de Hoofdstraat is er ook geen zicht de andere kant op. Zij wijzen erop dat de Hoofdstraat een smalle weg is, auto's elkaar niet kunnen passeren en de weg ook veel wordt gebruikt door fietsers.

7.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het plan vanuit verkeersveiligheidsoogpunt acceptabel is.

    De raad wijst er in dit verband in de plantoelichting op dat de verkeersdruk op de Hoofdstraat als gevolg van de ontwikkeling zal toenemen met 23,4 motorvoertuigen per etmaal. Hij heeft bij het bepalen hiervan gebruik gemaakt van de kencijfers over verkeersgeneratie van de CROW. Deze toename is volgens de raad dermate gering dat er geen problemen wat betreft de verkeersafwikkeling worden verwacht.

    De raad wijst er in de Zienswijzennota verder op dat de beoogde woningen aan de Hoofdstraat in dezelfde lijn zijn gepositioneerd als de huidige woningen aan die straat. Er is geen verspringing in de bouwlijn, aldus de raad. De Hoofdstraat is een verblijfsgebied waarbij de Hoofdstraat is gecategoriseerd als een erftoegangsweg met een maximum snelheid van 30 km per uur. Vanwege dit karakter is het autoverkeer vooral bestemmingsverkeer. De toerit biedt toegang tot de carport van het nieuwe gebouw en tot de parkeerplaatsen op eigen terrein. De toerit is voldoende breed, zodat auto's van en naar de parkeerplaatsen voldoende zicht hebben op de voetgangers op het trottoir en het verkeer op de Hoofdstraat. De raad wijst erop dat de auto die gebruik maakt van de carport beperkt zicht heeft op verkeer komende vanaf de Doesbrug, waarbij het vooral gaat om het zicht op voetgangers die op het trottoir lopen langs de nieuwe woningen en vanaf de brug komen. Vanwege het verblijfskarakter van de weg en de oude lintbebouwing zal het verkeer met een gematigde snelheid rijden. Dit geldt met name voor de auto die de carport in-/uitrijdt, aangezien deze een scherpe haakse bocht dient te maken op een smal gedeelte van de Hoofdstraat. Gezien de lage snelheden en het verblijfskarakter zijn verkeersdeelnemers zich bewust van de situatie en zullen ze zich hiernaar gedragen, aldus de raad.

7.2.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gevolgen van het plan voor de verkeersveiligheid niet zodanig zijn dat het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling overweegt in dit verband dat [appellant] en anderen niet gemotiveerd hebben bestreden dat als gevolg van de ontwikkeling van het plan het verkeer met 23,4 motorvoertuigen per etmaal zal toenemen. De enkele stelling ter zitting dat de toename veel groter is, acht de Afdeling onvoldoende. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad een toename met 23,4 voertuigen per etmaal in redelijkheid als een geringe toename mogen aanmerken. De Afdeling overweegt verder dat de raad aannemelijk heeft gemaakt dat, gelet op de breedte van de toerit, bestuurders die van de toerit de Hoofdstraat oprijden voldoende zicht hebben op voetgangers, fietsers en motorvoertuigen in Hoofdstraat. Een bestuurder die gebruikt maakt van de parkeerplaats onder de carport heeft volgens de raad weliswaar beperkt zicht op het verkeer komend vanaf de Doesbrug, maar de raad heeft aannemelijk gemaakt dat vanwege het verblijfskarakter van de weg en de situering van de bestaande bebouwing, het verkeer, en ook een bestuurder die zijn auto parkeert onder de carport, normaal gesproken met gematigde snelheid zal rijden. De Afdeling overweegt in dit verband nog dat het college van burgemeester en wethouders op 18 oktober 2019 een verkeersbesluit heeft genomen, waarbij in de Hoofdstaat, ter plaatse van het plangebied, eenrichtingsverkeer is ingesteld, hetgeen zorgt voor een verhoging van de verkeersveiligheid. Dat, zoals [appellant] en anderen ter zitting hebben aangevoerd, de in het bestemmingsplan voorziene ontwikkeling niet de reden vormde voor het college om het verkeersbesluit te nemen, doet daar niet aan af.

    Het betoog faalt.

8.    [appellant] en anderen betogen dat het plan leidt tot een onaanvaardbare toename van de parkeerdruk die in de bestaande situatie reeds hoog is. Zij voeren daartoe aan dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de parkeerbehoefte voor de brugwachter. Zij voeren verder aan dat twee van de zes voorziene parkeerplaatsen worden gecreëerd als carport bij twee van de drie woningen. Het plan moet een verplichting bevatten dat deze twee parkeerplaatsen ook daadwerkelijk als parkeerplaats in gebruik blijven, aldus [appellant] en anderen.

8.1.    In het bestemmingsplan wordt ervan uitgegaan dat voor de drie woningen waarin het plan voorziet, zes parkeerplaatsen nodig zijn. Deze parkeerplaatsen worden op eigen terrein gerealiseerd.

    De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de parkeervraag die ontstaat door de handmatige brugbediening in de bestaande situatie wordt opgevangen door de parkeerplaatsen die in de openbare publieke ruimte aanwezig zijn. De raad heeft er in dit verband nog op gewezen dat de bestaande parkeerplaatsen aan de Achthovenerweg met drie parkeerplaatsen zijn uitgebreid.

