Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1951

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-08-2020
Datum publicatie
26-08-2020
Zaaknummer
202002928/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2020:2520, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 13 juni 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202002928/1/V3.

Datum uitspraak: 19 augustus 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdelingen], mede voor hun minderjarige kind,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 12 mei 2020 in zaken nrs. NL19.13736 en NL19.13737 in het geding tussen:

de vreemdelingen

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluiten van 13 juni 2019 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 12 mei 2020 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. J.J. Eizenga, advocaat te Amerongen, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

    Inleiding

1.    De vreemdelingen zijn afkomstig uit Iran en hebben in Nederland asiel aangevraagd omdat zij vrezen voor vervolging door de Iraanse autoriteiten. De man heeft verklaard dat hij leiding heeft gegeven aan een taxicentrale. Hij is lid van de vakbond en heeft twee keer deelgenomen aan een demonstratie. Volgens de man is hij na de eerste demonstratie aangehouden door de lokale inlichtingendiensten van Iran. Hij heeft verklaard dat hij bij deze aanhouding is mishandeld en daarna is gedwongen een verklaring te ondertekenen waarin staat dat hij op straffe van de dood belooft niet nogmaals een demonstratie te organiseren. Bij de tweede demonstratie werd de man weer aangehouden, maar hij wist door commotie onder de demonstranten te ontsnappen. Deze uitspraak gaat over de vraag of de rechtbank terecht heeft overwogen dat de staatssecretaris deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij de gestelde problemen met de Iraanse autoriteiten niet geloofwaardig vindt. Het wettelijk kader en het beleidskader zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

1.1.    De eerste demonstratie waarover de man heeft verklaard, is gehouden op 20 februari 2017 en was gericht tegen de applicatie Snapp (vergelijkbaar met Uber). De staatssecretaris heeft de gebeurtenissen rondom deze demonstratie geloofwaardig geacht. Ook heeft de staatssecretaris geloofwaardig geacht dat de man op 27 mei 2018 heeft deelgenomen aan de tweede demonstratie. Deze richtte zich tegen een forse verhoging van de vergunningsgelden voor taxi's. De staatssecretaris heeft de gestelde problemen met de Iraanse autoriteiten tijdens en na afloop van deze demonstratie echter niet geloofwaardig geacht. Volgens hem hebben de vreemdelingen geen bewijzen van de problemen met de Iraanse autoriteiten overgelegd en zijn hun verklaringen hierover niet aannemelijk. De dagvaarding van de Islamitische Revolutionaire Rechtbank en de overgelegde foto's van de tweede demonstratie waarop de man is te zien, kunnen er volgens hem niet toe leiden dat de gestelde problemen geloofwaardig zijn. De authenticiteit van de dagvaarding is niet vastgesteld. Bureau Documenten heeft namelijk geconcludeerd dat de dagvaarding mogelijk niet echt is en mogelijk niet door een daartoe bevoegde instantie is opgemaakt en afgegeven. Uit de foto's kan volgens de staatssecretaris hooguit worden opgemaakt dat de man heeft deelgenomen aan de tweede demonstratie. Verder heeft de staatssecretaris ongeloofwaardig geacht dat de man vrijwillig het gouvernementsgebouw heeft betreden, terwijl hij heeft verklaard dat hem de doodstraf boven het hoofd hing en dat de vreemdelingen tijdelijk bij de moeder van de vrouw zijn ondergedoken, een voor de veiligheidsdiensten voor de hand liggende plek. Voorts heeft hij opvallend geacht dat de vreemdelingen al in het bezit waren van Nederlandse visa en op hun eigen naam Iran met het vliegtuig zijn uitgereisd.

De grieven

2.    De vreemdelingen betogen in de eerste, tweede en derde grief, in onderlinge samenhang bezien, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zijn standpunt over de geloofwaardigheid van het asielrelaas, in het bijzonder over de gestelde problemen met de Iraanse autoriteiten, deugdelijk heeft gemotiveerd. Zij voeren aan dat de rechtbank ten onrechte geen conclusies heeft getrokken uit het onweersproken feit dat de man na de eerste demonstratie een onthoudingsverklaring heeft getekend en vervolgens heeft deelgenomen aan een tweede demonstratie. De vreemdelingen wijzen erop dat de man duidelijk als demonstrant te zien is op video's en foto's, die online zijn gepubliceerd via diverse mediakanalen. De rechtbank is ten onrechte niet ingegaan op de inhoud van een van de video's, de nader gegeven toelichting daarop in beroep en het aanbod deze video ter zitting te laten zien. De rechtbank heeft daarnaast volgens de vreemdelingen ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris hun voor de ongeloofwaardig geachte problemen met de Iraanse autoriteiten terecht niet het voordeel van de twijfel heeft gegund.

