Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1977

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-08-2020
Datum publicatie
19-08-2020
Zaaknummer
202001989/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 februari 2020 heeft het dagelijks bestuur van het Waterschap De Dommel het projectplan "Herinrichting beekdal Groote Beerze, traject 1" vastgesteld. Het plangebied maakt deel uit van het Natura 2000-gebied Kempenland-West. De in de Groote Beerze voorkomende kwalificerende habitats, die de reden zijn geweest om het gebied als Natura 2000-gebied aan te wijzen, zijn onder andere de Blauwgraslanden en de Vochtige alluviale bossen. Deze habitats zijn vanwege de niet optimale waterhuishouding in kwaliteit achteruitgegaan. In het projectplan zijn daarom maatregelen opgenomen om het natuurlijke watersysteem in en rond de Groote Beerze te verbeteren. De maatregelen in het projectplan betreffen onder meer het aanleggen van een nieuwe loop van de Groote Beerze en het dempen van de oude loop, het aanpassen van A-watergangen en het dempen, verondiepen, danwel laten verlanden van watergangen en greppels.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202001989/1/R1.

Datum uitspraak: 19 augustus 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3.    [appellant sub 3], wonende te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2020 heeft het dagelijks bestuur van het Waterschap De Dommel het projectplan "Herinrichting beekdal Groote Beerze, traject 1" vastgesteld.

Bij besluit van 25 februari 2020 heeft het college het projectplan op grond van artikel 5.7, eerste lid, van de Waterwet goedgekeurd.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 juli 2020, waar het college, vertegenwoordig door mr. M.A.T.L. Thijssen, is verschenen. Tevens is het waterschap, vertegenwoordigd door ing. T.W.M. van Paassen en drs. M.H. Berg, gehoord.

Overwegingen

    Inleiding

1.    Het plangebied maakt deel uit van het Natura 2000-gebied Kempenland-West. De in de Groote Beerze voorkomende kwalificerende habitats, die de reden zijn geweest om het gebied als Natura 2000-gebied aan te wijzen, zijn onder andere de Blauwgraslanden en de Vochtige alluviale bossen. Deze habitats zijn vanwege de niet optimale waterhuishouding in kwaliteit achteruitgegaan. In het projectplan zijn daarom maatregelen opgenomen om het natuurlijke watersysteem in en rond de Groote Beerze te verbeteren. De maatregelen in het projectplan betreffen onder meer het aanleggen van een nieuwe loop van de Groote Beerze en het dempen van de oude loop, het aanpassen van A-watergangen en het dempen, verondiepen, danwel laten verlanden van watergangen en greppels.

2.    [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] zijn eigenaren van gronden in de omgeving van het plangebied. Zij vrezen voor schade door het stijgende water als gevolg van het projectplan. Ter zitting heeft het waterschap toegelicht dat er nog met partijen wordt onderhandeld over grondtransacties.

Het beroep van [appellant sub 3]

3.    Het college betwist de ontvankelijkheid van het beroep van [appellant sub 3], omdat hij geen zienswijze over het ontwerpplan naar voren heeft gebracht.

3.1.    Op grond van de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen binnen deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij het college. [appellant sub 3] heeft geen zienswijze over het ontwerpplan naar voren gebracht. Een belanghebbende kan geen beroep instellen tegen het besluit tot goedkeuring van het projectplan indien hij over het ontwerpplan niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem dit redelijkerwijs niet kan worden verweten. Niet gesteld of gebleken is dat deze omstandigheid zich hier voordoet.

3.2.    Het beroep is niet-ontvankelijk.

3.3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 2]

4.    [appellant sub 2] voert aan dat door het projectplan het waterpeil zal stijgen en een aanzienlijk deel van zijn gronden onder water zal komen te staan, met veel schade tot gevolg. Volgens [appellant sub 2] heeft het waterschap onvoldoende afspraken gemaakt hoe die schade zal worden gecompenseerd en heeft het college het projectplan daarom niet mogen goedkeuren.

