Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2021

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-08-2020
Datum publicatie
26-08-2020
Zaaknummer
201905920/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juni 2019 heeft het college vastgesteld dat op de [locatie 1] in Bladel een geval van ernstige bodemverontreiniging in het grondwater aanwezig is, waarvan spoedige sanering noodzakelijk is. In het bestreden besluit heeft het college vastgesteld dat ter hoogte van [locatie 1] in Bladel sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging in het grondwater en dat spoedige sanering daarvan noodzakelijk is. Met de sanering moet uiterlijk binnen vier jaar na inwerkingtreding van de beschikking worden begonnen. Binnen drie jaar moet er een saneringsplan aan het college ter goedkeuring worden voorgelegd. [appellant] is de eigenaar van het perceel kadastraal bekend gemeente Bladel, sectie [...], nummer [B], en is bij het bestreden besluit naast de eigenaar van het perceel kadastraal bekend gemeente Bladel, sectie [...], nummer [A], aangewezen als verantwoordelijke voor het opstellen van het saneringsplan en het uitvoeren van de sanering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2020/8333
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201905920/1/R1.

Datum uitspraak: 26 augustus 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2019 heeft het college vastgesteld dat op de [locatie 1] in Bladel een geval van ernstige bodemverontreiniging in het grondwater aanwezig is, waarvan spoedige sanering noodzakelijk is.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juli 2020, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.J.A. Verhagen, advocaat te Eindhoven, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.M.C. de Krosse-de Ridder en drs. A.H. Veldhoen, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    In het bestreden besluit heeft het college krachtens de artikelen 29 en 37 van de Wet bodembescherming vastgesteld dat ter hoogte van [locatie 1] in Bladel sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging in het grondwater en dat spoedige sanering daarvan noodzakelijk is. Met de sanering moet uiterlijk binnen vier jaar na inwerkingtreding van de beschikking worden begonnen. Binnen drie jaar na inwerkingtreding van de beschikking moet er een saneringsplan aan het college ter goedkeuring worden voorgelegd. Op de locatie zijn gebruiksbeperkingen van toepassing. In het bestreden besluit staat dat de percelen kadastraal bekend gemeente Bladel, sectie […], nummers [A] en [B], beide behorend tot het oorspronkelijke perceel [locatie 1], de bronpercelen van de grondwaterverontreiniging zijn. Tot het oorspronkelijke perceel [locatie 1] behoren ook de percelen kadastraal bekend gemeente Bladel, sectie […], nummers [C] en [D].

2.    [appellant] is de eigenaar van het perceel kadastraal bekend gemeente Bladel, sectie [...], nummer [B], en is bij het bestreden besluit naast de eigenaar van het perceel kadastraal bekend gemeente Bladel, sectie [...], nummer [A], aangewezen als verantwoordelijke voor het opstellen van het saneringsplan en het uitvoeren van de sanering.

3.    Het op deze zaak betrekking hebbend wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

Verantwoordelijkheid

4.    [appellant] voert aan dat onduidelijk is waarom hij verantwoordelijk wordt gehouden voor de verontreiniging, aangezien hij niet betrokken is geweest bij de geconstateerde verontreiniging. [appellant] wijst er in dit verband op dat het college heeft aangegeven dat de oorzaak van de verontreiniging is terug te voeren op de periode van 1965 tot 1997 en de verontreiniging vóór 1987 is ontstaan, terwijl hij pas in 2003 tezamen met zijn broer de eigendom van het perceel [locatie 1] heeft verkregen en hij sinds 2007 het perceel volledig in eigendom had. Vervolgens is het oorspronkelijke perceel behoudens sectie [...], nummer [B], in eigendom overgedragen aan derden.

4.1.    Het college erkent dat [appellant] niet de veroorzaker is van de verontreiniging en dat de verontreiniging al is ontstaan voordat [appellant] eigenaar werd van het perceel. Volgens het college moet [appellant] als huidig eigenaar van het perceel echter niettemin als verantwoordelijke worden aangemerkt, gezien de artikelen 55ab en 55b van de Wet bodembescherming.

4.2.    Het college heeft met juistheid overwogen dat uit artikel 55ab, eerste lid, en artikel 55b, eerste lid, van de Wet bodembescherming voortvloeit dat hoewel [appellant] de verontreiniging niet heeft veroorzaakt, hij als eigenaar van het perceel belast is met het uitvoeren van nader onderzoek en - bij een geval van ernstige verontreiniging dat met spoed moet worden gesaneerd - verplicht is de bodem te saneren. Weliswaar blijft de verplichting om nader onderzoek te verrichten en om te saneren ingevolge artikel 55ab, derde lid, onderscheidenlijk artikel 55b, derde lid, ook op de oorspronkelijke eigenaar rusten, maar ter zitting is naar voren gekomen dat de desbetreffende onderneming failliet is verklaard en niet meer valt te traceren.

