Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1974

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-08-2020
Datum publicatie
19-08-2020
Zaaknummer
202000239/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 oktober 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Delft het plaatsingsplan vastgesteld voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers in de wijk Tanthof in Delft. [appellant] woont aan de Wezelstraat in Delft. Het besluit voorziet in de plaatsing van ORAC’s onder meer naast zijn woning (locatie CL78). [appellant] is het niet eens met de aanwijzing van die locatie. Hij vreest met name voor overlast door onjuist gebruik van de ORAC’s en voor schade aan zijn heg en de kastanjeboom door de plaatsing ervan. Volgens hem is er een betere alternatieve locatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202000239/1/R1.

Datum uitspraak: 19 augustus 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Delft,

en

het college van burgemeester en wethouders van Delft,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2019 heeft het college het plaatsingsplan vastgesteld voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers (hierna: ORAC’s) in de wijk Tanthof in Delft.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 juli 2020, waar het college, vertegenwoordigd door R.A. Verduijn en P. Lasterie, is verschenen.

Overwegingen

    Inleiding

1.    [appellant] woont aan de Wezelstraat in Delft. Het besluit voorziet in de plaatsing van ORAC’s onder meer naast zijn woning (locatie CL78). [appellant] is het niet eens met de aanwijzing van die locatie. Hij vreest met name voor overlast door onjuist gebruik van de ORAC’s en voor schade aan zijn heg en de kastanjeboom door de plaatsing ervan. Volgens hem is er een betere alternatieve locatie.

Toetsingskader

2.    Artikel 5, vijfde lid, van de Afvalstoffenverordening Delft 2006 bepaalt:

"Het college van B&W bepaalt op welke plekken afval wordt aangeboden en draagt daarbij zorg voor laagdrempelige inzameling."

    Artikel 5, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening Delft 2016 bepaalt:

"De clusterplekken en locaties worden bepaald aan de hand van de plaatsingscriteria zoals opgenomen in bijlage 1 (lees: bijlage 2) bij dit besluit."

        Bijlage 2, voor zover hier van belang, luidt:

b1: "De inzamelvoorziening bevindt zich op (in) gemeentegrond. In andere gevallen moet een overeenkomst met de eigenaar van de grond (bijvoorbeeld een Vereniging van Eigenaren) worden afgesloten i.v.m. eigendomsrecht, aansprakelijkheid e.d.)."

b2: "Bij ondergrondse inzamelcontainers is de vrije ruimte > 1m en hijsruimte > 8m."

b3: "Bij ondergrondse inzamelcontainers is de afstand tot straatmeubilair > 1m, tot fietspad > 1m, tot rijbaan > 0,5m, tot parkeerplaats > 1m, tot straatkolk > 3m."

Criterium b1 is een eis, terwijl b2 en b3 richtlijnen zijn.

3.    Bij de keuze van een locatie voor ORAC's dient het college een afweging te maken van alle betrokken belangen. Het college komt bij de keuze voor locaties voor de plaatsing van ORAC's beleidsruimte toe. Dit betekent dat de Afdeling, aan de hand van de beroepsgronden, beoordeelt of het college in redelijkheid tot zijn keuze voor de aangewezen locatie heeft kunnen komen. Daarbij beoordeelt zij allereerst of het college de locatie geschikt heeft kunnen achten voor de plaatsing van een ORAC. Als dat zo is, beoordeelt de Afdeling vervolgens of het college toch had moeten afzien van aanwijzing van de locatie vanwege een geschiktere alternatieve locatie. Een alternatieve locatie moet zodanig geschikter zijn dan de aangewezen locatie, dat geoordeeld moet worden dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen kiezen voor die locatie, maar had moeten kiezen voor de alternatieve locatie.

Beroepsgronden

4.    [appellant] vreest voor overlast van de ORAC’s. Hij voert aan dat de kans op dumpafval bij de ORAC’s groot is. Volgens [appellant] is de controle op het juiste gebruik van de ORAC ten onrechte niet gewaarborgd.

4.1.    In deze procedure gaat het om de aanwijzing van een locatie voor een ORAC. De keuze van het gemeentebestuur om voor de inzameling van restafval gebruik te maken van ORAC’s, ligt niet ter beoordeling voor.

    Wanneer de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, beoordeelt de Afdeling in een procedure als deze of het betrokken bestuursorgaan de gevolgen van de aanwijzing voor de omgeving aanvaardbaar heeft kunnen achten. Die beoordeling kan ook betrekking hebben op nadelen die inherent zijn aan het gekozen inzamelsysteem, zoals overlast van afval dat naast de ORAC wordt geplaatst. Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt echter dat die gevolgen onder normale omstandigheden niet aan aanwijzing van een locatie in de weg hoeven staan. Daarbij is van belang dat deze hinder door de constructie van ORAC’s en door het regelmatig legen en schoonmaken zoveel mogelijk worden voorkomen. Als voorbeeld wijst de Afdeling op haar uitspraak van 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2320. De Afdeling zal daarom enkel beoordelen of locatiespecifieke of andere bijzondere omstandigheden maken dat het college in die gevolgen reden had moeten zien om de locatie niet aan te wijzen.