4.1.    Het college heeft toegelicht dat is erkend dat het projectplan tot schade kan leiden. Er hebben gesprekken met [appellant sub 2] plaatsgevonden en daarbij zijn aan hem verschillende voorstellen gedaan. Het college is van mening dat met de gedane voorstellen het nadeel dat [appellant sub 2] als gevolg van de realisering van het projectplan ondervindt, voldoende gecompenseerd kan worden. Indien er geen overeenkomst wordt bereikt kan [appellant sub 2] bij eventuele schade een beroep doen op de Verordening nadeelcompensatie Waterschap De Dommel.

4.2.    In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college het projectplan niet heeft mogen goedkeuren. [appellant sub 2] heeft niet bestreden dat de maatregelen in het projectplan nodig zijn om de doestelling voor het Natura 2000-gebied te behalen en ook niet dat compensatie voor de mogelijke schade als gevolg daarvan op zich mogelijk is. Evenmin heeft hij gesteld dat het college het projectplan niet heeft mogen goedkeuren vanwege de mogelijke schade. De precieze inhoud van de afspraken over hoe mogelijke schade zal worden gecompenseerd maakt geen onderdeel uit van de goedkeuring van het projectplan zodat dit in deze procedure niet aan de orde kan komen en niet kan leiden tot een vernietiging van het besluit.

    Het betoog faalt.

5.    Het beroep is ongegrond.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 1]

7.    [appellant sub 1] voert aan dat het projectplan zal leiden tot een stijging van het grondwaterpeil. Ook zal het water niet meer uit het gebied kunnen stromen, waardoor zijn gronden en de mestputten onder water komen te staan. Hierdoor zal hij schade lijden. Het college heeft het projectplan gelet hierop niet mogen goedkeuren.

7.1.    Het college heeft toegelicht dat uit de modelberekeningen die voor het projectplan zijn gedaan blijkt dat de grondwaterstanden in de huidige situatie al hoog zijn en tot op heden niet tot problemen voor [appellant sub 1] hebben geleid. Deze gemeten hoge grondwaterstand is volgens het college een gevolg van de veranderingen in het hedendaagse klimaat (regenval). Wanneer er in de toekomst frequenter natte of drogere periodes voorkomen zal het grondwater hierop reageren. Met behulp van een grondwatermodel is berekend dat als gevolg van de uitvoering van het projectplan de gemiddeld hoogste grondwaterstand ter hoogte van het perceel van appellant maximaal met 23 cm zal toenemen (meest zuidwestelijke punt). De effecten zullen afnemen naarmate de afstand tot de BZ40 (watergang) groter wordt. Op ongeveer 100 m vanaf de BZ40 worden er op het perceel van [appellant sub 1] geen significante grondwatereffecten meer berekend. De verruimde watergang wordt verder onder dusdanig verhang aangelegd dat het water richting de Groote Beerze het gebied uit kan stromen en van inundatie geen sprake zal zijn. Integendeel, het betekent volgens het college juist een verbetering van de afwatering in hoogwater situaties ten opzichte van de huidige situatie. Wat betreft de mestputten stelt het college dat uit de resultaten van de grondwaterberekeningen blijkt dat de hoogste grondwaterstand ter hoogte van de stallen, na uitvoering van het project, maximaal 5 cm zal stijgen. Indien bij de constructie van de mestputten rekening is gehouden met het huidige hoge grondwaterpeil ligt het in de rede te veronderstellen dat maximaal 5 cm grondwaterstijging ook "opgevangen" kan worden en geen nadelige gevolgen heeft.

7.2.    De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen reden om aan bovenstaande berekeningen te twijfelen. Gelet op de toelichting van het college en het waterschap bestaat geen grond voor het oordeel dat de schade dusdanig zal zijn dat het college het projectplan niet heeft mogen goedkeuren.

    Het betoog faalt.

8.    [appellant sub 1] voert aan dat er afspraken over mitigerende maatregelen of een schaderegeling hadden moeten worden gemaakt.