    Het betoog faalt.

Verouderde gegevens?

5.    [appellant] voert aan dat het bestreden besluit is gebaseerd op verouderde gegevens, aangezien verwezen wordt naar het rapport "Nader Bodemonderzoek fase 2 [locatie 1] te Bladel", vastgesteld op 21 april 2000. Volgens [appellant] is dit rapport achterhaald door actuele onderzoeken.

5.1.    De Afdeling merkt op dat het besluit blijkens onderdeel 1 van de beschikking niet alleen steunt op het door [appellant] genoemde rapport uit 2000, maar ook op diverse andere rapporten en memo's. Een groot aantal daarvan is aanzienlijk recenter, namelijk uit 2015, 2016, 2017 en 2018. Zo zijn in 2015 en 2017 monitoringsonderzoeken uitgevoerd en is in 2018 een actualiserend onderzoek verricht. Gelet hierop volgt de Afdeling [appellant] niet in zijn standpunt dat het college verouderde gegevens ten grondslag heeft gelegd aan het bestreden besluit. Overigens staat in het bestreden besluit dat in aanvulling op de bestaande onderzoeken nader bodemonderzoek dient te worden uitgevoerd.

    Het betoog faalt.   

Meerdere bronnen van verontreiniging?

6.    [appellant] betoogt dat onduidelijk is waarom de eigenaren van de percelen kadastraal bekend gemeente Bladel, sectie [...], nummers [C] en [D], niet als verantwoordelijke eigenaren zijn aangewezen. Hij voert daartoe, onder verwijzing naar de Briefrapportage van 15 juli 2016, aan dat indien op zijn perceel een bron van verontreiniging aanwezig is er ook in de directe omgeving bronnen van de verontreiniging aanwezig zullen zijn, zoals op de percelen kadastraal bekend gemeente Bladel, sectie [...], nummer [C].

6.1.    Op de locatietekening uit 2000 staat dat de percelen kadastraal bekend gemeente Bladel, sectie [...], nummers [A] en [B], - waar zich de voormalige en huidige ontvettingsruimte en spuiterij bevinden - als meest verdachte locaties aangemerkt dienen te worden. Daarnaast is er een tekening waarop de verontreinigingssituatie van dichloorethenen in het grondwater in 2000 is weergegeven. Volgens die tekening zijn op de percelen kadastraal bekend gemeente Bladel, sectie [...], nummers [A] en [B], hoge gehalten dichloorethenen in het grondwater aangetroffen. Het college heeft ter zitting toegelicht dat dit wijst op de historische aanwezigheid van tetrachlooretheen. Het college heeft voorts aangegeven dat op deze percelen, waar in het verleden een machinefabriek voor metaaloppervlaktebehandelingen was gevestigd, de meest verdachte bedrijfsactiviteiten zijn uitgevoerd en dat daar in 2000 het ondiepe grondwater sterk verontreinigd bleek te zijn.

    De percelen kadastraal bekend gemeente Bladel, sectie [...], nummers [C] en nummer [D], zijn vermoedelijk geen bronpercelen, omdat ter plaatse minder verdachte bedrijfsactiviteiten zijn uitgevoerd en een relatief laag gehalte aan dichloorethenen in het grondwater is aangetroffen. Vermoed wordt dat de grondwaterverontreiniging ter plaatse afkomstig is van de percelen kadastraal bekend gemeente Bladel, sectie [...], nummers [A] en [B].

6.2.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college toereikend gemotiveerd dat de aangetroffen grondwaterverontreiniging met dichloorethenen te herleiden is tot de percelen kadastraal bekend gemeente Bladel, sectie [...], nummers [A] en [B]. Wat [appellant] aanvoert geeft geen aanleiding om te veronderstellen dat de percelen kadastraal bekend gemeente Bladel, sectie [...], nummers [C] en [D], de bronpercelen van de grondwaterverontreiniging zijn. Overigens staat in het bestreden besluit dat indien uit aanvullend bodemonderzoek blijkt dat er niettemin meer verontreinigingsbronnen op andere percelen behorend tot het voormalige adres [locatie 1] aanwezig zijn, de eigenaren daarvan alsnog (mede)verantwoordelijk worden gehouden voor de sanering.

    Het betoog faalt.

