Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1973

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-08-2020
Datum publicatie
19-08-2020
Zaaknummer
201905841/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2019:3493, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 oktober 2017 heeft de burgemeester van Hilversum de aanvraag van [appellant] voor een drank- en horecawetvergunning, exploitatievergunning en aanwezigheidsvergunning voor het plaatsen van kansspelautomaten voor het [café] in Hilversum afgewezen. In 2013 is aan [appellant] en zijn broer een DHW-vergunning verleend voor de exploitatie van het café. Het café is na een schietincident gesloten door de burgemeester. Vervolgens zijn deze vergunningen in 2016 ingetrokken. [appellant] heeft op 8 juni 2017 de vergunningen opnieuw aangevraagd. Deze aanvraag is afgewezen omdat [appellant] van slecht levensgedrag is. Dat oordeel is gebaseerd op de antecedenten van [appellant] zoals deze zijn gebleken uit de systemen van de politie en de Justitiële informatiedienst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201905841/1/A3.

Datum uitspraak: 19 augustus 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 18 juni 2019 in zaak nr. 18/3219 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Hilversum.

Procesverloop

Bij besluit van 24 oktober 2017 heeft de burgemeester de aanvraag van [appellant] voor een drank- en horecawetvergunning (hierna: DHW-vergunning), exploitatievergunning en aanwezigheidsvergunning (hierna tezamen: de vergunningen) voor het plaatsen van kansspelautomaten voor het [café] in Hilversum afgewezen.

Bij besluit van 12 juli 2018 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij  tussenuitspraak van 20 december 2018 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank de burgemeester in de gelegenheid gesteld om met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

De burgemeester heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak een nadere motivering gegeven.

Bij uitspraak van 18 juni 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 12 juli 2018 vernietigd en de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juli 2020, waar [appellant], bijgestaan door mr. J. Visscher, advocaat te Amersfoort, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. drs. V.M. Groeneveld-Bakker en bijgestaan door mr. P.W.M. Huisman, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    In 2013 is aan [appellant] en zijn broer een DHW-vergunning verleend voor de exploitatie van het café. Het café is na een schietincident gesloten door de burgemeester. Vervolgens zijn deze vergunningen in 2016 ingetrokken. [appellant] heeft op 8 juni 2017 de vergunningen opnieuw aangevraagd. Deze aanvraag is afgewezen omdat [appellant] van slecht levensgedrag is. Dat oordeel is gebaseerd op de antecedenten van [appellant] zoals deze zijn gebleken uit de systemen van de politie en de Justitiële informatiedienst (hierna: het antecedentenonderzoek).

Aangevallen uitspraak

2.     In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het besluit op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd. De burgemeester is in de gelegenheid gesteld om nader te motiveren waarom het antecedentenonderzoek waar het besluit op is gebaseerd tot de conclusie leidt dat [appellant] in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

    De rechtbank is in de aangevallen uitspraak van oordeel dat vanwege een gedraging die heeft plaatsgevonden in een periode van vijf jaar voorafgaand aan het besluit (de terugkijktermijn), betreffende een melding in mei 2014 van een burenruzie waarbij [appellant] betrokken was, de burgemeester bij zijn besluitvorming ook feiten en omstandigheden buiten de terugkijktermijn mag betrekken, en de burgemeester met de nadere toelichting voor wat betreft de uit het antecedentenonderzoek blijkende incidenten van oktober 2011 en juni 2012 voldoende heeft gemotiveerd waarom hij van oordeel is dat [appellant] in enig opzicht van slecht levensgedrag is. De burgemeester heeft daarbij ook mogen betrekken het belang dat hij met de eis van artikel 8 van de DHW beoogt te beschermen.

     De rechtbank oordeelt dat de burgemeester in voldoende mate meer duidelijkheid heeft gegeven over wat de gedragingen van [appellant] zijn geweest in oktober 2011 en juni 2012 en wat de handelwijze van politie en/of justitie was bij deze incidenten. Volgens de burgemeester wijzen de incidenten op betrokkenheid van [appellant] bij geweldsdelicten. De rechtbank heeft inzage gehad in de geheime stukken en heeft geen aanleiding om aan de weergave van de burgemeester over deze incidenten te twijfelen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de betrokkenheid bij incidenten niet hoeft te resulteren in een strafrechtelijke veroordeling om gewicht in de schaal te kunnen leggen bij de beoordeling of aan de eis van artikel 8 van de DHW is voldaan. Verder acht de rechtbank van belang de toelichting van de burgemeester dat de horeca een kwetsbare branche is waarin aan eigenaren, leidinggevenden, en betrokkenen hoge eisen gesteld mogen worden om ervoor te zorgen dat in die onderneming de klanten, veelal jongeren, niet onnodig risico lopen en niet bij geweldsincidenten worden betrokken. De burgemeester mocht aan die incidenten daarom het gewicht toekennen dat hij heeft gedaan.

Hoger beroep

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte zonder enige beperking stelt dat in het kader van het antecedentenonderzoek mutaties in het politiesysteem tot vijf jaar (hierna: de terugkijktermijn) voorafgaand aan het besluit op de vergunningsaanvragen mogen worden meegenomen en dat mutaties die verder teruggaan dan de terugkijktermijn, ook al zijn die uit het politiesysteem verwijderd wegens het verstrijken van de vijf jaar, door de burgemeester bij zijn besluit mogen worden betrokken. Dat is in strijd met het rechtzekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.

    De rechtbank komt daarnaast ten onrechte tot het oordeel dat deze mutaties voldoende grondslag bieden voor het oordeel dat sprake is van slecht levensgedrag van [appellant], zo betoogt [appellant]. De rechtbank motiveert onvoldoende dat daarover geen twijfel is gelet op de geheime stukken die de rechtbank heeft ingezien.

    Deze betogen zijn ook gericht tegen de besluiten tot intrekking van de andere vergunningen voor het café omdat de weigering van de exploitatievergunning en de vergunning voor de kansspelautomaten een gevolg is van het niet hebben van een Dhw-vergunning.

3.1.    Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling geldt dat geen beperkingen zijn gesteld aan de feiten of omstandigheden die bij de beoordeling van het levensgedrag mogen worden betrokken (zie de uitspraken van de Afdeling van 18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4258, 8 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:608 en 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:486). Uit de vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt niet dat er een terugkijktermijn moet worden gehanteerd. De rechtbank heeft evenwel in de aangevallen uitspraak een terugkijktermijn toegepast die de burgemeester in hoger beroep niet heeft bestreden en vastgesteld dat zich een gedraging heeft voorgedaan die rechtvaardigt dat ook de feiten en omstandigheden buiten die terugkijktermijn mogen worden betrokken bij de beoordeling of sprake is van slecht levensgedrag in enig opzicht. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat er een gedraging is van [appellant] binnen de terugkijktermijn die aanleiding geeft om verder terug te kijken. Dit betreft de gedraging die blijkt uit een melding uit 2014 van een burenruzie waarbij [appellant] was betrokken. Voorts is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat de burgemeester de feiten die blijken uit de stukken over een mishandeling van een bankmedewerker door [appellant] in oktober 2011 en een aangifte van mishandeling uit juni 2012 heeft mogen betrekken bij de beoordeling of [appellant] van slecht levensgedrag is. [appellant] heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat de gebruikte gegevens niet juist zijn. De burgemeester heeft zich op grond van deze feiten in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat [appellant] in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

4.    De betogen van [appellant] falen.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. A. ten Veen, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Rietberg, griffier.

De Voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2020

725.