8.1.    Het college stelt dat aan [appellant sub 1] een natschadevergoeding van € 5.036,00 is aangeboden, welk aanbod door hem ongemotiveerd is afgewezen. Mocht schade zich in de toekomst daadwerkelijk manifesteren dan kan [appellant sub 1] een beroep doen op de Verordening nadeelcompensatie waterschap De Dommel. Om de grondwatereffecten te kunnen mitigeren is aan [appellant sub 1] ook voorgesteld om door een onafhankelijk adviesbureau onderzoek te laten doen naar maatregelen die uitgevoerd zouden kunnen worden om de nadelige effecten weg te nemen. Bijvoorbeeld door ophoging van het perceel zodat de grondwaterstand op hetzelfde niveau onder maaiveld blijft als in de huidige situatie of door het aanleggen van drainage waardoor de grondwaterstijging kan worden afgevangen. [appellant sub 1] heeft tijdens het "keukentafelgesprek" hierover echter aangegeven niet aan een dergelijk onderzoek te willen meewerken. Dat geen afspraken zijn gemaakt over mitigerende maatregelen is volgens het college aan [appellant sub 1] toe te rekenen.

8.2.    De inhoud van de schaderegeling of mogelijke maatregelen die nodig zijn maken geen onderdeel uit van het projectplan. Dit kan in deze procedure dan ook niet aan de orde komen. Zoals in overweging 7.2 is overwogen bestaat geen grond voor het oordeel dat de schade dusdanig zal zijn dat het college het projectplan niet heeft mogen goedkeuren.

    Het betoog faalt.

9.    [appellant sub 1] voert aan dat een nulmeting in het projectplan had moeten worden gedaan, zodat de schade kan worden vastgesteld.

9.1.    Het college heeft toegelicht dat aan de start van het project is bepaald op welke locaties extra peilbuizen nodig zijn om de effecten van het project op het grondwater na uitvoering goed in beeld te krijgen. Gezien het relatief lage maaiveld ter hoogte van het perceel van [appellant sub 1] is besloten een peilbuis te plaatsen op de zuidwestelijke hoek van de stallen. Hiervoor is door hem toestemming verleend. Deze peilbuis is in januari 2019 geplaatst en meet vanaf 28 februari 2019 één keer per uur de grondwaterstand. Tot aan de uitvoering van het project is ter hoogte van het perceel sprake van een 'nulmeting' over ruim 1,5 jaar. Daarnaast zijn de gemeten grondwaterstanden ter hoogte van het perceel vergeleken met de grondwaterstanden die al voor een langere tijd in het gebied zijn gemeten door middel van de omliggende peilbuizen. Daaruit kan geconcludeerd worden dat het verloop van de grondwaterstanden in de peilbuizen gelijkenis vertoont. Op deze manier kan op basis van de grondwaterdynamiek een voorspelling worden gedaan van een langjarige historische reeks ter hoogte van het perceel van [appellant sub 1]. Ter hoogte van peilbuis Oir_301 3_01 worden geen effecten op het grondwater berekend als gevolg van het project. Dat betekent dat de grondwaterreeks gemeten ter hoogte van peilbuis Oir_301 3_01 tevens als referentie kan worden gebruikt om de effecten van het beekhersteltraject ter hoogte van het perceel van [appellant sub 1] goed in beeld te brengen. Naast de peilbuis op het perceel van [appellant sub 1] zijn nog eens 8 peilbuizen extra geplaatst naast de peilbuizen die reeds aanwezig zijn om een nulmeting uit te voeren. Begin 2020 heeft appellant toegang gekregen om de gemeten waarden van de peilbuizen op zijn perceel en omliggende percelen "online" in te zien. De nulmeting wordt dus daadwerkelijk uitgevoerd en is onderdeel van het monitoringsplan dat voor het project is opgesteld.

9.2.    Gelet op de toelichting van het college stelt de Afdeling vast dat er een nulmeting wordt gedaan om de schade als gevolg van het project te kunnen vaststellen.

    Het betoog faalt.

10.    Het beroep is ongegrond.

11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep van [appellant sub 3] niet-ontvankelijk;

II.    verklaart de beroepen van [appellant sub 2] en [appellant sub 1] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.J.R.R. Vreugdenhil-Brock, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2020

603.