[locatie 2]

7.    [appellant] voert aan dat het college er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat ook op het perceel [locatie 2] een verontreinigingsbron is aangetroffen, aangezien in peilbuis 806 hogere gehalten aan verontreinigende stoffen aanwezig zijn dan in peilbuis 1603 die grenst aan het voormalige pand aan de [locatie 1]. Volgens [appellant] is de eigenaar van dat perceel ook aansprakelijk voor de geconstateerde verontreiniging.

7.1.    Het college heeft aangegeven dat uit onderzoek van 22 augustus 2001, dat is uitgevoerd door Lemmens Kozijnen B.V., is gebleken dat op het perceel [locatie 2] van 1976 tot 1983 een haardenfabriek was gevestigd. Daarom is deze locatie als mogelijke bron van verontreiniging aangemerkt. Eind jaren '90 is op het perceel [locatie 2] een sanering van grondwaterverontreiniging uitgevoerd. Ook heeft het college toegelicht dat voorafgaand aan de sanering een verkennend en een aanvullend bodemonderzoek zijn uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat het grondwater ter plaatse van het perceel [locatie 2] licht verontreinigd was. In 1997 is geconstateerd dat het ondiepe grondwater ter plaatse van het perceel [locatie 1] sterk verontreinigd was en het ondiepe grondwater ter plaatse van het perceel [locatie 2] maximaal licht verontreinigd met vinylchloride. Daarom is het volgens het college onwaarschijnlijk dat het perceel [locatie 2] een bron van de grondwaterverontreiniging is. Volgens het college is de lichte verontreiniging ter plaatse van het perceel [locatie 2] afkomstig van het perceel [locatie 1].

7.2.    De Afdeling ziet in het betoog van [appellant] geen aanleiding voor het oordeel dat het perceel [locatie 2] aangemerkt dient te worden als een bronperceel van de grondwaterverontreiniging. Het college heeft toereikend gemotiveerd dat de grondwaterverontreiniging ter plaatse van het perceel [locatie 2] een gevolg is van de sterke bodemverontreiniging ter plaatse van het perceel [locatie 1]. Over het betoog dat thans verontreiniging is aangetroffen in peilbuis 806, heeft het college aangegeven dat sinds 1997 de verontreinigingssituatie is beïnvloed door verschillen in bodemopbouw, grondwaterstromingsrichting, grondwatersnelheid, natuurlijke afbraak, bacteriën en nutriënten. In peilbuis 1604, die op korte afstand ten zuiden van peilbuis 1603 (grenzend aan het voormalige pand [locatie 1]) ligt, is een hoger vinylchloridegehalte aangetroffen dan in peilbuis 806, aldus het college. [appellant] heeft dit niet betwist.

    Het betoog faalt.

Ernst van de verontreiniging en termijn van de sanering

8.    [appellant] betoogt dat bij het bepalen van de ernst van de verontreiniging betrokken moet worden dat de concentraties aan verontreinigende stoffen zijn afgenomen. Zo blijkt uit het actualiserend onderzoek uit 2018 dat verontreinigende stoffen ter plaatse van [locatie 1] zijn afgenomen. Ook volgt uit de monitoringsonderzoeken uit 2015 en 2017 dat in het midden en de voorkant van de pluim de concentraties aan verontreinigende stoffen afnemen. [appellant] betoogt verder dat de gestelde termijn waarbinnen met de sanering gestart moet worden te kort is.

8.1.    De Afdeling stelt voorop dat voor het vaststellen van de ernst van een bodemverontreiniging en de spoedeisendheid van de sanering het niet noodzakelijk is dat de volledige omvang van de verontreiniging vaststaat. In dat verband verwijst zij naar haar uitspraak van 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3573. Het college heeft aangegeven dat het grondwater in een bodemvolume van ongeveer 600.000 m3 sterk verontreinigd is. Verder heeft het college toegelicht dat er volgens hem onaanvaardbare risico’s voor verspreiding aanwezig zijn vanwege de omvang van de grondwaterverontreiniging. Daarnaast vindt verspreiding in de richting van het kwetsbare oppervlaktewater van de nabijgelegen Raamsloop plaats, zodat sprake is van een onbeheersbare situatie. Volgens de Circulaire bodemsanering van 1 juli 2013 (hierna: de Circulaire bodemsanering) is daarom sprake van een ernstige bodemverontreiniging. Omdat het bodemvolume aan sterk verontreinigd grondwater groter is dan 6.000 m3 is volgens de Circulaire bodemsanering sprake van onaanvaardbare verspreidingsrisico’s, zodat spoedige sanering van de bodemverontreiniging noodzakelijk is.

