Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1941

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-08-2020
Datum publicatie
19-08-2020
Zaaknummer
202000931/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2020:3405, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 oktober 2018 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vw 2000 te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202000931/1/V3.

Datum uitspraak: 12 augustus 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 13 januari 2020 in zaak nr. 19/2668 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 16 oktober 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vw 2000 te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Bij besluit van 4 april 2019 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 januari 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A. Hanna, advocaat te Lemmer, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

1.    De vreemdeling is afkomstig uit Sierra Leone. Hij heeft gevraagd zijn uitzetting op te schorten wegens zijn gezondheidssituatie. De staatssecretaris heeft zijn aanvraag afgewezen en daaraan het advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) van 12 oktober 2018 en de nota van 10 december 2018 ten grondslag gelegd. Het BMA heeft daarin, voor zover van belang, vermeld dat bij het uitblijven van behandeling geen medische noodsituatie op korte termijn wordt verwacht. De vreemdeling is het daar niet mee eens.

2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de staatssecretaris bij de besluitvorming ten onrechte niet heeft voldaan aan zijn vergewisplicht. Hij had namelijk niet de beschikking over de medische stukken die door het BMA bij het advies en de nota zijn betrokken, zodat hij zich volgens de rechtbank niet ervan heeft kunnen vergewissen of deze op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, de redeneringen daarin begrijpelijk zijn en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat de redeneringen in het advies en de nota niet begrijpelijk zijn en de getrokken conclusies daarop niet aansluiten. Dit onder meer omdat het BMA haar conclusie dat begeleiding en toezicht niet medisch noodzakelijk zijn, niet begrijpelijk heeft gemotiveerd. Daarom heeft de staatssecretaris het advies en de nota van het BMA ten onrechte aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd, aldus de rechtbank.

3.    De staatssecretaris klaagt in zijn grieven, in onderlinge samenhang bezien, dat de rechtbank ten onrechte tot voornoemd oordeel is gekomen. Volgens de staatssecretaris heeft de rechtbank namelijk niet onderkend dat het advies en de nota van het BMA op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, de redeneringen daarin begrijpelijk zijn en de getrokken conclusies daarop aansluiten.

3.1.    De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet aan zijn vergewisplicht heeft voldaan.

    Uit het advies en de nota volgt dat het BMA is uitgegaan van de medische informatie van de behandelaars van 17 september 2018 en 13 november 2018. Zoals de staatssecretaris terecht aanvoert, heeft hij over deze medische informatie in de besluitvormingsfase de beschikking gehad omdat hij deze heeft voorgelegd aan het BMA. Niet is gebleken dat het BMA en de behandelaars niet van dezelfde medische gegevens zijn uitgegaan. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, vermelden zowel de behandelaars in de medische informatie van 13 november 2018 als het BMA in de nota dat de klachten van de vreemdeling chronisch van aard zijn.

    Zoals de staatssecretaris terecht aanvoert, volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling dat een verschil van inzicht over de uit de medische gegevens te trekken conclusies op zichzelf niet betekent dat het advies en de nota niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, de redeneringen daarin niet begrijpelijk zijn en de getrokken conclusies daarop niet aansluiten (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 21 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2226). De staatssecretaris heeft zich in dat verband terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling om de juistheid van de conclusies van het BMA te kunnen bestrijden een contra-expertise had moeten overleggen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 17 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:4012).

    De staatssecretaris klaagt verder terecht dat de rechtbank door te overwegen dat het standpunt van de BMA-arts dat de medische problematiek van de vreemdeling niet is toegenomen onjuist is, ten onrechte een eigen medisch oordeel heeft gegeven over de psychische gesteldheid van de vreemdeling.

    Gezien het voorgaande heeft de rechtbank niet onderkend dat de staatssecretaris het advies en de nota van het BMA terecht aan het besluit van 4 april 2019 ten grondslag heeft gelegd.

    De grief slaagt.

4.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 13 januari 2020 in zaak nr. 19/2668;

III.    verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

w.g. Van Leeuwen

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2020

373-839.