Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:20

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-01-2020
Datum publicatie
08-01-2020
Zaaknummer
201900894/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:14868, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 juli 2016 heeft de raad van bestuur van het Erasmus MC het verzoek van [appellant] om hem op grond van de Wet openbaarheid van bestuur informatie te verstrekken gedeeltelijk afgewezen. Op 10 mei 2016 heeft [appellant] de raad verzocht om openbaarmaking van "documenten die gaan over of betrekking hebben op de in Zo Doende 2014 vermelde dieren die gebruikt zijn in de categorie 'andere knaagdieren’ - inclusief maar niet beperkt tot onderzoeksprotocollen, veterinaire statussen, gegevens over aankoop en bestemming van de dieren na de experimenten."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2020/99 met annotatie van P.J. Stolk
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201900894/1/A3.

Datum uitspraak: 8 januari 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 december 2018 in zaak nr. 17/3789 in het geding tussen:

[appellant]

en

de raad van bestuur van het Erasmus MC.

Procesverloop

Bij besluit van 20 juli 2016 heeft de raad het verzoek van [appellant] om hem op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) informatie te verstrekken gedeeltelijk afgewezen.

Bij besluit van 21 augustus 2017 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 december 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard, de raad veroordeeld in de proceskosten van [appellant] tot een bedrag van € 1.002,00 en de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) veroordeeld tot betaling aan [appellant] van een schadevergoeding tot een bedrag van € 500,00. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft de toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), verleend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 oktober 2019, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde A], en de raad, vertegenwoordigd door [gemachtigde B], [gemachtigde C] en [gemachtigde D], zijn verschenen.

Overwegingen

Het Wob-verzoek

1.    Op 10 mei 2016 heeft [appellant] de raad verzocht om openbaarmaking van "documenten die gaan over of betrekking hebben op de in Zo Doende 2014 vermelde dieren die gebruikt zijn in de categorie 'andere knaagdieren’ - inclusief maar niet beperkt tot onderzoeksprotocollen, veterinaire statussen, gegevens over aankoop en bestemming van de dieren na de experimenten."

Besluitvorming raad

2.    De raad heeft bij besluit van 20 juli 2016 de door [appellant] verzochte informatie gedeeltelijk verstrekt in de vorm van drie adviezen van de dierexperimentencommissie die betrekking hebben op in 2014 uitgevoerde onderzoeken met ‘andere knaagdieren’. De raad heeft een deel van de verzochte informatie geweigerd te verstrekken met een beroep op artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c en d, en artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, e en g, van de Wob. De raad heeft hieraan ten grondslag gelegd dat vertrouwelijke bedrijfsgegevens en persoonsgegevens als bedoeld in paragraaf 2 van hoofdstuk 2 van de Wet bescherming persoonsgegevens niet openbaar mogen worden gemaakt. Voorts brengt een belangenafweging mee dat het belang van openbaarmaking niet opweegt tegen het belang van bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de economische en financiële belangen alsook het voorkomen van onevenredige benadeling, aldus de raad.

In het besluit op bezwaar heeft de raad de gedeeltelijke weigering gehandhaafd.

De aangevallen uitspraak

3.    De rechtbank heeft vastgesteld dat de raad bij brief van 16 november 2018 zich op het nadere standpunt heeft gesteld dat de door [appellant] verzochte informatie betrekking heeft op gegevens die louter met een wetenschappelijk oogmerk tot stand zijn gekomen en waarop de Wob niet van toepassing is. De verzochte informatie ziet volgens de raad niet op de bestuursvoering van het Erasmus MC, maar betreft wetenschappelijk onderzoek in het kader van de wetenschappelijke taak die het Erasmus MC heeft. De rechtbank heeft over dit standpunt van de raad overwogen dat de door [appellant] verzochte informatie inderdaad moet worden aangemerkt als gegevens die tot stand gekomen zijn bij de uitvoering van een onderzoek in het kader van de wetenschappelijke taak van het Erasmus MC. Deze gegevens hebben geen betrekking op de bestuursvoering van het Erasmus MC. Aan de eis dat deze gegevens op zichzelf een bestuurlijke aangelegenheid betreffen is dan ook niet voldaan. De raad heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de Wob niet van toepassing is, aldus de rechtbank. Omdat de raad zijn nadere standpunt eerst ter zitting aan het besluit op bezwaar ten grondslag heeft gelegd, heeft de rechtbank geoordeeld dat sprake is van een motiveringsgebrek. Zij heeft vervolgens geoordeeld dat dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb kan worden gepasseerd.

Hoger beroep

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte het standpunt van de raad is gevolgd dat de door hem verzochte informatie moet worden aangemerkt als gegevens die tot stand gekomen zijn bij de uitvoering van een onderzoek in het kader van de wetenschappelijke taak van het Erasmus MC. [appellant] voert hiertoe het volgende aan. Bij inwerkingtreding van de nieuwe Wet op de dierproeven op 18 december 2014 geldt dat er voor het verrichten van dierproeven een vergunning nodig is van de Centrale Commissie Dierproeven. Volgens [appellant] moeten houders van een dergelijke vergunning jaarlijks aan de minister van Economische Zaken verantwoording afleggen over verrichte dierproeven en over de proefdieren. De minister informeert vervolgens de Tweede Kamer hierover. Hieruit blijkt dat sprake is van een bestuurlijke aangelegenheid. Dat de dierproeven op zich wellicht betrekking hebben op wetenschappelijke onderwerpen, maakt volgens [appellant] niet dat alle gegevens over de proefdieren louter met een wetenschappelijk oogmerk tot stand zijn gekomen. In dit verband wijst hij erop dat hij in zijn Wob-verzoek uitdrukkelijk ook heeft verzocht om "veterinaire statussen en gegevens over aankoop en bestemming van de dieren na de experimenten."