4.2.    In de door [appellant] in algemene zin geuite vrees voor hinder heeft het college geen belemmering voor aanwijzing van locatie CL78 hoeven zien. Daarbij betrekt de Afdeling dat het college wat betreft het risico op dumpafval heeft toegelicht dat dit nooit volledig is uit te sluiten, maar dat juist op deze locatie, midden in de woonwijk, uit het zicht van de openbare weg, dat risico klein is, mede vanwege de sociale controle. Indien er afval naast de ORAC wordt geplaatst kan daar melding van worden gemaakt en zal dit meteen worden weggehaald.

    Het betoog faalt.

5.    [appellant] voert aan dat de ORAC’s niet passen op de aangewezen locatie CL78. De plek is niet breed genoeg voor de ORAC’s en de vrije ruimte die er volgens criteria b2 en b3 in bijlage 2 van het Uitvoeringsbesluit moet zijn. Het college verwijst volgens hem in de reactie op zijn zienswijze ten onrechte naar criterium c13, waarop het zich feitelijk niet beroept. Ook baseert het college zich volgens [appellant] slechts op een tekening van de locatie die geen realistische weergave is van de feitelijke situatie.

5.1.    Het college heeft toegelicht dat in de nota van zienswijzen zoals [appellant] terecht stelt, ten onrechte wordt verwezen naar criterium c13 in plaats van naar criterium b1, waarop [appellant] een beroep doet. Aan criterium b1 wordt volgens het college echter wel voldaan. Het college heeft toegelicht dat de benodigde breedte voor de ORAC’s 2,51 m is. Er is 0,06 m nodig voor de opsluitband, 0,3 m voor de bestrating aan de achterzijde van de ORAC en 0,3 m bestrating aan de voorzijde en 1,85 m voor de ORAC’s zelf. Hiervoor bestaat voldoende ruimte op de locatie. De twee ORAC’s zijn gepositioneerd op 4,20 m afstand van de gevel van de woning van [appellant] en op 4 m van de perceelsgrens. Uit de kadastrale gegevens blijkt dat hier sprake is van openbare grond. Op de perceelgrens staat een heg. Hierdoor is er volgens het college 3,06 m ruimte (10 tegels en 1 opsluitband) over. Verder is er ruimte om aan de voorzijde en/of achterzijde de bestrating extra te verbreden. Er blijft een vrije ruimte over van meer dan 1 m, die nodig is om de ORAC’s te legen. Dit is de feitelijke situatie ter plaatse. De plaatsing van de ORAC’s is gelet hierop mogelijk, zowel in de breedte als in de lengte.

5.2.    In hetgeen [appellant] aanvoert ziet de Afdeling geen reden om aan deze toelichting van het college te twijfelen. Het college is uitgegaan van de feitelijke situatie ter plaatse. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat de ORAC’s niet zouden passen op de aangewezen locatie.

    Het betoog faalt.

6.    [appellant] voert aan dat er ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de gevolgen van de plaatsing van de ORAC’s op de aangewezen locatie voor de aanwezige kastanjeboom en haag.

6.1.    Het college heeft toegelicht dat bij het graven van een proefsleuf is gebleken dat de plaatsing van de twee ORAC’s mogelijk is en dat daarbij geen boomwortels of wortels van de haag zijn aangetroffen. De haag op de perceelgrens heeft penwortels die recht naar beneden groeien. Wellicht dat er voor de plaatsing van de ORAC’s een zijtak van de kastanjeboom moet worden weggehaald, maar dat zal door een deskundige worden gedaan en dit zal de boom verder niet aantasten.

    Gelet hierop bestaat er geen grond voor het oordeel dat het college vanwege de aanwezige kastanjeboom en haag niet voor deze locatie heeft mogen kiezen.

    Het betoog faalt.

7.    [appellant] voert aan dat het college pas na de vaststelling van het besluit heeft besloten 2 in plaats van 3 ORAC’s te plaatsen op de aangewezen locatie. Hierdoor wordt volgens hem onzorgvuldig en in strijd met het aanwijzingsbesluit gehandeld.

7.1.    Het bestreden besluit wijst slechts aan op welke locatie ORAC’s zullen worden geplaatst. De precieze uitvoering daarvan is hierin niet geregeld. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat het besluit onzorgvuldig is genomen.

    Het betoog faalt.

8.    [appellant] voert aan dat het college ten onrechte stelt dat de door hem aangedragen locatie in een uitstrook aan de Kalfjeslaan, ter hoogte van Wezelstraat, geen goed alternatief is.

8.1.    Het college heeft toegelicht dat de door [appellant] voorgestelde locatie niet wenselijk is omdat de loopafstand voor de bewoners te groot is, de niet door bebouwing omgeven locatie aan een drukke doorgaande weg ligt, zodat er meer kans bestaat op dumpafval, en omdat een deel van de bewoners de drukke weg zal moeten oversteken. De Afdeling is van oordeel dat de raad gelet hierop in redelijkheid niet voor de alternatieve locatie heeft hoeven kiezen.

    Het betoog faalt.

9.    Het beroep is ongegrond.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.J.R.R. Vreugdenhil-Brock, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2020

603.