Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1998

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-08-2020
Datum publicatie
19-08-2020
Zaaknummer
201908521/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2019:7560, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 november 2018 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Centrum geweigerd de Koning William Werf in Amsterdam aan te wijzen als gemeentelijk monument. Buurtorganisatie 1018 heeft het dagelijks bestuur verzocht om de Koning William Werf aan te wijzen als gemeentelijk monument. Bij besluit van 7 november 2018 heeft het dagelijks bestuur dit geweigerd. Tegen deze weigering heeft [appellante] bezwaar gemaakt. Omdat [appellante] volgens het college geen belanghebbende is bij het besluit van 7 november 2018, heeft het college haar bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. [appellante] is het hier niet mee eens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2020/485
OGR-Updates.nl 2020-0208
JGROND 2020/218 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Jurisprudentie Grondzaken 2020/218 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201908521/1/A2.

Datum uitspraak: 19 augustus 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 oktober 2019 in zaak nr. 19/2244 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 7 november 2018 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Centrum geweigerd de Koning William Werf in Amsterdam aan te wijzen als gemeentelijk monument.

Bij besluit van 26 februari 2019, verzonden op 4 maart 2019, heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 14 oktober 2019 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 juli 2020, waar [appellante], en het college, vertegenwoordigd door mr. C.L. Brinks, zijn verschenen.

Overwegingen

    Inleiding

1.    Buurtorganisatie 1018 heeft het dagelijks bestuur verzocht om de Koning William Werf (hierna: de werf) aan te wijzen als gemeentelijk monument. Bij besluit van 7 november 2018 heeft het dagelijks bestuur dit geweigerd. Tegen deze weigering heeft [appellante] bezwaar gemaakt. Omdat [appellante] volgens het college geen belanghebbende is bij het besluit van 7 november 2018, heeft het college haar bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. [appellante] is het hier niet mee eens.

Oordeel rechtbank

2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het college het bezwaar van [appellante] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. [appellante] is namelijk niet als belanghebbende in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) aan te merken. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling natuurlijke personen belanghebbende bij een besluit tot het al dan niet aanwijzen als monument van een object zijn, wanneer zij de eigenaar of anderszins zakelijk gerechtigde zijn van dat aan te wijzen object. Omwonenden, huurders en andere gebruikers zijn geen belanghebbende bij een dergelijk besluit.

Hoger beroep en de beoordeling daarvan

3.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college haar bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Als omwonende is zij wel belanghebbende bij het besluit van 7 november 2018. Zij heeft direct uitzicht op het werfterrein en is woonachtig binnen de daaromheen getrokken geluidszone. [appellante] verwijst ter onderbouwing van haar betoog naar de uitspraak van de Afdeling van 14 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3702. Uit deze uitspraak volgt volgens [appellante] dat ook andere belangen dan die van de eigenaar of anderszins zakelijk gerechtigde van het desbetreffende object, kunnen worden geraakt bij het wel of niet aanwijzen daarvan als monument. Collectiviteit is hierbij niet relevant, aldus [appellante].

3.1.    Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb luidt:

"Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken."

3.2.    Zoals de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 14 november 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3702) en van 19 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4122) terecht heeft overwogen, is bij een besluit tot het al dan niet aanwijzen van een object als monument, waar het gaat om natuurlijke personen, de eigenaar of anderszins zakelijk gerechtigde van het desbetreffende object belanghebbende. Omwonenden, huurders en andere gebruikers en andere individuele personen zijn geen belanghebbende bij een dergelijk besluit.

3.3.    De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat het college het bezwaar van [appellante] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De belangen van [appellante] zijn niet rechtstreeks bij het besluit over de aanwijzing van de werf als gemeentelijk monument betrokken. Met haar bezwaar beoogt zij primair te bewerkstelligen dat de cultuurhistorische en stedenbouwkundige waarden van de werf niet worden aangetast en het stadsbeeld behouden blijft. Of het object feitelijk wijzigt wordt echter niet bepaald door de enkele aanwijzing als monument, maar door andersoortige besluiten. Bij besluiten die bijvoorbeeld betrekking hebben op een nieuwe bestemming of die anderszins de ruimtelijke uitstraling van de werf betreffen kan het belang van [appellante] als omwonende rechtstreeks zijn betrokken en kan zij als belanghebbende worden aangemerkt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat wanneer [appellante] wil opkomen tegen een nieuwe bestemming van de werf of voorgenomen bouwactiviteiten ter plaatse, zij te zijner tijd bezwaar kan maken of beroep kan instellen tegen de besluiten die daar op zien. De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat [appellante] aan de uitspraak van de Afdeling van 14 november 2018 geen steun kan ontlenen voor een andersluidend oordeel. Beslissend in die uitspraak is dat de vereniging, blijkens haar statuten, een collectief belang behartigt dat rechtstreeks wordt geraakt door het besluit tot aanwijzing als monument.

3.4.    Het betoog faalt.

4.    Het college heeft het door [appellante] gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Daarom kan in hoger beroep niet inhoudelijk worden ingegaan op hetgeen [appellante] tegen het besluit van 7 november 2018 heeft aangevoerd.

Conclusie

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, griffier.

w.g. Borman    w.g. Bindels

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2020

85-949.