Beoordeling van de grieven

3.    Het betoog van de vreemdelingen slaagt. De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris heeft nagelaten om zijn standpunt over de gestelde problemen met de Iraanse autoriteiten te relateren aan zogeheten relevante externe geloofwaardigheidsindicatoren. De tegenwerpingen van de staatssecretaris zijn niet van dien aard dat een nadere motivering achterwege kon blijven. Hij had deze dus nader moeten motiveren door deze te relateren aan de hem bekende bronnen over Iran en/of aan zijn ervaringen met vergelijkbare asielrelazen van andere vreemdelingen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1499). De rechtbank heeft verder niet onderkend dat de staatssecretaris niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij de vreemdelingen bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de gestelde problemen met de Iraanse autoriteiten niet het voordeel van de twijfel heeft gegeven (zie artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn, geïmplementeerd in artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 en uitgewerkt in paragraaf 3.2 van Werkinstructie 2014/10). Dit behoeft in dit geval een nadere motivering, mede omdat de staatssecretaris zijn onder 1.1 genoemde tegenwerpingen, waar de vreemdelingen zich gemotiveerd tegen hebben verweerd, niet heeft ondersteund met objectieve bronnen en evenmin duidelijk heeft gemaakt hoe deze zich verhouden tot de wel geloofwaardig geachte elementen van het asielrelaas, waaronder de gebeurtenissen naar aanleiding van de deelname van de man aan de demonstratie van 20 februari 2017. De grieven slagen.

3.1.    Dit betekent dat de staatssecretaris zijn standpunt over de geloofwaardigheid van de gestelde problemen met de Iraanse autoriteiten ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Omdat dit doorwerkt in het standpunt van de staatssecretaris over de geloofwaardigheid van het asielrelaas als geheel, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat hij dit standpunt deugdelijk heeft gemotiveerd. De Afdeling verwijst ter vergelijking naar haar uitspraak van 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:956. De staatssecretaris moet nieuwe besluiten op de asielaanvragen nemen. Daarbij zal hij moeten ingaan op wat de Afdeling hierboven heeft overwogen, waaronder ook de in beroep nader gegeven toelichting door de vreemdelingen op het overgelegde beeldmateriaal. Dit betekent overigens nog niet dat de staatssecretaris nu gehouden is de gevraagde vergunningen te verlenen. Wat de vreemdelingen verder in beroep en hoger beroep hebben aangevoerd, behoeft gezien het voorgaande in het kader van dit hoger beroep geen nadere bespreking meer.

Conclusie

4.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De beroepen zijn gegrond en de besluiten van 13 juni 2019 worden vernietigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 12 mei 2020 in zaken nrs. NL19.13736 en NL19.13737;

III.    verklaart de beroepen gegrond;

IV.    vernietigt de besluiten van 13 juni 2019, V-nummers […], […] en […];

V.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.575,00 (zegge: vijftienhonderdvijfenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

w.g. Van Laar

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2020

371-945.

 

BIJLAGE

 

Kwalificatierichtlijn (PB 2011, L 337)

Artikel 4

[…]

5. Wanneer lidstaten het beginsel toepassen, volgens welk het de taak van de verzoeker is zijn verzoek om internationale bescherming te staven, wordt de verzoeker ondanks het eventuele ontbreken van bewijsmateriaal voor een aantal van de verklaringen van de verzoeker, geloofwaardig geacht en wordt hem het voordeel van de twijfel gegund, wanneer aan de volgende voorwaarden voldaan is:

a)    de verzoeker heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn verzoek te staven;

b)    alle relevante elementen waarover de verzoeker beschikt, zijn overgelegd, en er is een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van andere relevante elementen;

c)    de verklaringen van de verzoeker zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn verzoek;

d)    de verzoeker heeft zijn verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk ingediend, tenzij hij goede redenen kan aanvoeren waarom hij dit heeft nagelaten, en

e)    vast is komen te staan dat de verzoeker in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd.

Vreemdelingenwet 2000

Artikel 31

[…]

6. Indien de vreemdeling zijn verklaringen of een deel van zijn verklaringen niet met documenten kan onderbouwen, worden deze verklaringen geloofwaardig geacht en wordt de vreemdeling het voordeel van de twijfel gegund, wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)    de vreemdeling heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn aanvraag te staven;

b)    alle relevante elementen waarover de vreemdeling beschikt, zijn overgelegd, en er is een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van andere relevante elementen;

c)    de verklaringen van de vreemdeling zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn aanvraag;

d)    de vreemdeling heeft zijn aanvraag zo spoedig mogelijk ingediend, tenzij hij goede redenen kan aanvoeren waarom hij dit heeft nagelaten; en

e)    vast is komen te staan dat de vreemdeling in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd.