    [appellant] heeft de tot nu toe vastgestelde omvang van de bodemverontreiniging niet gemotiveerd bestreden. Hij wijst er weliswaar op dat de verontreiniging de afgelopen jaren is afgenomen, maar het college heeft daar tegen ingebracht dat de vastgestelde waarden nog steeds een hoge mate van verontreiniging laten zien en dat het nog tientallen jaren zal duren voordat de verontreiniging volledig zal zijn afgebroken. Gelet daarop en op het dreigende gevaar van verspreiding naar het oppervlaktewater van de Raamsloop, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college de ernst van de bodemverontreiniging en de spoedeisendheid van de sanering niet heeft mogen vaststellen zoals het heeft gedaan. Gelet daarop en in aanmerking genomen dat volgens de door het college gehanteerde Circulaire bodemsanering een termijn van 4 jaar geldt waarbinnen gestart moet worden met de sanering, acht de Afdeling het voorts niet onredelijk dat op grond van het bestreden besluit binnen drie jaar na het in werking treden daarvan een saneringsplan ter goedkeuring moet zijn ingediend en dat uiterlijk binnen vier jaar na inwerkingtreding van het besluit met de sanering moet worden begonnen.

    Het betoog faalt.

Conclusie

9.    Het beroep is ongegrond.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

w.g. Sparreboom

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2020

195-889.

 

BIJLAGE

 

WET BODEMBESCHERMING

Artikel 29

1. Gedeputeerde staten kunnen in een beschikking vaststellen of sprake is van een geval van ernstige verontreiniging:

a. naar aanleiding van een nader onderzoek of

b. naar aanleiding van een melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid.

[…]

Artikel 37

1. Gedeputeerde staten stellen in een beschikking als bedoeld in artikel 29, eerste lid, waarbij zij vaststellen dat er sprake is van een geval van ernstige verontreiniging, tevens vast of het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging leiden tot zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.

[…]

5. Bij de beschikking kunnen gedeputeerde staten aangeven door welke natuurlijke persoon of rechtspersoon een verplichting, bij de beschikking opgelegd met toepassing van het tweede lid, het derde lid of de eerste volzin van het vierde lid, moet worden nagekomen.

[…]

Artikel 55ab

1. De eigenaar of indien op het bedrijfsterrein een recht van erfpacht rust, de erfpachter van een bedrijfsterrein waar zich blijkens een oriënterend onderzoek of een ander veldonderzoek met betrekking tot de kwaliteit van de bodem een verontreiniging bevindt of de directe gevolgen van een verontreiniging zich voordoen en dat behoort tot een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie bedrijfsterreinen waarvan aannemelijk is dat een geval van ernstige verontreiniging is ontstaan en spoedige sanering noodzakelijk zal zijn als bedoeld in artikel 37, eerste lid, verricht een nader onderzoek met betrekking tot die verontreiniging.

[..]

3. Indien de eigendom of de erfpacht wordt overgedragen, blijft de verplichting om het nader onderzoek te verrichten rusten op de eigenaar of de erfpachter die zijn eigendom respectievelijk zijn recht van erfpacht heeft overgedragen, en komt deze verplichting mede te rusten op de opvolgende eigenaar of erfpachter.

Artikel 55b

1. De eigenaar of indien op het bedrijfsterrein een recht van erfpacht rust, de erfpachter van een bedrijfsterrein waar een geval van ernstige verontreiniging is ontstaan, is verplicht de bodem te saneren indien in een beschikking als bedoeld in artikel 37, eerste lid, is vastgesteld dat spoedige sanering noodzakelijk is. Met de sanering wordt begonnen uiterlijk voor het tijdstip dat is bepaald in de beschikking. De bedoelde eigenaar of erfpachter is verplicht tijdelijke beveiligingsmaatregelen als bedoeld in artikel 37, derde lid, of maatregelen als bedoeld in artikel 37, vierde lid, te nemen en van de uitvoering van die maatregelen verslag te doen, voor zover dat is aangegeven in de beschikking, bedoeld in artikel 37, eerste lid.

[…]

3. Indien de eigendom of de erfpacht wordt overgedragen, blijft de verplichting om te saneren mede rusten op de eigenaar of de erfpachter die zijn eigendom respectievelijk zijn recht van erfpacht heeft overgedragen tot het tijdstip waarop de opvolgende eigenaar of de opvolgende erfpachter financiële zekerheid voor de saneringskosten heeft gesteld, en daarmee door gedeputeerde staten is ingestemd. Artikel 39f, tweede lid, is van toepassing.