Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1936

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-08-2020
Datum publicatie
12-08-2020
Zaaknummer
201907292/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2019:7728, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juli 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maastricht het verzoek van [appellant A] en [appellant B] om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) deels ingewilligd en deels afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201907292/1/A3.

Datum uitspraak: 12 augustus 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend te Maastricht,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 23 augustus 2019 in zaak nr. 18/2825 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B]

en

het college van burgemeester en wethouders van Maastricht.

Procesverloop

Bij besluit van 25 juli 2018 heeft het college het verzoek van [appellant A] en [appellant B] om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) deels ingewilligd en deels afgewezen.

Bij besluit van 12 oktober 2018 heeft het college het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 augustus 2019 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant A] en [appellant B] hebben toestemming, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, verleend.

[appellant A] en [appellant B] en het college hebben nadere stukken ingediend.

Partijen hebben afgezien van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.

Overwegingen

    Inleiding

1.    [appellant A] en [appellant B] hebben het college verzocht om de ambtelijke en bestuurlijke stukken die de afgelopen jaren een rol speelden in de afweging tot bestemming en verkoop van het pand Boschstraat 30 Boschstraat 30 annex Sphinxzaal openbaar te maken, met bijzondere aandacht voor de taxatierapporten. Ze willen daarmee controleren of de gemeente het pand en de daarnaast gelegen uitbreidingsstrook met het bedrag van € 450.000,- voor een marktconforme verkoopprijs heeft verkocht. Het college heeft verschillende documenten openbaar gemaakt, maar niet de taxatierapporten. Deze heeft het geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, onder b en g, van de Wob. Het college acht aannemelijk dat taxatierapporten inzichten kunnen verschaffen waarmee de onderhandelingspositie van de gemeente wordt geschaad en waardoor de gemeente onevenredig wordt benadeeld.

    De rechtbank heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid openbaarmaking van de taxatiewaarde heeft mogen weigeren. Omdat [appellant A] en [appellant B] openbaarmaking juist hebben gevraagd om kennis te kunnen nemen van deze informatie, heeft de rechtbank niet beoordeeld of andere informatie in de taxatierapporten openbaar gemaakt moest worden.

Wetgeving

2.    Artikel 10, tweede lid, van de Wob luidt:

"Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

[…];

b. de economische of financiële belangen van de Staat, de andere publiekrechtelijke lichamen of de in artikel 1a, onder c en d, bedoelde bestuursorganen;

[…];

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden."

Hoger beroep

3.    [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college openbaarmaking mocht weigeren. Niet kan worden aangenomen dat de gemeente onevenredig wordt benadeeld als de taxatiewaarde openbaar gemaakt wordt. Het gaat namelijk om een pand met een uniek karakter en een bepaalde staat van onderhoud, waardoor het niet vergelijkbaar is met een ander pand. Een potentiële koper van een ander pand van de gemeente kan uit de taxatiewaarde van dit pand geen informatie over de mogelijke onderhandelingsruimte van de gemeente afleiden.

    Zelfs als dat wel het geval zou zijn, heeft een koper daar nu geen voordeel meer van. De gemeente verkoopt namelijk tegenwoordig panden door het uitschrijven van een tender. Daarbij worden meerdere partijen uitgenodigd om een bod te doen en het gebruik maken van kennis van de onderhandelingsruimte kan er toe leiden dat een potentiële koper een te laag bod doet, waardoor hij de tender misloopt. De hoogte van het bod hoeft bij een tender bovendien niet van doorslaggevende betekenis te zijn.

    Uit het bedrag dat in het rapport "Definitieve locatiekeuze Boulodröme" is genoemd, blijkt dat de marktconformiteit van de tot stand gekomen verkoopprijs ernstig in twijfel kan worden getrokken. Het algemene belang van transparant beleid en controle op doelmatige besteding van publieke gelden weegt zwaarder dan de mogelijke benadeling van de gemeente. Dat weegt ook zwaarder dan het economische of financiële belang van de gemeente, aldus [appellant A] en [appellant B].

Beoordeling

4.    Artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wob biedt een grondslag om openbaarmaking van stukken te weigeren, voor zover die stukken financiële gegevens bevatten over de waardebepaling van panden waardoor derden hun onderhandelingspositie kunnen afstemmen, zodat de financiële belangen van de gemeente kunnen worden geschaad. Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:114.

    Het college heeft aangevoerd dat uit de taxatiewaarde kan worden afgeleid of, en zo ja, in welke mate, de gemeente bereid is om de kosten van bijzondere omstandigheden voor haar rekening te nemen - bij het pand in kwestie bestaan de bijzondere omstandigheden uit een dakrenovatie en asbestsanering - en welke bandbreedte de gemeente bereid is qua prijs te hanteren na aftrek van de kosten van bijzondere omstandigheden. Deze bandbreedte kan voor derden interessant zijn. Zij kunnen daar bij andere panden die de gemeente gaat kopen of verkopen met hun bod op inspelen en daarmee dus hun voordeel doen. Hierdoor worden de financiële belangen van de gemeente geschaad, aldus het college. Met betrekking tot het bedrag dat in het rapport is genoemd, heeft het college opgemerkt dat dit het bedrag voor Boschstraat 28, 30 en 30a samen is.

    Na met toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht kennis te hebben genomen van de geheime stukken, acht de Afdeling het standpunt van het college redelijk. Dat het pand uniek is, maakt niet dat de informatie niet voor kopers of verkopers van andere panden relevant kan zijn. Uit de geheime stukken kan informatie worden afgeleid over de onderhandelingsruimte waarmee partijen hun voordeel kunnen doen bij het bepalen van de hoogte van een bod. De stelling van [appellant A] en [appellant B] dat partijen bij een verkoop door middel van een tender geen voordeel zouden hebben van kennis van de onderhandelingsruimte van de gemeente, volgt de Afdeling niet. Of de hoogte van het bod van doorslaggevende betekenis is of niet, bij verkoop via de tenderprocedure is de hoogte van het bod één van de elementen waar de gemeente rekening mee houdt bij de keuze van de koper. Het financiële belang van de gemeente is een belang dat in de Wob wordt beschermd en het college kon, wat er ook zij van wat [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd, in redelijkheid aan dat belang een groter gewicht toekennen dan aan het belang van openbaarmaking. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college op grond van artikel 10, tweede lid, onder b, van de Wob in redelijkheid kon weigeren de taxatiewaarde openbaar te maken. Of daarnaast ook de weigeringsgrond van artikel 10, tweede lid, onder g, van de Wob van toepassing is, hoeft niet meer beoordeeld te worden.

    Het betoog faalt.

Slotsom

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

w.g. Klein

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2020

176-851.