4.1.    Artikel 1, aanhef en onder b, van de Wob luidt: "In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder […] bestuurlijke aangelegenheid: een aangelegenheid die betrekking heeft op beleid van een bestuursorgaan, daaronder begrepen de voorbereiding en de uitvoering ervan.

Artikel 3, eerste lid, luidt: "Een ieder kan een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf."

4.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen onder meer in de uitspraak van 6 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3726, ziet het begrip ‘bestuurlijk’, gelet op het doel van de Wob, op het openbaar bestuur in al zijn facetten en betreft het niet alleen het externe optreden van het bestuur, maar ook de interne organisatie.

In de uitspraken van de Afdeling van 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:321 en ECLI:NL:RVS:2018:322, heeft de Afdeling over gegevens die onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan louter met een wetenschappelijk oogmerk tot stand zijn gekomen, overwogen dat die gegevens in beginsel niet op de bestuursvoering van dat bestuursorgaan en dus niet op een bestuurlijke aangelegenheid zien.

In haar uitspaak van 13 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3813, heeft de Afdeling overwogen dat het feit dat gegevens die onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan louter met een wetenschappelijk oogmerk tot stand zijn gekomen op zichzelf bezien niet op de bestuursvoering van dat bestuursorgaan zien onverlet laat dat dergelijke gegevens onlosmakelijk kunnen zijn verweven met informatie over een bestuurlijke aangelegenheid. In dat geval hebben die gegevens wel betrekking op een bestuurlijke aangelegenheid, vallen die gegevens onder de werking van de Wob en kan de openbaarmaking daarvan uitsluitend met toepassing van de artikelen 10 en 11 van de Wob worden geweigerd.

4.3.    De raad is een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. Uit artikel 1a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wob volgt dat de Wob onverkort op de raad van toepassing is, omdat de raad niet van de Wob is uitgezonderd bij het Besluit bestuursorganen WNo en Wob. In het kader van zijn taakuitoefening faciliteert de raad dierproeven.

Zoals de Afdeling in voormelde uitspraak van 13 november 2019 heeft overwogen, dient het faciliteren van dierproeven als een bestuurlijke aangelegenheid van het Erasmus MC te worden aangemerkt. Informatie over het faciliteren van dierproeven dient te worden onderscheiden van de onderzoeksgegevens die bij het uitvoeren van een dierproef louter met een wetenschappelijk oogmerk tot stand zijn gekomen. Het enkele feit dat ook anderen dan bestuursorganen dierproeven uitvoeren of faciliteren maakt dat niet anders. Het begrip "bestuurlijk" is niet beperkt tot activiteiten die uitsluitend door de overheid kunnen worden uitgeoefend.

4.4.    De Afdeling is van oordeel dat de raad onvoldoende heeft onderzocht en gemotiveerd dat de door [appellant] verzochte informatie gegevens betreffen die louter met een wetenschappelijk oogmerk tot stand zijn gekomen. De enkele stellingname in beroep dat dat het geval is, is hiertoe onvoldoende. Ook heeft de raad niet beoordeeld of de gegevens, waarvan hij stelt dat deze louter met een wetenschappelijk oogmerk tot stand zijn gekomen, onlosmakelijk verweven zijn met informatie over een bestuurlijke aangelegenheid. In dat geval hebben die gegevens, zoals in 4.2. is overwogen, wel betrekking op een bestuurlijke aangelegenheid, vallen die gegevens onder de werking van de Wob en kan de openbaarmaking daarvan uitsluitend met toepassing van de artikelen 10 en 11 van de Wob worden geweigerd. De rechtbank heeft het vorenstaande onvoldoende onderkend.

Het betoog slaagt.

5.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover daarbij het beroep van [appellant] ongegrond is verklaard, dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [appellant] ingestelde beroep tegen het besluit van 21 augustus 2017 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Dit betekent dat de raad met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen. De raad dient daarbij te beoordelen of de gegevens die onder het bereik van het Wob-verzoek van [appellant] vallen informatie betreffen over een bestuurlijke aangelegenheid of dat deze gegevens louter met een wetenschappelijk oogmerk tot stand zijn gekomen. Indien dat laatste het geval is, dient de raad te beoordelen of die gegevens onlosmakelijk verweven zijn met informatie over een bestuurlijke aangelegenheid. Indien de gegevens niet zijn aan te merken als gegevens die louter met een wetenschappelijk oogmerk tot stand zijn gekomen of, wanneer dat wel het geval is, deze gegevens onlosmakelijk verweven zijn met informatie over een bestuurlijke aangelegenheid, dient de raad met toepassing van de artikelen 10 en 11 van de Wob te onderzoeken of weigeringsgronden zich tegen openbaarmaking verzetten.

6.    Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

7.    De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 december 2018 in zaak nr. 17/3789, voor zover het beroep ongegrond is verklaard;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van de raad van bestuur van het Erasmus MC van 21 augustus 2017, kenmerk JZ 17.08.15/16.42.13;

V.    bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI.    veroordeelt de raad van bestuur van het Erasmus MC tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.050,00 (zegge: duizendvijftig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.    gelast dat de raad van bestuur van het Erasmus MC aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 427,00 (zegge: vierhonderdzevenentwintig euro) voor de behandeling van het beroep en hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y. Soffner, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Soffner

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2020

818.