[…]

Vreemdelingencirculaire 2000

Paragraaf C1/4.4.1.

Bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling gestelde relevante elementen betrekt de IND:

-    alle documenten die de vreemdeling heeft ingediend;

-    de verklaringen van de vreemdeling; en

-    of de verklaringen van de vreemdeling passen in al datgene wat bij de IND bekend is over de situatie in het land van herkomst van de vreemdeling.

[…]

Werkinstructie 2014/10

3.2 De beoordeling van de relevante elementen

[…]

Indien de vreemdeling een relevant element niet of onvoldoende kan onderbouwen met documenten of ander objectief bewijsmateriaal, zal aan de hand van de geloofwaardigheidsindicatoren (zie paragraaf 3.2.1) moeten worden getracht tot het oordeel geloofwaardig of ongeloofwaardig te komen. Als algemene richtlijn voor de geloofwaardigheidsbeoordeling in het geval sprake is van onvoldoende onderbouwing, gelden de bepalingen uit artikel 4, lid 5 van de Kwalificatierichtlijn […] Dit artikel houdt rekening met de omstandigheid dat van een asielzoeker doorgaans niet verwacht kan worden dat hij zijn relaas volledig met bewijsmateriaal staaft en biedt aanknopingspunten waarmee, bij gebrek aan dat bewijsmateriaal, in de geloofwaardigheidsbeoordeling rekening kan worden gehouden. Deze aanknopingspunten komen ook terug in de geloofwaardigheidsindicatoren (zie paragraaf 3.2.1).

Het is overigens niet de bedoeling dat de - cumulatief geformuleerde - opsomming van vijf punten […] als een 'checklist' wordt gehanteerd. Het is van belang om de intentie achter dit artikel in ogenschouw te nemen: het relaas van de asielzoeker kan geloofwaardig worden geacht - aan de hand van de interne en externe geloofwaardigheidsindicatoren […] en rekening houdend met de persoon van de asielzoeker - ondanks de omstandigheid dat hij niet alle elementen van zijn verzoek met bewijsmateriaal heeft kunnen staven. Het voordeel van de twijfel is dan van toepassing.

[…]

De geloofwaardigheidsbeoordeling moet objectief, gestructureerd en transparant worden uitgevoerd. Dat betekent onder andere dat gebruik gemaakt moet worden van objectiveerbare bronnen en kenbaar gemotiveerd moet worden, waarbij inzicht gegeven wordt in de weging.

[…]

3.2.1 Geloofwaardigheidsindicatoren

Als hulpmiddel voor een objectieve, gestructureerde en transparante beoordeling van de geloofwaardigheid van de relevante elementen wordt gebruik gemaakt van eerdergenoemde geloofwaardigheidsindicatoren. De geloofwaardigheidsindicatoren bestaan uit interne en externe geloofwaardigheidsindicatoren. Bij de interne geloofwaardigheid gaat het om alles wat de vreemdeling zelf heeft aangedragen. Bij de externe geloofwaardigheid gaat het om alles wat te toetsen is aan de hand van andere bronnen dan de vreemdeling zelf.

[…]

3.2.1.2 Externe geloofwaardigheidsindicatoren

Externe geloofwaardigheidsindicatoren zijn:

[…]

-    Consistentie met beschikbare informatie

Is er sprake van tegenstrijdigheden, ongerijmdheden, inconsistenties tussen enerzijds hetgeen de vreemdeling heeft aangedragen en anderzijds wat algemeen bekend is over de situatie in het land van herkomst, wat blijkt uit objectieve en actuele bronnen over het land van herkomst, andere deskundigenberichten (denk aan medisch onderzoek, taalanalyse, documentonderzoek etc.) en overig bewijsmateriaal?

De verklaringen van de vreemdeling worden vergeleken met verklaringen van anderen en met objectieve bronnen. Veelal gelden de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse zaken als belangrijkste objectieve bron. Een ambtsbericht is een deskundigenbericht. Indien er geen algemeen ambtsbericht beschikbaar is, vindt beoordeling plaats op grond van informatie van andere objectieve bronnen. Hierbij moet met name gedacht worden aan ambtsberichten van andere landen en rapporten van internationale organisaties en NGO’s.

[…]