    De raad heeft naar aanleiding van de zienswijze van [appellant] en anderen over het in stand houden van de parkeerplaatsen onder de carport het bestemmingsplan aangepast. Aan de in artikel 13.1, onder b, van de planregels opgenomen voorwaardelijke verplichting dat een vergunning slechts wordt verleend indien is aangetoond dat er voldoende parkeerplaatsen zullen worden aangelegd, is toegevoegd dat deze parkeerplaatsen in stand moeten worden gehouden.

8.2.    De Afdeling stelt voorop dat het plan uitsluitend hoeft te voorzien in de parkeerbehoefte van de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt. Het plan hoeft geen bijdrage te leveren aan het oplossen van een bestaand parkeertekort in de Hoofdstraat en omgeving. Voor zover [appellant] en anderen ter zitting hebben gewezen op de bestaande hoge parkeerdruk en de bijdrage daaraan van de ontwikkeling op het perceel [locatie 3], gelegen vlakbij het plangebied, kunnen deze gronden reeds daarom niet slagen.

8.3.    De raad heeft naar aanleiding van de zienswijze de planregel met betrekking tot parkeren gewijzigd. [appellant] en anderen hebben in beroep niet aangevoerd dat de raad hiermee onvoldoende aan hun bezwaren tegemoet is gekomen. Aangezien [appellant] en anderen ook niet hebben bestreden dat in de bestaande situatie de brugwachter gebruik maakte van de parkeergelegenheid in de omgeving van het brugwachtersonderkomen, dat in de bestaande situatie de parkeervraag wordt opgevangen door de bestaande parkeergelegenheid en er bovendien drie nieuwe openbare parkeerplaatsen zijn gerealiseerd, ziet de Afdeling in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de raad er niet in redelijkheid van heeft kunnen uitgaan dat het plan niet zal leiden tot onaanvaardbare parkeeroverlast.

    Het betoog faalt.

9.    [appellant] en anderen betogen tot slot dat het plan stedenbouwkundig niet inpasbaar is. Zij voeren daartoe aan dat de verhouding met de andere panden in directe omgeving scheef is. Zij wijzen er op dat de welstandscommissie in het verleden negatief heeft geadviseerd over bouwplannen van omwonenden in verband met het bijzondere karakter van de Hoofdstraat. De in het bestemmingsplan toegestane mogelijkheden moeten daarom ook niet stedenbouwkundig inpasbaar worden geacht.

9.1.    De raad heeft zich in reactie op de zienswijze van [appellant] en anderen over de stedenbouwkundige inpassing op het standpunt gesteld dat met het initiatief ter plaatse ruimtelijk een kwaliteitsslag wordt gemaakt. Met deze invulling van het perceel wordt volgens de raad stedenbouwkundig aangesloten bij de opzet van het bebouwingslint ter plaatse. Het bebouwingslint bestaat uit een grote diversiteit aan woningtypen met verschillende bouw- en kapvormen. De goothoogte varieert van één (ongeveer 3 tot 4 meter) tot twee lagen (ongeveer 6 meter). Ook de bouwhoogte varieert van ongeveer 3 meter met een plat dak tot 10 meter met een kap. Nagenoeg alle woningen zijn georiënteerd op de straat. Het lint bestaat uit een aanéénschakeling van bebouwing met af en toe een tussenruimte bestaande uit entrees, zijtuinen dan wel parkeerruimte. Ter plaatse van de planlocatie ontstaat meer ruimte vanwege de ligging aan de Does en is er vrij zicht over deze watergang vanaf de Doesbrug. Met het aanhelen van het lint wordt het bestaande bebouwingslint ter plaatse op een stedenbouwkundig verantwoorde wijze afgerond. Daarbij wordt met de nieuwe bebouwing zowel qua verkavelingsopzet, rooilijn, massa als verschijningsvorm nauwkeurig aangesloten bij de bestaande lintbebouwing enerzijds en vormt die door zijn bouw- en goothoogte ruimtelijk een verantwoorde afronding op de hoek van de Hoofdstraat en de Does anderzijds. Met de voorgestelde positionering van de twee-onder-één-kapwoningen aan de Hoofdstraat is rekening gehouden met de tegenovergelegen woningen, zodat uitzicht langs de woningen mogelijk blijft, aldus de raad.

9.2.    [appellant] en anderen hebben in beroep het standpunt van de raad niet gemotiveerd bestreden. De stelling dat de welstandscommissie negatief heeft geadviseerd over bouwplannen van omwonenden vanwege het bijzondere karakter van de Hoofdstraat acht de Afdeling niet voldoende, alleen al omdat deze stelling niet is onderbouwd. De Afdeling is daarom van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorziene ontwikkeling stedenbouwkundig inpasbaar is in de omgeving.

    Het betoog faalt.

Conclusie

10.    Het beroep is ongegrond.

11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het mede is ingesteld door [appellant C], de bewoners van [locatie 2] te Leiderdorp en de personen die op de bij de zienswijze behorende handtekeningenlijst staan, anders dan [appellant A], [appellant], [appellant B] en [appellant D];

II.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.

w.g. Van Ravels    w.g. Pieters

lid van de enkelvoudige kamer        

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2020

473.